Analyse Nepnieuws in oorlogstijd

Dolle Dinsdag: een voorbeeld van nepnieuws in oorlogstijd

Duitse militairen en Nederlandse collaborateurs wachten op het Staatsspoor Station in ­Den Haag op een trein naar Duitsland, dinsdag 5 september 1944 Beeld Ary W.G. Koppejan, Nederlands Fotomuseum, HH

Vandaag, 75 jaar geleden, wisten veel inwoners het zeker: Nederland zou binnen enkele dagen zijn bevrijd. NSB’ers en Duitse soldaten vluchtten in paniek naar het oosten. Hoe nepnieuws ook toen al grote gevolgen had.  

Na alle aandacht die er sinds de verkiezing van Donald Trump tot president van Amerika is geweest voor nepnieuws, kan de indruk zijn ontstaan dat het een ­hedendaags fenomeen is. Maar 75 jaar geleden ontdekte Nederland al hoe groot de invloed van nepnieuws kan zijn.

Op maandagavond 4 september – even voor achten – maakte Pieter Sjoerds Gerbrandy, minister-president van de Nederlandse regering in ballingschap, zich op voor een rede die hij zou houden voor Radio Oranje, ‘de stem van strijdend Nederland’. Vanuit de BBC-studio in Londen zou hij de luisteraars in bezet Nederland informeren over het verloop van de bevrijding. De berichten van het front stemden verwachtingsvol. Een dag eerder was Brussel bevrijd. Nu was Antwerpen aan de beurt – al kon de stad, van vitaal belang voor de bevoorrading van de geallieerde legers, nog niet via de Westerschelde worden bereikt. ‘Er werd gezegd: de afstand Brussel-Breda is één dag’, noteerde een inwoner van Andijk (Noord-Holland) naderhand. ‘Als de geallieerden zo blijven doorstoten, zijn wij in twee dagen bevrijd.’

Net als miljoenen landgenoten deelde Gerbrandy dit optimisme. En daarvan gaf hij onomwonden blijk in zijn radiorede. In de tekst die Hendrik van den Broek, chef van Radio Oranje, hem had overhandigd, was er nog sprake van een ‘onweerstaanbare ­opmars’ naar de Nederlandse grens. Vooruitlopend op de verwachte gang van zaken, deelde Gerbrandy de luisteraars echter mee dat de bevrijders de grens al hadden overschreden. ‘We hebben inlichtingen van onze eigen mensen’, had hij de verbouwereerde Van den Broek verzekerd.

Maar het was niet waar. De bevrijders waren nog niet in Nederland.

Mijn bevrijding

Op 12 september 1944 was het Limburgse Mesch het eerste gebied in Nederland dat werd bevrijd. Vanaf volgende week donderdag brengt de Volkskrant verhalen over 75 jaar bevrijding met ooggetuigen uit uw regio.

Amerikaanse troepen in Zuid-Limburg

Het was niet het eerste nepnieuws tijdens de jaren van de Duitse bezetting – met dien verstande dat nepnieuws toen nog ‘gerucht’ werd genoemd. De geruchten namen in aantal en in woestheid toe naarmate het ‘officiële nieuws’ meer wantrouwen inboezemde. In de meidagen van 1940 stond voor veel ­Nederlanders vast dat een ‘vijfde ­colonne’ van NSB’ers de Duitsers een handje hielp. In het eerste bezettingsjaar deden al geruchten de ronde over de naderende bevrijding. Later meende menige Nederlander oog in oog te hebben gestaan met Engelsen. Of Russen. De meeste geruchten vonden hun origine op straat of in de kroeg.

Maar het meest ontwrichtende gerucht in oorlogstijd werd verspreid door de oerdegelijke BBC. Het ont­ketende Dolle Dinsdag.

Die ‘eigen mensen’ over wie Gerbrandy sprak, waren wellicht verzetslieden die hun onnauwkeurige waarnemingen hadden doorgeseind naar het Bureau Inlichtingen – dat maar al te graag bereid was ze voor waar aan te nemen. Jaren later hield een Bredase taxichauffeur overigens nog steeds staande dat hij op 4 september ‘in de verte’ ­patrouillerende Engelsen had gezien. Een andere mogelijke bron van de berichten was een Britse tankcommandant. Toen hem in het Belgische Maria ter Heide werd gevraagd zijn positie door te geven, zou hij de naam hebben genoemd van het café dat hij op dat moment passeerde: Breda. De gelijknamige stad bevond zich zo’n 50 kilometer noordwaarts, en zou pas op 29 oktober worden bevrijd.

Maar na ruim vier jaar bezetting verzette de behoefte aan goed nieuws zich kennelijk tegen elk voorbehoud. ’s Avonds op die 4de september meldde de BBC dat Breda was bevrijd. En daar kwamen nog andere berichten bij die de komende dag de verwachtingen in bezet Nederland zouden voeden; Amerikaanse troepen zouden in Zuid-Limburg het ­Julianakanaal hebben bereikt; Prins Bernhard was benoemd tot bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten; Generaal Eisenhower, de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in Europa, riep de haven- en spoorwegarbeiders in Rotterdam op de haveninstallaties te beschermen tegen vernietiging door terugtrekkende Duitsers. Al die berichten ­samen voedden een aanzwellende stroom nepnieuws waarbij geruchten de gestalte aannamen van harde feiten, en waarbij verhalen van derden als persoonlijke waarneming werden doorverteld.

Inwoners van Den Haag wachten bij het Rijswijkseplein op de Cana­dese bevrijders, die niet zouden komen. Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

 Zelfs verzetsstrijders komen bovengronds

Een inwoner van De Bilt, een gemeente die pas in het late voorjaar van 1945 zou worden bevrijd, ­noteerde daags voor Dolle Dinsdag dat de geallieerden om 14.00 uur in Maastricht waren aangekomen, dat de bevrijding van Eindhoven omstreeks 16.00 uur te verwachten viel, en dat Tilburg om 19.30 uur zou worden bereikt.

Op Dolle Dinsdag wist men in Rotterdam dat de bevrijders al bij Zwijndrecht waren. ‘De gehele middag hebben mijn vrouw en ik bij het raam staan wachten op de geallieerden, overtuigd dat de bevrijding die dag, desnoods ’s avonds, zou komen’, schreef een Rotterdammer. ‘In die avond dronken wij met de buurman een fles oranjebitter, die hij speciaal voor de bevrijding had bewaard.’

Een inwoner van Zeist verkeerde op dat moment in de veronderstelling dat de Rotterdammers hun eigen stad al hadden bevrijd.

In Den Haag wachtte een in oranje gehulde menigte bij het Rijswijkseplein de bevrijders op, die Leiden al zouden hebben ingenomen. In die stad ‘zagen we vlaggen uithangen en mensen in Oranje lopen’, noteerde een inwoner van Leiderdorp. ‘Zelf droegen we ook oranje, en de Duitsers deden hier niets tegen. Wij zeiden: zie je wel, het is voorbij!’

Dat meenden ook de Amsterdammers die, zo’n vijftig kilometer verderop, op de Overtoom klaarstonden om de geallieerden warm te onthalen.

In de roes van het moment begaf de ‘ondergrondse’ zich in de openbaarheid. In Amerongen werd de ‘foute’ burgemeester gearresteerd. ­Elders werden Duitse militairen krijgsgevangen gemaakt – en soms tot de bevrijding op schuilplaatsen vastgehouden. In Benschop, provincie Utrecht, lieten verzetsstrijders zich met onderduikers fotograferen. De foto ‘viel in Duitse handen’, schreef een inwoner van het dorp ­naderhand. ‘Door verraad heeft dit bij negen van de onzen het leven gekost.’

Ook Mussert brengt zijn vrouw in veiligheid

Het nepnieuws van deze septemberdagen maakte niet alleen indruk op de ‘goede vaderlanders’. Sympathisanten van de nazi’s raakten door angst bevangen. Op de avond van 4 september, een half uur na de rede van Gerbrandy, kwamen kopstukken van de NSB op het hoofdkwartier van de partij aan de Utrechtse Maliebaan bijeen om te bespreken hoe NSB-vrouwen en -kinderen geëvacueerd konden worden. Voor NSB-leider Anton Mussert ‘had de vergadering een hoogst onaangenaam karakter’, schreef diens biograaf Jan Meyers. Hij kreeg ‘scherpe kritiek’ van zijn partijgenoten te verduren omdat de plannen voor een evacuatie nog niet uit de kast waren gehaald.

Duitse militairen vluchten met een bakfiets vol bezittingen op Dolle Dinsdag naar het station nabij de Rijnstraat in Den Haag. Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

SS’er Henk Feldmeijer stelde daar zijn eigen daadkracht tegenover: hij belde ter plekke met Hanns Albin Rauter, de hoogste vertegenwoordiger van de SS in bezet Nederland, die hem 25 treinen voor het transport ter beschikking stelde. Mussert zelf wilde niet van deze voorziening afhankelijk zijn: nog diezelfde avond bracht hij persoonlijk zijn vrouw Rie, zijn achternichtje – tevens maîtresse – Marietje, haar moeder en een bevriend echtpaar naar Holten, Overijssel. ‘Een gezellige rit zal het niet zijn geweest’, veronderstelde Jan Meyers. De volgende middag was Mussert ­terug in Utrecht, waar hij kriskras door de stad reed om te demonstreren dat hij, zoals hij eerder tijdens een rede in het Concertgebouw had aangekondigd, ‘onder alle omstandig­heden’ op zijn post zou blijven.

Vanaf 5 september werden zo’n 65 duizend NSB’ers en andere Nederlanders die de bevrijding vreesden, naar veilig geachte oorden in het oosten des lands of naar kampen in de omgeving van Lüneburg (Nedersaksen) overgebracht – waar ze door de lokale bevolking met de nek werden aangekeken. Zo’n vijfduizend evacués werden korte tijd gehuisvest in ‘Durchgangslager’ Westerbork, de voorlaatste halteplaats van zo’n 100 duizend Nederlandse Joden. ‘In de dichtbevolkte barakken bleek dat het bestaan tussen mijn en dijn niet bestond’, stelde een van de bewoners verbitterd vast. ‘Er werd van de kameraden en kameraadskes (zoals vrouwelijke NSB’ers werden genoemd, red.) gegapt. De kleding of luiers die te drogen hingen, waren niet veilig meer.’ De eerste evacuatietrein die op woensdag 6 september vanuit Amsterdam vertrok, werd bij Muiden door jachtvliegtuigen van de RAF beschoten. Daarbij vielen 36 doden.

Wrok, teleurstelling en schaamte

De Gelderse stad Zaltbommel werd, als enige in Nederland, in haar geheel ontruimd, vermoedelijk in de verwachting dat ze spoedig in het frontgebied zou komen te liggen. Gemeenteambtenaar Cornelis van Zetten – net als burgemeester Jan Boll een NSB’er – deed verslag van de gebeurtenissen in die tijd. ‘Ten opzichte van ons NSB’ers was de houding gereserveerd, doch niet openlijk hatelijk’, noteert hij op 4 september over de sfeer in de eerste bezettingsjaren. ‘In het algemeen was de stemming zoo, dat men graag de Duitschers en NSB’ers kwijt was, doch dit moest liefs gepaard gaan zonder materieel verlies.’ Die kenschets had vermoedelijk ook op de rest van Nederland van toepassing kunnen zijn.

Voorafgaande aan de algehele evacuatie van Zaltbommel – waartoe op 6 september wordt besloten – worden de plaatselijke NSB’ers in veiligheid gebracht. De aftocht verloopt nogal wanordelijk. Sommige ‘kameraden’ wachten vergeefs op transport, anderen zijn tevoren niet gewaarschuwd. Een bus met dertig zitplaatsen wordt volgestouwd met honderd evacués. En het wagenpark wordt aanhoudend geteisterd door motorpech, als gevolg waarvan het konvooi even buiten Zaltbommel al uit elkaar valt. Toch is ‘de stemming onder de kameraden goed’, noteert Van Zetten op Dolle Dinsdag in zijn dagboek. ‘Geen wanklank of gejammer wordt gehoord, en de moeilijkheden worden aanvaard zooals het mannen betaamt.’

Burgemeester Boll en gemeenteambtenaar Van Zetten keren de volgende dag naar Zaltbommel terug om de evacuatie van de stad in goede banen te leiden. Daarbij zijn ze aangewezen op ‘de anti’s’, zoals Van Zetten zijn politieke tegenstanders noemt. Hij vreest voor terreurdaden, schrijft hij. Op 20 september pakken burgemeester Boll en een handjevol getrouwen uiteindelijk alsnog hun biezen.

Op dat moment staat dinsdag 5 september 1944 al te boek als Dolle Dinsdag. De alliteratierijke uitdrukking wordt het eerst gebruikt in het satirische weekblad De Gil, een legaal weekblad dat volgens historicus Lou de Jong ten doel had ‘zoveel mogelijk verwarring te stichten in de publieke opinie in bezet gebied’. In het nummer van 15 september moesten vooral de vluchtende NSB’ers het ontgelden: ‘De zucht van een gerucht joeg bonzen op de vlucht.’

Voor de meeste Nederlanders was Dolle Dinsdag een wrede illusie geweest. Ze voelden ‘een haast niet te verwerken teleurstelling’ en soms ook wrok tegenover radio Oranje, ‘dat expres desinformatie had verspreid’. Maar ze wisten dat zij zelf ook niet geheel vrijuit gingen. ‘Dolle Dinsdag was een typisch voorbeeld van de zogenaamde nuchterheid van ons volk.’

Bronnen

Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10 a, eerste helft.

Jan Meyers, Mussert, een politiek leven.

Historisch Nieuwsblad, april 2008.

‘Aantekeningen in de periode september-oktober 1944’ (niet uitgegeven) van de Cornelis Johannes van Zetten, destijds gemeenteambtenaar in Zaltbommel.

Was die gelijkgeschakelde pers in oorlogstijd wellicht niet zo onbetrouwbaar als altijd wordt gedacht?

Vandaag 75 jaar geleden gonsde het nieuws door Nederland: het einde van de bezetting zou spoedig volgen en Duitse soldaten vluchtten. Toch zou de oorlog nog zeker negen maanden duren in Nederland. Historicus David Barnouw over de vermeende bevrijding van Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden