Dol op de consumptiemaatschappij

De King of Kitsch, de Wizard of Odd, de Ronald Reagan of de Willy Wonka van de kunst: Jeff Koons, icoon van de jaren tachtig, is terug....

Meer dan twintig jaar lang ben je het, misschien wel opzettelijk, vergeten. Totdat het ineens bij een tankstation aan een Spaanse snelweg uit de boxen komt lopen: Modern Talking, Brother Louie. Een jaar later belt een kennis op: of je meegaat naar een concert van Duran Duran. Duran Duran?! En als de zombies in Michael Jacksons Thriller-videoclip verschijnen langzaam maar zeker ook de anderen: Doe Maar treedt weer op, Sheila E. verschijnt in een interviewprogramma, Stevie Wonder is herboren en Patricia Paay ook. In hun kielzog: wortelbroeken, Doc Martins, big hair.

Onschuldig vertoon. Maar in de kranten en op internet worden de krakersblokkades weer beklommen en petities, ooit uitgedraaid op een stencilmachine, weer opgeduikeld. Groter, beklemmender is de Koude Oorlog-retoriek die binnen één Georgische week nog altijd springlevend blijkt. Nog zo’n lang vergeten woord duikt op: CIA-complot.

Niemand zag het aankomen en het gebeurde terwijl we sliepen. De jaren tachtig zijn terug. Ze zaten er nog steeds, vastgeplakt als Bubblelicious onder onze Converse All Stars-gympen. Al bijna versteend, maar de geur en de smaak zitten er nog in.

Kunstenaarscarrières volgen meestal andere wetten. Óf kunstenaars blijven gestaag doorwerken en groeien, óf ze verdwijnen in vergetelheid. Geen loop-vorming, weinig miraculeuze comebacks.

Maar één van de klappers waarmee het culturele seizoen straks geopend gaat worden, is dat allemaal juist wél: de eerste tentoonstelling van een levende kunstenaar in kasteel Versailles in Frankrijk. Die kunstenaar heet Jeff Koons. Jeff Koons?!

Jeff Koons’ marmeren zelfportret (1991) en zijn verchroomde buste van De Zonnekoning (1986) zullen in de heilig verklaarde Franse zalen staan. Zijn vergulde spiegels zullen het verguldsel van de Zonnekoning verdubbelen. Ergens is de plek volkomen logisch, deze kunst die in de jaren tachtig al als ‘nouveau-Versailles’ werd betiteld.

Maar dat is niet alles. De hele zomer al troont een tot enorme proporties opgeblazen ‘ballonnenhondje’ (1994-2000) op het dak van het Metropolis Museum of Art in New York, waar het samen met andere spiegelend gepolijste sculpturen de skyline van Manhattan weerkaatst: Jeff Koons. Ook nog te zien: het eerste complete oeuvre-overzicht en de eerste museale solo sinds vijftien jaar van Jeff Koons in het Museum of Contemporary Art in Chicago. In oktober start een overzicht van de Celebration-serie, waaraan Koons in de jaren negentig failliet ging, in de Neue Nationalgalerie in Berlijn. En volgend jaar wordt zijn grootste publieke sculptuur, een werkende locomotief die aan een hijskraan hangt, opgeleverd bij het Los Angeles County Museum of Art.

Koons is niet alleen terug, de reacties zijn weer precies dezelfde. In 1989 stond Nederland op zijn kop toen directeur Wim Beeren voor het Stedelijk Museum het beeld Ushering in Banality aanschafte: een manshoog varken, voortgeduwd door twee engeltjes; een opgeblazen en door houtsnijders uitgevoerd schoorsteenbeeldje. Internationaal kreeg Koons, toen al hoofd van een geoliede kunstfabriek, benamingen die alles zeiden: de Wizard of Odd, de Ronald Reagan van de sculptuur, de Willy Wonka van de kunst of kortweg de Koning van de Kitsch. Net als toen struikelen critici nu nog steeds over Koons hang naar het banale, het waardeloze, zijn verheerlijking van een opblaasbloem die je wint bij de schiettent. ‘Ik word misselijk van Koons’, vatte een criticus van the New Yorker het samen.

En Frankrijk steigert. Niet alleen is de eerste kunstenaar die de zalen van Louis XIV mag vullen géén Fransman, het is ook nog eens de zuiverste personificatie van de door de Fransen gehate ‘Mac-Do’-cultuur.

Graaf Édouard de Royere, voorzitter van de Vereniging van het Erfgoed en een van de grootste mecenassen van Versailles, tekende protest aan. Zo ook de club van ‘Amerikaanse vrienden van Versailles’. De Franse schrijversvakbond vroeg in een open brief aan Christine Alband, minister van Cultuur, om een verbod. ‘Dit project is een bezoedeling van het heiligste wat ons erfgoed en onze identiteit behelst’, schrijven de literatoren.

It’s Koons-time, dat is duidelijk, maar hoe komt dat? En waarom nu? En wat heeft hij, de meest oppervlakkige van alle kunstenaars, toch dat beklijft?

Helemaal uit de lucht vallen doet iets nooit, zelfs niet ‘Marsmannetje’ (nog zo’n erenaam) Koons. Al sinds de eeuwwisseling komt hij als een koersvaste meteoriet aangesuisd. Eerst door erkenning: als een ver gerucht, cirkelend om belangrijke namen. De Britse kunstenaar Damien Hirst is hem schatplichtig, net als andere voormalige Young British Artists als Tracey Emin en de iets jongere Martin Creed. Wie een grote kunstbeurs bezoekt, ziet Koons happy-go-lucky-stijl sinds een aantal jaren terug bij vooral jonge Aziatische kunstenaars.

Koons verscheen weer in kunstbladen. New York magazine plaatste hem in oktober vorig jaar op de lijst van twintig ‘Kunstenaars die er nog steeds toe doen’, samen met Barbara Kruger, Cindy Sherman en Maurizio Cattelan. Een maand later werd het werk Hanging Heart (1995-1998), een meer dan manshoge verchroomde versie van een kermisprul aan een lintje, voor 26,3 miljoen dollar verkocht op een veiling bij Sotheby’s. Voor even was Jeff Koons de duurst verkochte levende kunstenaar uit de geschiedenis – tot zijn nazaat Damien Hirst hem van de troon stootte.

In televisieshows oogt de Koons van nu als een goed geconserveerde zelfhulp-goeroe, die met gedempte, bezwerende stem algemeenheden laat vloeien. ‘Kunst gaat helemaal over het accepteren van jezelf’, zegt hij. ‘Door mijn kunst spoor ik mensen aan om hun eigen ik te omarmen.’ Om de twee zinnen grijnst hij van oor tot oor, het nog steeds bijna rimpelloze gezicht boven een grijs makelaarskostuum. ‘En wanneer je jezelf accepteert, kun je de ander accepteren.’ Alles is goed, iedereen is mooi en kunst gaat over communicatie; het valt niet mee om niet slaperig te worden van Koons’ open deuren. Studenten van de kunstacademie in Kaapstad verlieten in 2003 dolenthousiast een lezing van Koons, maar konden desgevraagd alleen maar vertellen dat ‘hij zei dat je je hart moet volgen.’

Koons’ huidige succes heeft enerzijds zijn oorsprong in zijn diepe val in de jaren negentig. Aan het einde van de jaren tachtig is Koons een gevierd kunstenaar. Met zijn sculpturen van glimmend nieuwe consumentenproducten (speakers, luchtbevochtigers, stofzuigers) lijkt hij de ideale troonopvolger van Andy Warhol. Minder lelijk maar even geniaal-oppervlakkig. Hij hoeft niets nieuws te maken, ‘alles is er al’, zegt hij. Vanaf het begin is hij ook een perfectionist: de beelden die voor zijn doorbraak zorgden, de zwevende basketballen in vloeistoftanks (1985), komen tot stand na samenwerking met Nobelprijswinnaar Richard Freyman. Voor zijn verchroomde, houten en porseleinen beelden (Michael Jackson and Bubbles, 1988) zoekt hij de beste Europese handwerkslieden.

Koons is zelf de grootste en meest schaamteloze promotor van zijn werk. In advertenties poseert hij met een lauwerkrans of tussen gebronsde ronde-Missen. Zijn atelier telt meer dan dertig assistenten.

Zijn huwelijk met La Cicciolina, de Hongaarse pornoster Ilona Staller die het in Italië tot parlementslid schopt, is een kroon op zijn werk. In een pornografische serie glazen beelden, foto’s en schilderijen copuleren Koons en zijn echtgenote glimlachend in alle standjes in een decor van bloemen en wit satijn.

Een jaar later echter klapt het huwelijk tussen de ‘King of Kitsch’ en zijn pornokoningin. Een bijna tien jaar durend juridisch gevecht om de voogdij van zoon Ludwig Maximilliaan brengt Koons financieel en geestelijk aan de afgrond. Ludwig is het tweede kind dat Koons kwijtraakt. Eerder is zijn dochtertje Shannon, geboren in zijn studententijd, tegen zijn zin opgegeven ter adoptie. (‘Ik wilde beroemd worden zodat zij me later zou kunnen vinden’, zegt hij daarover.)

Koons stort zich op Celebration, een serie schilderijen en beelden ter ere van Ludwig. De sculpturen laat hij in Duitsland volgens een zeer intensief en peperduur proces verchromen, kleuren en polijsten. Een consortium van galeristen geeft hem miljoenen dollars aan voorschotten, en als die op zijn begint hij werk op voorhand te verkopen aan welwillende verzamelaars. Maar voor de maniakaal-perfectionistische Koons is het nooit goed genoeg, en uiteindelijk vallen de productiekosten hoger uit dan de opbrengst. Koons gaat failliet. Hij sluit zijn studio voor korte tijd en kan zich geen metrokaartje meer veroorloven. Het zijn overigens juist de werken uit deze serie die later de hoogste prijzen zullen opbrengen.

De kunstenaar zelf zegt dat het de kunst is die hem heeft behoed voor totale waanzin. Dat, en de komst van Justine Wheeler, de vrouw met wie Koons niet alleen nog vier kinderen krijgt maar die ook zijn carrière uit het slop trekt.

Zijn oude werk blijft het op veilingen goed doen en langzaam komt Koons back in business. Hij realiseert een aantal zeer grote beelden in de openbare ruimte. Voor zijn 50ste verjaardag organiseert Wheeler samen met galerist Jeffrey Deitch een feest waarbij, naar verluidt, vriend en vijand in de kunstwereld komen en zich met elkaar en Koons verzoenen. Zelfs de door adoptie verdwenen dochter duikt op.

Natuurlijk is er meer. Er loopt een loodrechte lijn van Marcel Duchamp, via Salvador Dali en Andy Warhol naar Jeff Koons. Sinds de ‘uitvinding’ van de readymade zijn er kunstenaars die dingen en dieren (pispot, soepblik, kreeft, stofzuiger, opblaaskonijn, haai) als kunst presenteren. Ze houden ons een spiegel voor, is een algemene verklaring. Het curieuze aan Koons is, dat hij dat juist niet lijkt te doen. Jeff Koons, die als prille kunstenaar als beurshandelaar op Wall Street zijn werk financierde, bekritiseert de consumptiemaatschappij helemaal niet – hij is er dól op.

Zonder een spoor van ironie laat hij zien wat hem gelukkig maakt: kinderspeelgoed, heliumballonnen, bikinibroekjes, broodjes ham. Het is luchtigheid die zo ‘mooi’ mogelijk uitgeserveerd wordt: glimmend, groot, felgekleurd, glad. Alle betekenis ketst er op af omdat er simpelweg geen betekenis is; iets waar kunstverklaarders een hekel aan hebben en dat zowel vermaakt als intrigeert. Mensen kijken naar werk van Jeff Koons om dezelfde reden dat ze de uitvaart van André Hazes bij willen wonen: het banale is aantrekkelijk, en lijkt zo eerlijk.

Het is een totaal andere benadering dan die van zijn zelfverklaarde pupil Damien Hirst, die op de veiling zijn leermeester passeerde met de met diamanten ingelegde schedel For the Love of God (verkocht voor 63 miljoen euro), dat vanaf 1 november in het Rijksmuseum te zien zal zijn. Het is een driedubbelklapper, dat werk. Hirst kiest juist een zwaarbeladen symbool (de schedel, Vanitas!), bedekt het met de duurste edelsteen (diamant!) en reikt in de titel naar het Hogere (God!).

In de jaren negentig, de jaren van de sociaal betrokken kunst en de relational aesthetics, waarbij het publiek het liefst moest meedoen aan het kunstwerk, stonden Koons spiegelbeelden er te opzichtig leeghoofdig bij, als een souvenir van de narcistische jaren ’80. Maar nu die kunst vaak ook heel vluchtig is gebleken en vooral in de openbare ruimte het grote, herkenbare beeld terug is (kijk naar Sonsbeek), blijkt Koons weer helemaal in het tijdsbeeld te passen. In al zijn poenerigheid is het ook raadselachtig: wie steekt er nou zoveel tijd en expertise in zoiets onooglijks als een opblaashond?

Het werk van Koons past in deze tijd zonder dat Koons er artistieke concessies voor heeft moeten doen : vanaf het moment dat hij als kunststudent een opblaasbloem en een opblaaskonijn naast elkaar op een spiegel zette op de vloer van zijn atelier is er in wezen niets veranderd.

Maar nu, net als in de jaren tachtig, de grimmige wereldpolitiek een kookpunt dreigt te bereiken, is het verleidelijk om Koons’ beelden met interpretaties te vullen. Het zouden opnieuw symbolen kunnen worden. Terwijl de kunstenaar er zelf grijnzend het zwijgen toe doet, zal straks zijn locomotief, hangend aan een kraan en in de lucht op stoom komend zonder een meter te bewegen, doen denken aan een dolle wereld. En tegelijk – ‘Kijk papa, een trein’ – kinderlijk eenvoudig zijn. Wie doet hem dat na?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden