Achtergrond Suicide by cop

‘Doelbewust kwam hij op ons af, met het wapen voor zich uit’

Begin februari raken agenten Dave en Remco betrokken bij een aanslag bij De Nederlandsche Bank – denken ze. De verdachte schakelen ze uit. Het blijkt een man die hoopte door politiekogels gedood te worden. ‘Buitensporig politiegeweld’, klonk het. Voor het eerst vertellen de agenten hun kant van het verhaal.

Beeld Alexandra España

Woensdag 6 februari 2019, 19.08 uur: Weesperplein, Amsterdam

Het is al donker als twee Amsterdamse agenten op een doordeweekse februaridag in hun auto over de trambaan rijden. De regen valt in fijne druppels op straat. De agenten zijn vlak bij De Nederlandsche Bank.

Uit niets blijkt nog dat ze die avond de ‘dienst van hun leven’ zullen hebben.

Dave en Remco – niet hun echte namen – zijn allebei 26. Maar in hun acht jaar bij de politie hebben ze al heel wat meegemaakt. Zaken waarbij ze soms hun wapen moesten trekken: aanhoudingen met geweld, bedreigingen. Doden. In ‘hun’ wijk rond het Waterlooplein gebeurt altijd wel wat. Het is een van de redenen dat ze na hun opleiding hebben gekozen voor het Amsterdamse korps. ‘Als je als agent wilt werken’, zegt Dave, ‘moet je in Amsterdam zijn.’

Ze hebben een onrustige dag achter de rug. Meteen aan het begin van hun dienst hebben ze drie jongemannen klemgereden die een autospiegel hadden vernield. Daarna hebben ze een ontsnapte man achtervolgd en getackeld. En even voor zevenen ’s avonds hebben ze een man ‘buiten heterdaad’ aangehouden, zoals dat heet: hij werd al langer door de politie gezocht.

Met hem zijn ze onderweg naar het cellencomplex in het centrum van de stad. De verdachte zit zwijgend achter in de wagen.

Sinds ze elkaar op de Politieacademie hebben leren kennen, zijn de twee als broers voor elkaar. Negen van de tien keer worden ze samen ingedeeld om de straat op te gaan. Remco: ‘Ik hoef hem maar aan te kijken om te weten wat hij wil.’

Twee minuten

Op 6 februari 2019, om tien over zeven ’s avonds, zien de twee jonge agenten hun politielevens voorgoed veranderen. Die dag raken ze verzeild in een schietincident dat later zou worden bestempeld als ‘suicide by cop’. Zo heet het als iemand met zelfmoordplannen door de politie doodgeschoten hoopt te worden.

Voor het eerst vertellen de agenten, op verzoek van de Volkskrant, hun kant van het verhaal. Ze willen uitleggen welke keuzes ze hebben gemaakt op de avond die, als het aan hen had gelegen, nooit had plaatsgevonden. Ze zeggen te zijn geraakt door kritiek van het gemeenteraadslid Sylvana Simons, die het had over ‘buitensporig politiegeweld’, en door de reacties op internet. Agenten die meer dan twintig kogels nodig hebben om één iemand uit te schakelen, zijn ‘niet echt scherpschutters’, lazen ze op de website Dumpert. Een filmpje van een omstander laat zien hoe twee agenten op de hoek van De Nederlandsche Bank meerdere kogels afvuren op een rennende man, die uiteindelijk neerzijgt.

Daarom praten ze, over de impact die de twee minuten bij De Nederlandsche Bank op hen hebben gehad. ‘Kun jij je voorstellen’, zegt Dave tegen de journalisten tegenover hem, ‘hoe het is om iemand te doden?’

De melding

Vanaf het Weesperplein kun je De Nederlandsche Bank (DNB) bijna aanraken. De bank wordt scherp in de gaten gehouden, zowel door de eigen beveiliging als door de Koninklijke Marechaussee.

Het is 19.08 uur als een marechaussee zich plotseling vanuit het bankgebouw meldt op de politieportofoon. Dave: ‘We hoorden hem zeggen: er wordt geschoten bij De Nederlandsche Bank. We zien een persoon met een vuurwapen. Hij heeft op drie personen geschoten.’ Remco: ‘Hij zei dat hij de man had zien richten en dat hij afdrukte. Dat mensen begonnen te rennen.’

Dave zit achter het stuur, op de achterbank houdt Remco de man gezelschap die ze even daarvoor hebben aangehouden. Dit is geen gewone melding, dat hebben ze meteen door. De marechaussee die onaangekondigd inbreekt op het politiekanaal, zoiets hebben ze nog niet eerder meegemaakt. ‘Zijn stem klonk ernstig’, zegt Dave. ‘Er zat een soort trilling in. We voelden de spanning.’

De agenten twijfelen niet aan de woorden van de marechaussee. ‘Wij vertrouwen de marechaussee blind’, zegt Dave. ‘Zij hebben dezelfde taak als wij: Nederland veilig houden.’ De marechaussee handelt veel incidenten zelf af, maar nu lijkt de openbare orde in gevaar: een klus voor de politie.

Dave en Remco leven met het besef dat een terroristische aanslag elke dag in hun stad kan gebeuren. In de briefings gaat het vaak over terreurincidenten, bij grote evenementen wordt standaard rekening gehouden met een aanslag. En bij oefeningen bootsen de agenten regelmatig terroristische scenario’s na.

De politie in de hoofdstad staat op scherp, zo bleek toen de Afghaan Jawed S. vorig jaar augustus instak op twee Amerikaanse toeristen op station Amsterdam Centraal. Hij werd binnen een paar seconden neergeschoten: een speciaal daarvoor getrainde spotter van de politie herkende het verdachte gedrag van S. en hield hem in de gaten, tot hij uit het niets zijn mes trok.

Nu is er de melding van een man die in het donker het vuur op mensen heeft geopend, in de hoofdstad, bij een gebouw van nationaal belang. In de auto kijken Dave en Remco elkaar aan. Ze denken allebei hetzelfde: dit is een aanslag. En hij vindt onder hun ogen plaats.

‘Luister’, zegt Dave tegen de man op de achterbank. ‘We rijden op honderd meter afstand, we moeten erheen. We gaan je plat op de achterbank leggen en we zetten de auto zo ver mogelijk daarvandaan. Hier ben je het veiligst.’ In zijn ogen zien ze het ongeloof.

Dave: ‘Ik heb meteen alle toeters en bellen aangegooid en ben gaan rijden.’

19.09 uur: tussen het Weesperplein en De Nederlandsche Bank

In een paar seconden racen ze het kruispunt over en naderen ze De Nederlandsche Bank, net aan de andere kant van de Amstel. ‘Het kan nu gebeuren’, denkt Dave. In gedachten gaan Remco en hij alles af. ‘Hoe gaan we de schutter benaderen? Hoeveel mensen zijn er in gevaar? Zijn er meer collega’s onderweg? Zijn onze wapens doorgeladen?’

Ondertussen geeft de marechaussee een omschrijving van de verdachte door: grijze broek, gewatteerde jas, lichte huidskleur, zwarte muts.

Nog voor ze stilstaan, zien ze een man tegenover het bezoekerscentrum van de bank. Op een paar honderd meter staat hij met de rug naar hen toe, zijn linkerarm is gestrekt – een opvallende pose. Hij lijkt te voldoen aan het signalement. ‘Daar staat-ie’, zegt Dave. Ze springen de auto uit, met de handen op hun wapens. Hun zware, kogelwerende vesten laten ze bewust in de achterbak. Met die gewonnen tijd kunnen ze misschien mensenlevens redden.

‘Politie’, schreeuwen ze.

Als de man zich omdraait, schrikken ze. Hij blijkt geen wapen vast te houden, maar een telefoon. In het donker wenkt hij hen. Dave: ‘Wooooh, dacht ik. Rustig blijven.’

Terwijl Dave de omgeving in de gaten houdt, stapt Remco op de man af. Die heeft net 112 gebeld om te vertellen wat hem is overkomen nadat zijn werkdag bij de bank erop zat. Remco: ‘Hij zei dat iemand van dichtbij een vuurwapen op hem richtte toen hij de bank uitliep en hij beschreef het pistool.’ En hij was niet de enige. Meerdere bankmedewerkers hebben die avond in de loop van het wapen gekeken, zo zal later blijken.

Het relaas van de getuige versterkt de overtuiging van Dave en Remco: hier is iets ernstigs aan de hand. De man gebaart hen naar het water te lopen.

In looppas bewegen de twee agenten richting de kade. Tussen de lange rij bosschages en geparkeerde auto’s kan zomaar de gezochte terrorist opduiken. Onderweg komen ze mensen tegen die nietsvermoedend de bank passeren: iemand met een Albert Heijn-tas, een toerist, een pizzabezorger op een brommer. Ze scannen iedereen, gezicht voor gezicht. Niemand voldoet aan het signalement van de mogelijke terrorist.

Dave: ‘Alles ging gewoon door. Het was surrealistisch. Mensen dachten aan hun boodschappen, liepen daar – pompiedom – terwijl wij in een totaal andere wereld zaten.’ Remco: ‘Ik weet nog dat ik me afvroeg: waarom rennen al die voorbijgangers niet weg?’

19.10 uur: De Nederlandsche Bank, oostelijke zijde/hoek Oosteinde

Ook in Amsterdam werken veel agenten die nooit een schot hebben hoeven lossen. De trekker van een dienstwapen overhalen, dat doe je alleen als het echt niet anders kan. Dave en Remco hebben zelf nog nooit hoeven schieten, al maakten ze genoeg aanhoudingen mee waarbij ze hun wapens moesten trekken.

Ze voelen de spanning als ze de hoek omgaan aan de oostelijke kant van de bank. Dan zien ze hem. In de verte loopt hij, helemaal alleen, met de rug naar hen toe. Aan het schijnsel van de gele straatlantaarns hebben ze genoeg om het zeker te weten: dit is de man die ze zoeken. Hij voldoet precies aan het signalement.

‘Op zo’n moment schreeuwt alles in je: dit is hem’, zegt Dave. ‘Alles valt op zijn plek.’

19.10 uur: De Nederlandsche Bank, hoek Oosteinde

Ze trekken hun wapen en gaan instinctief een paar meter uit elkaar staan op de kade. ‘Politie’, roepen ze. ‘Blijf staan. Als je niet doet wat we zeggen, schieten we.’

De man in de verte draait zich om. Langzaam doet hij zijn handen omhoog. Maar op het moment dat hij zich gewonnen lijkt te geven, verdwijnt zijn rechterhand in zijn jaszak en haalt hij een pistool tevoorschijn. In een vloeiende beweging richt hij het op de twee agenten die hem onder schot houden.

Dan klinken er twee harde knallen.

‘Vuurwapen gezien!’, roepen ze naar elkaar, ‘we worden beschoten.’ Zo zijn ze opgeleid: zeg wat je ziet, zodat je collega het ook weet.

Meteen vuren ze terug. ‘We hebben geen seconde getwijfeld of het hier wel om een echt wapen ging’, zegt Dave. Het pistool ziet eruit als een pistool, de twee knallen zijn niet van echt te onderscheiden. Door de betonnen overkapping van de bank lijkt het bovendien alsof elk schot met een kanon wordt afgevuurd.

Ze realiseren zich meteen dat ze niet veilig zijn. Er is nergens dekking te vinden op de 150 meter lange, verlaten kade. Het is alsof ze midden in een weiland staan, zoals Dave het later omschrijft. Een weiland met een groot rood kruis op hun plek, waar ze een gemakkelijk doelwit vormen voor de gewapende man verderop. Ze moeten zo snel mogelijk weg van dat rode kruis. Get off the X, heet dat in de politieliteratuur.

Remco: ‘We renden naar achteren, schoten terug. Niet eens om hem te raken, maar vooral om zelf niet geraakt te worden.’ Hij kijkt verbaasd achterom. ‘Het gekke was: hij bleef gewoon staan. Hij deed totaal geen moeite om onze schoten te ontwijken.’

In plaats daarvan komt de man op hen af. Eerst lopend, dan rennend. Met zijn armen recht vooruit en het wapen voor zich.

Remco: ‘Ik dacht: dit is het. Ik kan hier doodgaan.’

Dave: ‘Aan alles was te zien dat hij bij ons wilde komen. Hij was gefocust op ons. Dat voelde heel bedreigend.’

Zonder het van elkaar te weten, denken ze allebei hetzelfde: dit zouden weleens de laatste minuten van hun leven kunnen zijn.

Herladen

‘Houderwissel!’

Ze moeten logisch blijven nadenken. Als de rennende man straks voor hen staat, willen ze niet zonder kogels zitten. Dave: ‘Er kwam een moment dat ik dacht: hij rent zo snel, als ik blijf schieten, zit ik straks met een lege houder. Er is geen moment dat de loop van zijn pistool niet op ons gericht is geweest.’ Dus herladen ze hun wapens.

Onder zo veel spanning hebben ze nog nooit gestaan. Om de hoek, bij een betonnen paal waar ze nog iets van dekking hebben, drukt Remco de rode noodknop boven op zijn portofoon in. Daarmee kan elke agent in noodgevallen voorrang krijgen op al het andere mobilofoonverkeer. ‘Assistentie collega, waterzijde bank’, roept hij: het sein voor andere agenten om alles te laten vallen en met zwaailicht en sirenes bij te springen.

Ze leggen aan en schieten op de rennende man. ‘Ik ging in gedachten terug naar mijn training’, zegt Dave, ‘waarin je elk schot moet afwegen en rustig moet plaatsen. Eerst schoot ik op de benen, ook omdat ik hem niet wilde doden. Al ben je zelf in gevaar, dan nog denk je aan zijn leven.’

Een paar keer per jaar gaan Amsterdamse agenten op cursus, om hun schietvaardigheden te trainen. Schieten met een pistool is minder eenvoudig dan het lijkt, zeggen Dave en Remco. De richtmiddelen op het wapen zijn niet groter dan een pennedop, vertelt Dave: ‘Daarbij komt: in crisissituaties moet je fijn motorisch kunnen schieten onder hevige stress, terwijl je op zo’n moment vaak alleen grof motorisch kunt handelen. Dat is bijna niet te doen.’

Remco ziet dat hun kogels doel treffen. ‘En ik zag ook dat hij daar geen boodschap aan had. Hij bleef gewoon doorlopen. Ik weet nog dat ik dacht: waarom gaat hij niet neer?’

Die constatering verandert iets in hun manier van denken.

‘Ik kreeg door dat hij niet ging stoppen’, zegt Dave. ‘Ik zag hoe doelbewust hij handelde. En dan weet je: iedereen om ons heen is nu ernstig in gevaar. Wie wil hij nog meer neerschieten? Toen realiseerde ik me dat we niet anders konden. We moesten hem uitschakelen. Toen hij zo dichtbij kwam, nam de oerdrift het over. Je moet nu. En je hebt één kans.’

Remco: ‘Op dat moment maak je de keus: nu ga ik echt voor het uitschakelen. Je gaat hoger richten, je weet: nu moet ik doorgaan totdat hij…’ Hij pauzeert even. ‘Totdat hij neervalt.’

‘Het was hij of ik’, zegt Dave. ‘Daar komt het kort gezegd op neer.’ Ook hij zwijgt even. In de ogen van de agent staan tranen. ‘Hij moest gewoon dood op dat moment, zeg maar.’

Voor hun gevoel is alles in die paar seconden vertraagd. Als ze later het filmpje van de omstander terugzien, staan ze versteld van het hoge tempo waarin hun schoten elkaar opvolgen. Alsof het een soort snelvuur was, zegt Dave. ‘Terwijl we naar ons idee juist heel rustig de trekker overhaalden. In mijn beleving hebben we elk schot overwogen.’

Hun kogels raken de man meerdere keren, in elk geval in zijn benen en zijn borst. Hoe vaak precies, dat willen de agenten niet zeggen. Ze vinden het niet respectvol tegenover de nabestaanden. Dave: ‘En het doet er voor ons ook niet toe.’

Ze hoeven ook niet te weten wie van de twee welke kogel heeft afgevuurd, zeggen ze. Of wie per ongeluk tijdens het vuurgevecht een passerende fietser in zijn been heeft geraakt. Ze hebben met elkaar afgesproken zulke details te laten rusten. Het idee dat ze allebei even verantwoordelijk zijn voor de dood van de rennende schutter, maakt de verwerking voor hen draaglijker.

Beeld Alexandra España

19.11 uur: verdachte is dood

Als de laatste kogels de man raken, valt hij voorover op de grond. Zestien seconden zaten er volgens Dave en Remco tussen het moment dat ze hem probeerden aan te houden en het moment dat hij uiteindelijk neerging.

Roerloos ligt de jonge man daar, op minder dan tien meter afstand. Na alle luid echoënde knallen is het plotseling ijzig stil op de kade. ‘Hij is dood’, zegt Remco, ‘honderd procent.’

‘Schoten gelost, verdachte is neer, met spoed medisch team nodig’, roept hij over de portofoon.

Dave zakt door zijn knieën en controleert of de schutter explosieven bij zich heeft – nog steeds houden ze rekening met een mogelijke terreurdaad. Dan ziet hij het keukenmes dat de man kennelijk in zijn linkerhand heeft gehad tijdens het rennen. In het gezicht van de man herkent hij de grauwe kleur waarmee de dood een lichaam binnentreedt.

Zodra hij de handboeien dichtklikt, is alles ineens voorbij. Van alle kanten komen collega’s aanrennen, ze zijn op de noodoproep van Remco afgekomen. Dave zit naast de man op de grond: ‘Voor het eerst in mijn acht jaar bij de politie, wist ik even niet wat ik moest doen.’

Collega’s trekken Dave en Remco weg van wat nu een plaats delict is geworden. ‘Ben je geraakt?’, informeert de meldkamer door de portofoon. Andere agenten controleren de twee van top tot teen op eventuele verwondingen, maar zien niets. Geen bloed, geen schrammetjes, niets. ‘Kijk nog eens’, zegt Remco. ‘Het kán gewoon niet dat ik niet ben geraakt.’

Om de hoek, bij de betonnen pilaar, omhelzen de twee agenten elkaar. In tranen. ‘Ongelooflijk, we staan hier nog’, zegt Dave. Remco ijsbeert in het rond, met de handen in zijn haar. ‘Wat is hier gebeurd?’, vraagt hij zich af.

Verhoord

Ze worden in twee auto’s naar het politiebureau gereden en in aparte kamers gezet. Ze weten dat de Rijksrecherche een onderzoek zal instellen naar hun optreden bij de bank: dat gebeurt altijd als iemand ernstig gewond is geraakt of komt te overlijden door politiegeweld. De volgende dag zullen ze daarom worden verhoord.

Vanwege het onderzoek negeren ze de media en praten of whatsappen ze niet met nieuwsgierige familieleden en vrienden over het incident. Op het bureau ontwijken ze elkaar. Zo willen ze voorkomen dat hun herinneringen worden gekleurd door informatie van anderen.

Tijdens het verhoor de volgende dag moeten ze tot in detail beschrijven wat ze hebben gedaan. Na zes uur praten verrast de Rijksrecherche met een onverwachte mededeling: de man die ze hebben doodgeschoten had een nepwapen bij zich dat niet van echt te onderscheiden was. Remco: ‘Toen ik dat hoorde, voelde het alsof de grond onder me wegzakte.’ Dave: ‘Ik kon het gewoon niet geloven. Ik wist zeker dat ik was beschoten.’

Ze weten wat dit waarschijnlijk betekent: de man is erop uit geweest om door hen te worden doodgeschoten. Die constatering brengt de twee agenten van hun stuk: ‘Ik voelde me in de zeik genomen’, zegt Dave. ‘Je bent zo overtuigd van hoe jij het hebt ervaren, hoe jij het hebt gedaan. Het voelde als een slechte grap.’

Wanhoopsdaad

Een dag na de gebeurtenissen bij de bank krijgt de dode man een gezicht en een naam. In de media vertelt moeder Tanja Samojlenko hoe haar zoon Mickey Fudge (31) al een tijd speelde met de gedachte aan zelfdoding. ‘Ik ga gewoon bij De Nederlandsche Bank met een plastic pistool staan zwaaien’, had hij tegen haar gezegd. ‘Die marechaussee daar schiet wel raak.’ Met het pistool schoot hij volgens Samojlenko weleens op muizen in de tuin.

Mickey was volgens zijn moeder al sinds zijn kindertijd bezig met de dood. Jarenlang heeft ze geprobeerd hem hulp te bieden bij zijn donkere gedachten: ‘We leefden op een vulkaan met hem.’ Tegen de Volkskrant zei ze de agenten die hem doodschoten, niets kwalijk te nemen. ‘Ze hebben hem geholpen de rust te krijgen waar hij zijn hele leven al naar op zoek was.’

‘Toen tot me doordrong waarom hij dit had gedaan’, zegt Dave nu, ‘voelde ik alleen maar medeleven. Hij was een patiënt die ons heeft moeten gebruiken voor wat hij wilde. Dat is spijtig. Ik neem hem dat niet kwalijk. Maar het is wel een gemiste kans. Met de juiste zorg had dit misschien voorkomen kunnen worden en had zij haar zoon nog gehad. Het had veel mensen een hoop ellende kunnen besparen. Ook ons.’

‘We zijn allemaal slachtoffers in dit verhaal’, zegt Dave. ‘Maar hij is het grootste slachtoffer.’

Voelen ze zich schuldig aan de dood van Mickey Fudge? Ja en nee, zeggen de agenten op hun vaste politiebureau in het centrum van Amsterdam. Dave: ‘Ik kan alles verantwoorden. Maar ik had dit echt liever niet gedaan.’ Remco: ‘Het is tweeledig. Nee, ik voel me niet schuldig, omdat ik goed heb gehandeld. En ja, ik voel me schuldig omdat er iemand is overleden.’

De wanhoopsdaad van Fudge staat voor de twee agenten niet op zichzelf. Ze zien er het zoveelste teken in dat op straat steeds meer verwarde mensen te vinden zijn. Op de dag van het interview stuit Dave bij de Dam op een man die om zich heen staat te schreeuwen. ‘De politie is steeds vaker bezig de problemen van de zorg op te lossen’, zegt hij.

Dave en Remco spreken sinds de gebeurtenissen bij de bank met een psycholoog, ook met het oog op een posttraumatische stressstoornis. Allebei zijn ze snel weer aan het werk gegaan. Het is net als met een auto-ongeluk, zegt Remco. ‘Dan moet je ook zo snel mogelijk weer in de auto stappen.’ Dave: ‘We zijn de dinsdag erop begonnen. Al na vijf minuten waren we weer betrokken bij een aanhouding.’

Op vrijdag, twee dagen na het incident bij de bank, hebben ze hun nieuwe dienstwapens ingeschoten op de schietbaan. Remco: ‘Bij de eerste schoten voelde ik de spanning. Maar het was goed om te merken dat we nog steeds goed kunnen schieten.’

Een van de dingen die de meeste indruk hebben gemaakt op Dave, is de blik van Mickey Fudge. Nog altijd ziet hij voor zich hoe hij naar hen bleef kijken, terwijl hij met het pistool op hen afkwam. ‘We zaten allebei in dit incident, hij en ik. We hadden echt oogcontact. Ook toen hij viel. Het was alsof we een band met elkaar hadden en we allebei wisten: het is klaar. Achteraf is de boodschap me duidelijk: dit heeft hij echt gewild.’

Remco ziet het schietincident aanvankelijk elke nacht in zijn slaap terugkomen, Dave stapte na twee weken op zijn teamleider af om vrij te vragen. ‘Ik deed geen oog meer dicht. Elke nacht werd ik nat van het zweet wakker. Ik droomde steeds van dingen die hierop leken. Dat ik een straatrover moest aanhouden en moest doodschieten, dat ik een arrestant moest wurgen. Elke keer overleed er iemand door mijn toedoen.’

‘Ik twijfel niet over hoe ik die avond heb gehandeld’, zegt Dave. ‘Maar het doet wel wat met de manier waarop je als agent op straat loopt. Hoe je dingen aanvliegt, of juist niet. Soms is het lastig je te verplaatsen in iemand wiens fiets is gestolen, omdat je nog steeds met dingen worstelt. Ik merk dat ik nog steeds aan het resetten ben.’

Het doet hem goed dat hij er met veel collega’s van het Amsterdamse korps over kan praten. ‘Iedere collega hier in de binnenstad heeft shit meegemaakt. Of dat nu een reanimatie van een kind is, of een aanrijding. Iemand hoeft niet per se te worden doodgeschoten om het traumatisch te maken. Dus iedereen zit hier wel met een paar krasjes op zijn ziel, zoals wij dat zeggen.’

Remco: ‘Je moet ervoor waken dat je niet te veel gaat relativeren, maar je moet ook niet overal gevaar in gaan zien. Bij een melding over geluidsoverlast kan ik niet meteen denken: straks komt er iemand met een vuurwapen naar buiten.’ Dave: ‘Dat komt doordat het zo plotseling gebeurde. We reden nietsvermoedend naar het cellencomplex, en ineens was het daar.’

Laatst ging Dave op zijn politiemotor af op een melding over een groep mannen met bivakmutsen en wapens in Amsterdam-Noord. ‘Normaal zijn dat de dingen waarvoor ik dit werk doe. Zo van: we gaan die gasten pakken, hup, gaan. Er is niets zo mooi aan dit werk als achter een inbreker aanrennen en hem vier straten verder tackelen. Maar in de IJ-tunnel liet ik het gas even los. Ik dacht: waar rij ik nou eigenlijk naartoe? Het duurde maar twee seconden, daarna gaf ik weer gas. Maar hierin ben ik echt veranderd. Ik heb gezien hoe het ook kan gaan.’

Wilt u praten over zelfdoding of wilt u hulp op dit gebied? Bel 113 Zelfmoordpreventie: 0900-0113. Of neem contact op via 113.nl.

Verantwoording

De Rijksrecherche heeft het incident bij de bank onderzocht. Volgens de politie pleit het onderzoek de betrokken agenten vrij, maar het Openbaar Ministerie (OM) kan dit niet bevestigen. Het OM laat weten geen vervolging in te stellen, omdat de agenten hun vuurwapen rechtmatig hebben gebruikt en volgens de ambtsinstructie hebben gehandeld.

De Koninklijke Marechaussee laat weten dat de betrokken medewerker vanuit de bank op camerabeelden heeft gezien dat een man een ‘op een vuurwapen gelijkend voorwerp’ bij zich had waarmee hij ‘wapenhandelingen verrichtte’ en het richtte op medewerkers van de bank. ‘Het feit dat het uiteindelijk geen echt vuurwapen bleek te zijn, doet niets af aan zijn waarneming en de wijze van alarmering en optreden. Wij nemen in dit soort situaties geen enkel risico.’ De medewerker is niet ondervraagd door de Rijksrecherche, omdat hij volgens de marechaussee geen gebruik heeft gemaakt van zijn wapen.

Dit verhaal is op verzoek van agenten Dave en Remco voorgelegd aan Tanja Samojlenko, de moeder van de doodgeschoten Mickey Fudge. Zij schrijft terug: ‘Het was voor de agenten een ontzettend angstige en heftige gebeurtenis en ik hoop dat ze er goed uitkomen te zijner tijd. Ik leef erg met ze mee en als ze daar behoefte aan hebben, wil ik ze best ontmoeten.

‘Wat ik fijn vond om te lezen is dat een van de jongens nog oogcontact had met Mickey en zag dat dit precies was wat hij gewild had. Het was een verlossing voor hem na jarenlang getob met psychologen, psychiaters en dozen vol pillen. Op het laatst vertrouwde hij niemand meer, behalve mij, omdat hij wist dat ik altijd voor hem zou kiezen, wat er ook gebeuren zou. Toen ik hem eindelijk te zien kreeg in het mortuarium van de VU ter identificatie, zag ik de vredige uitdrukking op zijn (gave) gezicht. Ik heb hem nog nooit zo ‘zen’ gezien, zelfs niet in zijn slaap. Nu is hij thuis, bij mij, waar hij hoort, en waar hij zich altijd veilig heeft gevoeld. En ik heb er vrede mee.’

Suicide by cop

Suicide by cop, zelfdoding door politiekogels, komt nauwelijks voor in Nederland. Politiesocioloog Jaap Timmer, die het begrip onderzocht, sprak eerder in deze krant van ‘een tot meerdere keren per jaar’. Maar dat blijft een schatting: suicide by cop wordt niet onder die noemer in de politiesystemen geregistreerd. Daarnaast worden lang niet alle gevallen bekend in de media en mislukken er ook pogingen, bijvoorbeeld doordat agenten de verdachte niet dood- maar neerschieten. Dat gebeurde bijvoorbeeld in Assen, waar in oktober een autistische man een agent aanviel met een mes.

‘Ik was niet van plan om de agent te vermoorden, ik heb alles gedaan om zelf te worden vermoord’, verklaarde de man begin deze maand in de rechtbank. Hij had kort voordat hij de gealarmeerde agent aanviel, te horen gekregen dat hij zijn plek in de instelling moest verlaten. De rechtbank legde hem 2,5 jaar cel en tbs met dwangverpleging op, voor poging tot moord op de agent.

In Doetinchem schoten agenten twee jaar geleden een man in zijn been die een (nep)vuurwapen op hen had gericht. Eerder had hij ook al met een kruisboog geprobeerd de politie uit te dagen. Drie jaar terug werd de 21-jarige Mitchel Winters in een Schiedams park doodgeschoten, nadat hij tegenover een gealarmeerde agent een schietbeweging had gemaakt. Hij had zelf de politie gebeld om ze naar het park te leiden: het signalement dat hij doorgaf van de man die hem zou hebben beroofd en beschoten, was van zichzelf.

In 2004 liet een Duitser met een gaspistool zich doodschieten door de Amsterdamse politie. Dat gebeurde om de hoek bij De Nederlandsche Bank, waar in februari dit jaar eveneens een geval van suicide by cop plaatshad. Volgens agenten Dave en Remco (niet hun echte namen), die betrokken waren bij dat incident, worden agenten niet specifiek getraind op situaties waarbij mensen door politiekogels hopen om te komen.

Dat kan ook niet, zegt Dave. ‘Je traint als agent meer de vaardigheden die je nodig hebt om een situatie als deze af te handelen. Het schieten, de dekking, de tactieken. Je traint ook op terreur – daar viel deze situatie eigenlijk onder. Dit was een vuurwapengevaarlijke verdachte die kon terugschieten. Dat hij zo op ons kwam afrennen, is niet kenmerkend voor suicide by cop. Dat is uniek voor deze casus.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden