Doe mij maar een lekkere skileraar

Studenten gaan niet alleen voor het skiën naar de Alpen. Michiel van der Geest reist mee met vereniging Augustinus uit Leiden....

Het is een verraderlijk paadje. Smal, in een bocht naar beneden, en de sneeuw die erop lag is platgetrapt tot een gladde laag ijs. Het loopt langs een fantasieloos appartementencomplex, waar de sneeuw van af dooit.

Toch is er genoeg vrolijkheid te ontdekken; jongens en meiden vormen er een bonte parade van blote buiken en witte billen. Ze komen net uit de bus, waarin ze veertien uur lang opgevouwen hebben gezeten: tussen Leiden en hier, Risoul, in het zuidwesten van de Franse Alpen. Ze trekken hun buskleren uit en hun skikleren aan.

Om te voorkomen dat ze dat binnen doen, in de behaaglijke warmte van het bagagedepot waar zij hun spullen willen stallen totdat ze vanmiddag hun appartementen in mogen, hangt er een handgeschreven briefje op het raam: ‘Buiten omkleden svp.’

Het is 9 uur ’s ochtends en net boven het vriespunt, maar niemand mort. ‘Mooi toch?’, zegt Jeanine Lenselink opgewekt, ‘een beetje creperen, dat hoort erbij als student’.

Lenselink is voorzitster van de ski-‘sub’ van de Leidse studentenvereniging Augustinus en heeft deze reis georganiseerd. Om zo veel mogelijk studenten mee te krijgen, is haar belangrijkste taak de prijs laag te houden. Ze heeft ’m op 270 euro gekregen. Dat is inclusief vervoer, appartement, skipas en korting op het bier. Laag genoeg klaarblijkelijk, want 94 leden hebben zich ingeschreven, met een bonte verzameling aan jaarclubjassen, dispuutsbroeken en huistruien tot gevolg. Elk groepje z’n eigen kledingstuk. Ze komen om te skiën, te drinken en te ‘regelen’. En niet per se in die volgorde.

De meisjes van cordial (jaarclub) Blondt zijn voor het eerst op wintersport en nemen skiles. Ze dragen allemaal hetzelfde korte zwarte jack met nepbontkraag, op de rug in gouden letters ‘Blondt, Leiden 2006’. ‘Ik wil wel een leraar’, zegt Lieke. ‘Ja, een lekkere leraar’, zegt Julia.

Het wordt Patrick (spreek uit: Paatriek). Een veertiger met flitsend rood pak, hippe zonnebril, gebronsde leerachtige huid, en een minuscuul sikje. Als iemand is gevallen, remt hij zo hard en zo dichtbij mogelijk, zodat diegene onder een wolk sneeuw wordt bedolven.

Al snel blijkt dat het klasje is onder te verdelen in twee groepen; de roekelozen en de bedachtzamen. De roekelozen begrijpen niet waarom de bedachtzamen niet gewoon hun ski’s richting dal draaien, flink afzetten en dan wel zien hoe ze beneden komen. Gewoon gaan, het is alleen maar bergaf, sneeuw is zacht, pijn tijdelijk.

De bedachtzamen weten beter. Ze willen wel, maar weten dat je zomaar te hard kunt gaan, de controle kunt verliezen en er uit onverwachte hoek ravijnen of bomen kunnen opdoemen. Een bedachtzame skiër wil te allen tijde pijn vermijden. Een bedachtzame skiër is een slechte skiër. Patrick ziet het geroutineerd aan. Hij weet dat het nog een hele kluif wordt hen soepel een berg af te laten glijden.

‘Het fucked-uppe van het hele wintersportgebeuren is dat je geen tijd hebt om te recupereren’, zegt Thibault (25) terwijl hij de slaapt uit zijn ogen wrijft. Hij is net wakker geworden op een van de twee slaapbanken die van de woonkamer van het minuscule appartement een slaapkamer moeten maken.

In het halletje staat een stapelbed om ook die ruimte tot slaapvertrek te promoveren. Om hem heen staan de lege bierflesjes van gisteravond. De niet opgegeten ‘pasta rood’ – gemaakt met een deel van de acht kilo van huis meegebrachte gehakt, want dat is duur op de berg – staat in een pan op het fornuis. Op tafel liggen lege chipszakken en pokerfiches, op het balkon staan de koffers. Ergens anders pasten ze niet.

Het is een zware nacht geweest, want in dit appartementencomplex is het nooit stil. Groepen zingende jongeren trekken voorbij, op de deur wordt gebonsd, vuurwerk wordt afgestoken. Op de gang zijn een half stokbrood, een knakworst, een bananenschil, een afgekloven klokhuis en een ui de overblijfselen van een voedselgevecht van afgelopen nacht. Thibault zucht, baant zich een weg door de rotzooi, en gaat douchen.

Ongemakken horen bij het studentenleven. Een leven zonder ongemakken is burgerlijk, en dat is een scheldwoord. Met plezier doorstaan wat de werkende mens niet meer wil doorstaan, daaraan ontleent de student zijn identiteit. En dus vindt Mario z’n appartement niet klein maar knus. En zijn ook de meisjes van jaarclub Blondt tevreden: ‘We kunnen hier met z’n achten eten, in Leiden eten we elke maandag met z’n vijftienen op zo’n kamer.’

En het gaat ook best. Gewoon niet zeuren, maar improviseren. Een skibril op tegen de tranen bij het uien snijden, een omgekeerde pan als onderzetter, een hoop ingrediënten en een blikje vis door de fusili maakt pasta-tonijn.

De groene pistes komen de meisjes van Blondt inmiddels zonder problemen af. Soms wappert de nepbontkraag vrolijk heen en weer, zo hard gaat het. In de X-benenstand, en glijden maar. ‘Snowplough’, noemt Patrick deze houding. Dat klinkt al minder neerbuigend dan ‘pizzapunten’, zoals geoefende skiërs het noemen.

Willen de meisjes echter ook de blauwe pistes afkomen zonder een gevaar te vormen voor zichzelf en mede-wintersporters, dan zullen zij bochtjes moeten leren maken.

Belangrijkste struikelblok hierbij: voor het maken van een bocht op een berg is het noodzakelijk naar het dal toe te leunen. Dat is een psychologische barrière die niet makkelijk te breken is. Gevolg: valpartijen uit onkunde, valpartijen uit zelfbescherming en valpartijen door zwabberende benen. ‘You lean too much towards the mountain’, zucht Patrick nog maar eens.

‘Hier ontstaat het groepsgevoel’, zegt Alex (22). Met dispuutgenoten heeft hij een van de drie beschikbare appartementen ontruimd, en ingericht als ‘fusie’, studenten-Leids voor gemeenschappelijke ruimte. Zeventien man zitten er en ze flapperen met hun handen naast hun oren. Het blijkt een drankspelletje. ‘Dit is het thuisgevoel. Lekkere wijn, dronken, flessen op tafel, verschillende gesprekjes. Zo wordt de groep één.’

‘Wat doe je als je met negen gasten op een kamer belandt? Tja, dan kom je al vrij snel op drankspelletjes uit’. Een betere verklaring kan David (20) ook niet geven. Op skivakantie doe je drankspelletjes. Klaar.

De spelletjes komen in vele soorten en maten. Stef Stuntpiloot bijvoorbeeld, een spel van MB voor kinderen van 4 tot 6 jaar. Een vliegtuigje vliegt rondjes en moet in de lucht worden gehouden door op een knopje te drukken, zodat het niet de eieren uit het kippenhok kan tikken.

Studentikoze variant: gebeurt dat wel, dan moet er gedronken worden: een adtje. Oftewel: een glas in één teug leegdrinken. Al snel ‘zijn de meiden aan vervanging toe’, en boert Jan (20) onder luid gejuich ‘dat hij helemaal kapot gaat’. Even later ligt hij languit op de vloer.

Op de gang zitten Eva (21) en Masja (23) tegenover elkaar. Er zijn gezelliger locaties om bij te kletsen. De vloerbedekking is onverwoestbaar grijs, hoeveel bier en peuken er ook op worden gemorst. Het licht is niet sfeervol maar functioneel, en geschreeuw en muziek klinkt uit de aangrenzende kamers.

Voor hen staan onafgewassen theekopjes, voor de helft gevuld met doodgeslagen bier. Ze gooien over met dubbelgeknepen bierdopjes. Gooit iemand een dopje in het kopje, dan moet de ander deze in één teug leegdrinken. Het gaat er fanatiek aan toe. ‘Kakteef, zuipen met je kutje’, roept Masja triomfantelijk als ze raak gooit. En als ze uiteindelijk heeft gewonnen – bierbasketbal voor vrouwen gaat tot vijf keer raak gooien – danst ze in het rond: ‘Dit is toch een takkeleuk spel!’

Om half 2 ’s nachts, als de après-skibar is gesloten, en de studenten van een hbo-opleiding denigrerend zijn toegezongen, verzamelen zich vijftig man in de ruimte van zes bij drie. Ze heffen hun clublied aan: ‘Oh Augustinus, club van ieder goed student*’

Aan het eind van de week kunnen de Blondt-meisjes ook oog hebben voor de omgeving. Valpartijen worden sporadisch en niet langer is de blik strak gericht op de ski’s, niet langer spieden ze vanuit de skilift angstig naar te steile of ijzige stukken die ze weldra ook weer naar beneden moeten.

Nu kan het hoofd omhoog en zie: majestueuze bergen in de verte, compleet met besneeuwde toppen, pistes die zich voor hen uitstrekken en zich tussen dennenbossen door naar beneden glooien.

Het wit en groen steekt af tegen de wolkenloze blauwe hemel. De zon laat alles glinsteren en schitteren. Wanneer je ademhaalt, voel je de schone berglucht tot diep in je longen.

Ski’s naar het dal toe draaien, flink afzetten en gaan. De nepbontkraagjes wapperen aan één stuk door.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden