Doe-het-zelfzorg

De burger die zijn hand ophoudt bij de overheid moet een handje gaan helpen. De praktijk blijkt weerbarstig.

Thomas Kampen, Imrat Verhoeven en Loes Verplanke (red): De affectieve burger. Hoe de overheid verleidt en verplicht tot zorgzaamheid.

****


Van Gennep; 288 pagina's; euro 22,50.


Mevrouw Jansen (88) woont in verzorgingshuis Corel in Deventer. Ze moet verhuizen, maar weet niet waar ze terecht zal komen en wie dan voor haar gaat zorgen. 'Ze doen allemaal of het logisch is dat we hier weg moeten', verzuchtte ze tegen de Volkskrant. Corel gaat dicht, net als naar schatting 870 andere locaties voor ouderenzorg. Langer thuis wonen, zegt het kabinet


tegen de 80-plussers. Alleen voor mensen die er zo slecht aan toe zijn dat ze verpleegd moeten worden, is er nog plaats in een instelling.


De bijstand, het staatspensioen, de zorg voor zieken, arbeidsongeschikten, kwetsbare jongeren en ouderen: zij vormen het hart van de verzorgingsstaat die vanaf 1945 is opgebouwd. Het grote idee achter de sociale zekerheid en de collectieve voorzieningen was dat mensen bij onheil niet langer afhankelijk waren van de gunsten van familie, buren, kerk of liefdadigheid. Voortaan had iedere Nederlander recht op bestaanszekerheid en zorg vanwege de staat.


Als het aan de meerderheid van de Nederlanders ligt, blijft dat zo. Afhankelijkheid van de overheid is immers nog altijd te verkiezen boven afhankelijkheid van familie en kennissen. Maar politici en beleidsmakers denken daar sinds enkele jaren anders over. In hun ogen is de verzorgingsstaat te groot, te log en te duur geworden en zijn burgers tot passieve klagers gemaakt. Burgers moeten zo min mogelijk afhankelijk worden van de overheid en actiever voor zichzelf en hun omgeving zorgen. Minder rechten en aanspraken op overheidssteun, meer zelf doen en meer doen voor je naasten: vrijwilligers en mantelzorgers zijn de nieuwe helden.


Evelien Tonkens, hoogleraar actief burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam, omschrijft de omslag als 'een hardhandige affectieve revolutie'. Want een simpelweg terugtrekken van de overheid uit het domein van de zorg, het welzijn en de sociale zekerheid leidt niet spontaan tot burgerinitiatieven en een opbloei van het maatschappelijk middenveld. Vandaar dat de overheid burgers via een combinatie van verplichtingen, bezuinigingen én overreding wil laten geloven dat het mooi en fijn is om meer te zorgen, en dat dit bovendien een vrije keuze is.


Op dit principe van 'affectief burgerschap' is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gebaseerd. Gemeenten zijn door de Wmo weliswaar verplicht burgers met beperkingen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning en andere mensen te ontmoeten, maar dat moet bij voorkeur op eigen kracht gebeuren of door inschakeling van het eigen sociale netwerk. Als dit niet toereikend is, kan een beroep worden gedaan op vrijwilligers. Pas als dat allemaal niet lukt, kan bij de gemeente professionele hulp worden gevraagd, maar er is geen garantie dat deze hulp ook wordt geleverd.


Stap voor stap schrapt de overheid rechten op zorg. In sommige zorginstellingen draaien familieleden 'verplicht vrijwillig' diensten omdat het personeel is ontslagen. Steeds meer gemeenten verplichten bijstandsgerechtigden en inburgeraars tot vrijwilligerswerk: wie een uitkering krijgt, moet iets terugdoen. Professionals worden tijdelijk ingezet om vrijwilligers te begeleiden bij projecten om buurten leefbaarder te maken en gemeenschappen te vormen. Tonkens heeft met een groep onderzoekers vijf jaar lang veldwerk gedaan naar deze sociale revolutie die tot dusver grotendeels onder de radar van de publiciteit en het maatschappelijk debat is gebleven.


Uit het onderzoek van Tonkens en de haren blijkt dat 'meedoen', vrijwilligerswerk en het verrichten van een tegenprestatie voor een uitkering, wel degelijk het gevoel van eigenwaarde en de betrokkenheid bij de naaste omgeving kan versterken. Maar veel hangt af van de omstandigheden waaronder dit gebeurt. Vaak worden vrijwilligers streng geselecteerd, wat frustraties oproept bij de afvallers en bij de overblijvers het verlangen naar zeggenschap en - uiteindelijk - ook materiële erkenning. Dit geldt ook voor uitkeringsgerechtigden die onbetaald werken: zij willen hetzij opgeleid, hetzij betaald worden. Het vormen van gemeenschappen waarin mensen met een beperking samenleven met zorgzame burgers is te hoog gegrepen: te veel contact leidt tot irritaties, misverstanden en te hoge verwachtingen bij de zorgvragers.


Een groter beroep op mantelzorg kan bovendien gemakkelijk leiden tot (nog meer) overbelasting. Die belasting zal dan vooral terechtkomen bij vrouwen; het project van het affectieve burgerschap is formeel gericht op alle burgers, maar in de praktijk komt de belasting onevenredig bij vrouwen van boven de 50 terecht.


Veel onduidelijkheid en frustratie is er ook bij de overgebleven professionals. Doordat de zorgsector zo overgereguleerd is door het meten van prestaties, het registreren van minuten, het aanbesteden en indicaties stellen, wordt professionele zorg als 'onmenselijk' gecontrasteerd met de 'warme' informele hulp van vrijwilligers. Dat doet afbreuk aan de toch al bezoedelde reputatie van de sector.


Wat voor de maatschappelijk werkers overblijft, is het echt zware werk - met mensen die niet op afspraken verschijnen, afbetalingsregelingen niet volhouden, terugvallen in drank- of drugsgebruik of overlast veroorzaken. Voor die categorie is de 'bemoeizorg' bedacht. Sociaal werkers bezoeken ongevraagd mensen 'achter de voordeur' thuis om hen weer 'bij de samenleving te betrekken'. Dit moderne paternalisme is precies het tegenovergestelde van zelfredzaam, affectief burgerschap en houdt zo de beleidsmakers een spiegel voor. De bemoeizorg blijkt namelijk effectief te zijn, mits de hulpverlener geen voorwaarden stelt, voor onbepaalde tijd beschikbaar is en dus precies doet wat niet mag in het regime van de Wmo.


Of het project affectief burgerschap zal slagen, valt overigens nog maar te bezien. Want burgers vinden de overheid als afzender van een boodschap over het 'nemen van verantwoordelijkheid' niet erg geloofwaardig. Zij vinden dat die overheid zelf tekortschiet en wijzen dan op verspilling, gebrek aan doelmatigheid, te veel managers en bureaucratie en bonussen in de publieke sector. Claims van politici dat de sociale revolutie van het affectieve burgerschap kan rekenen op massale steun van de bevolking zijn volgens de onderzoekers dan ook ongeloofwaardig.


Intussen drukken de beleidsmakers hun affectieve revolutie er stapsgewijs door en waarschuwt Tonkens alvast voor de krantenkoppen van de toekomst: 'Aantal vrijwilligers dramatisch gedaald'; 'Honderden mensen met verstandelijke beperkingen misbruikt door vrijwilligers'; 'Duizenden ouderen thuis opgesloten' en 'Arbeidsparticipatie van vrouwen sterk afgenomen door zorgplicht'.


Evelien Tonkens en Mandy de Wilde (red): Als meedoen pijn doet. Affectief burgerschap in de wijk.

****


Van Gennep; 319 pagina's; euro 22,50.


DE WIJKEN IN

Het onderzoek naar affectief burgerschap en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in de praktijk, waarvan in de bundels De affectieve burger en Als meedoen pijn doet verslag wordt gedaan, stond onder supervisie van de hoogleraren Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak van de Universiteit van Amsterdam. Er werd in elf grote steden veldwerk gedaan, in samenwerking met de betrokken gemeenten, die ook financieel bijdroegen. Ook het VSBfonds, enkele woningcorporaties en de koepel Aedes betaalden mee.


PROFESSIONALS OVER 'AFFECTIEF BURGERSCHAP'

Coördinator huis-aan-huisteam

'Vergeleken met een paar jaar geleden vinden wij onszelf nu minder soft. Iedereen in het team vindt nu dat mensen iets moeten doen voor hun uitkering, omdat er anders geen sprake is van wederkerigheid en mensen daardoor te makkelijk het gevoel hebben dat ze er recht op hebben. Zo keken wij er een paar jaar geleden echt niet tegenaan. Het is veranderd omdat wij zien dat het helemaal niet goeddoet als je de hele tijd voor mensen zorgt. Je krijgt er een wat klagerige sfeer door. Als ze er zelf iets voor moeten doen, komen mensen ook wat meer in de realiteit.'


Sociaal werker 'bemoeizorg'

'Twee drugsverslaafden kunnen elkaar op bepaalde levensgebieden wel ondersteunen in de zin dat de ene zorgt dat de ander wat te eten heeft, maar een volgende keer zorgt hij er ook voor dat hij weer drugs heeft. Ik betwijfel daarom of een beroep op het eigen netwerk altijd bevorderlijk is voor het op eigen kracht functioneren. Eenzelfde voorbehoud heb ik bij vrijwilligers. Die bedoelen het goed, maar toch gaat het vaak mis, bijvoorbeeld omdat ze niet bestand zijn tegen de problematiek van de cliënt en al na een paar keer afhaken. Of omdat degene voor wie ze zich inzetten verstandelijk beperkt is, waardoor er allerlei misverstanden ontstaan. Je kunt dus niet alles overlaten aan de eigen kracht van cliënten of vrijwilligers, daar ben ik van overtuigd.'

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden