DNB-directeur: structuur Unie mogelijk aanpassen 'Frankrijk, Duitsland en Benelux kopgroep EMU'

De vorming van de Economische en Monetaire Unie (EMU), een Europese Unie met een gemeenschappelijke munt, kan niet plaatsvinden zonder deelname van Frankrijk, Duitsland en de Benelux-landen....

Van onze verslaggever

AMSTERDAM

Tijdens een congres over internationale economie in Amsterdam beklemtoonde dr A. Wellink, directeur van de Nederlandsche Bank (DNB), dat het succes van de Europese monetaire eenwording afhankelijk is van 'een zekere kritische massa' van de deelnemende landen.

'Het lijkt mij vanzelfsprekend dat zowel Duitsland als Frankrijk tot de kritische massa moet behoren', betoogde Wellink. 'Beide landen hebben een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de Europese samenwerking en ook voor de stappen die in de toekomst moeten worden gezet, kan de Duits-Franse as niet worden gemist. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de Benelux-landen.'

In het Verdrag van Maastricht is vastgelegd dat de EMU al in 1997 kan worden opgericht als voldoende EU-lidstaten aan de criteria voldoen. Als dat niet het geval is, treedt de EMU op 1 januari 1999 in werking, ook als slechts een beperkt aantal landen kan meedoen. De andere landen moeten zo snel mogelijk volgen.

Wellink waarschuwde gisteren voor het gevaar dat het bestaan van een dergelijke tijdelijke 'kopgroep' na verloop van tijd een structureel karakter krijgt. Dat zou betekenen dat in de Europese Commissie en in het Europees Parlement landen die niet tot de kopgroep behoren, blijven meebeslissen over zaken die alleen de koplopers aangaan.

'Dergelijke problemen zijn niet onoverkomelijk, maar ze kunnen de effectiviteit van het bestuur beperken', zei Wellink. 'Als binnen een periode van, zeg, vijf jaar na de start van de monetaire unie niet alle lidstaten hieraan deelnemen, wordt het wellicht tijd om serieus na te denken over mogelijke wijzigingen in de institutionele structuur van verschillende Europese organen.'

Wellink vindt dat politieke overwegingen geen rol mogen spelen om landen toe te laten tot de EMU die er nog niet aan toe zijn. 'Wordt hieraan toegegeven, dan komt het Europese monetaire gebouw op drijfzand te rusten en daar kan niets duurzaams op worden gebouwd.'

Sceptici geloven niet dat de EMU vanaf 1999 van start kan gaan, omdat er onvoldoende ecu's geslagen zouden kunnen worden, de nieuwe Europese eenheidsmunt. Wellink echter stelde gisteren dat dat geen bezwaar hoeft te zijn. De onverbrekelijke monetaire koppeling van de verschillende nationale munten kan zijn beslag krijgen zonder de fysieke of girale invoering van de ecu. Voorwaarde is alleen een goed functionerende Europese centrale bank, maar daarvan kan de blauwdruk al eind 1996 gereed zijn.

Bij de monetaire unie worden de financiële reserves van de toetredende landen bij elkaar gevoegd terwijl die landen bevoegdheden moeten afstaan aan de bank. Wellink voelt er weinig voor gelijk met de monetaire unie ook een politieke unie op te richten. 'Politieke integratie kan niet anders dan geleidelijk gaan', stelde hij.

De Europese Unie telt sinds twee maanden vijftien leden, maar de procedures zijn volgens Wellink nog steeds toegesneden op zes leden. Inmiddels staan Malta, Cyprus en Turkije, maar ook Polen en Hongarije te trappelen van ongeduld om tot de EU toe te treden. Ook Tsjechië, Bulgarije en Bulgarije zoeken toenadering. Wellink vindt dat die landen 'nu reeds een reëel perspectief moet worden geboden voor toetreding'.

De landen uit midden- en oost-Europa zoeken volgens Wellink via toenadering politieke stabiliteit en economische groei. In 1992 lag het inkomen in Hongarije per hoofd van de bevolking op 33 procent van het gemiddelde in de Europese Unie; in Roemenië was dat net 15 procent. 'Uitzicht bieden op toetreding vergroot het binnenlandse politieke draagvlak voor de vele, en soms pijnlijke maatregelen die deze landen moeten treffen', stelde Wellink.

Niet alleen die nieuwe leden zullen hard moeten werken. 'Ook de huidige lidstaten zullen het nodige werk moeten verrichten', waarschuwde Wellink. Vrije toegang van produkten uit die landen vergroot de concurrentiedruk binnen de Unie. Toetreding zou Nederland bij huidig beleid daarnaast jaarlijks vijf tot acht miljard gulden kosten. In de ogen van Wellink moet het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het structuurbeleid, ten behoeve van arme regio's, worden aangepakt. Dat laatste stuit op grote bezwaren van landen als Spanje, Portugal en Griekenland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.