'Dit móét Bob goed vinden'

Het geheime muzikale wapen van de Coenbroers heet T Bone Burnett. De 65-jarige Texaan die met Bob Dylan toerde, stoomt achter de schermen acteurs klaar voor Oscarwaardige filmrollen.

De ochtend nadat hij O Brother Where Art Thou? had gezien, belde Bob Dylan zijn oude tourmaatje wakker. T Bone Burnett, die de bluegrass-soundtrack voor de Coens-film had samengesteld, doet na hoe 's werelds bekendste singer-songwriter zijn zegen uitsprak. Lichtelijk nasaal, met Dylancadans: 'You just got to tell them Coen brothers, man, they got one fan that really understands what they're doing.'


De in Texas opgegroeide 65-jarige gitarist en producent grijnst goedmoedig: 'Dus Bob móet wel van Inside Llewyn Davis houden, dat kan niet anders.'


Dylan hangt als een geest boven de nieuwe komedie van Joel en Ethan Coen, waarin een in de marge ploeterende, fictieve folkzanger Llewyn Davis (Oscar Isaac) een ellendige week meemaakt in het winterse Greenwich Village van 1961, nét voordat de folk-scene ingrijpend zou veranderen door toedoen van de 19-jarige Robert Zimmerman uit Minnesota, oftewel Bob Dylan.


Joseph Henry 'T Bone' Burnett, die in de jaren zeventig in Dylans begeleidingsband speelde en later albums produceerde voor artiesten als Elvis Costello en Roy Orbison, ontdekte de muziekliefde van de Coenbroers toen hij hun babykidnapkomedie Raising Arizona uit 1987 in de bioscoop zag. Onder een van de scènes zat een opmerkelijk stukje muziek; Goofing-Off Suite van de inmiddels 94-jarige folkzanger Pete Seeger, uit 1954, maar dan in obscure hillbilly-jodeluitvoering van ene John R. Crowder. Ah, dít zijn kenners, wist Burnett, die zijn complimenten overbracht aan de filmmakers.


De waardering bleek wederzijds: een paar jaar later vroegen de Coens Burnett of die kon adviseren bij de muzikale voorkeur van the dude, het door Jeff Bridges te vertolken hoofdpersonage van The Big Lebowski (1998). Zo getuigt the dude in de film onder meer van zijn (en dus Burnetts) afkeer van The Eagles: 'I hate the fucking Eagles, man.' Iets waardoor Bridges vervolgens werd stijfgevloekt door het oud Eagles-bandlid Glenn Frey, toen die twee elkaar tegen het lijf liepen op een feestje.


De samenwerking tussen de Coens en Burnett werd voortgezet in verschillende films, waaronder het in de Mississippidelta anno 1937 gesitueerde O Brother Where Art Thou? (2000). George Clooney, die een van de hoofdrollen speelde, zei in een interview ooit dat Burnetts O Brother Where Art Thou?-album (8 miljoen verkochte exemplaren) vele malen meer opbracht dan de film waarvoor de muziek bedoeld was. 'Clooney overdrijft', nuanceert de producent, met glimlach.


Burnett, die een imposante rij Grammy's won, bezit een ongekende collectie ondergestofte liedjes in zeldzame uitvoeringen. 'Veel komt binnen via oud-werknemers van platenlabels en gespecialiseerde platenzaken, die ik opspoor en benader via internet. Het helpt dat ik als tiener duizenden platen absorbeerde, die kennis haal je op latere leeftijd nooit meer in. Vroeger hoefde ik een album ook maar één keer te beluisteren en dan kende ik elke noot, elke muzikant. Nu kost me dat veel meer moeite.'


Behalve als muziekarchivaris staat Burnett in Hollywood ook bekend als dé man om acteurs klaar te stomen voor een Oscarwaardige rol als muzikant. Hij was het die Joaquin Phoenix en Reese Witherspoon begeleidde voor hun rollen als respectievelijk Johnny Cash en June Carter in de Cash-biopic Walk the Line (2005). Beide acteurs, die de in de film opgevoerde nummers zelf zongen, werden genomineerd voor een Oscar, Witherspoon won. Ook Jeff Bridges ging bij hem in de leer, voor zijn rol als alcoholische hasbeen- singer-songwriter in Crazy Heart. Zo won Burnett in 2010 zijn eerste Oscar, als componist van het beste filmliedje, The Weary Kind.


'Hij is de Mr. Miyagi van de muziekwereld', zegt Inside Llewyn Davis-hoofdrolspeler Oscar Isaac, naar de sensei uit The Karate Kid, die een iele knul prepareert voor het karatekampioenschap. 'T Bone haalde me in zijn grote slee op van het vliegveld, keurig in pak, als een filmpersonage. Vervolgens gingen we Llewyns gitaar zoeken, in allerlei winkels. Ik stuitte op een Gibson L-1, uit 1921, van hetzelfde type als waarop Robert Johnson speelde toen die zijn ziel aan de duivel verkocht op het kruispunt en de rock 'n' roll uitvond.'


Burnett, gevraagd naar zijn geheim: 'Weet je wat het is met acteurs? Die moet je niet vragen om een halve toon hoger of lager. Je zegt: oké, nu zing je alsof je een kater hebt. Of: nu zing je alsof Barack Obama op de eerste rij zit, récht voor je. Ik vraag ze nooit om te zingen, ik vraag ze een verhaal te vertellen.'


In de periodes voor de filmopnamen tokkelde Isaac als een bezetene, zodat hij zijn liedjes live zou kunnen voordragen en inzingen tijdens de draaidagen, wat uitzonderlijk is. 'Met Joaquin Phoenix namen we alles eerst in de studio op, zodat hij bij de opnamen van Walk the Line kon playbacken. Dat is gebruikelijk, zo deed Fred Astaire het al. Om te doen wat Oscar deed op de set moet je voordracht zeer constant zijn. Hij zóu een carrière als muzikant kunnen overwegen - dat zeg ik niet snel, hoor. Als Llewyn draagt Oscar het repertoire van binnenuit voor. Dit zijn niet de gebruikelijke geprefabriceerde movie-muziekmomenten. Al mag Hollywood me daar natuurlijk ook best voor bellen.'


In de film speelt Llewyn Davis het repertoire van Dave Van Ronk, de invloedrijke folkheld die werkelijk bestond en in tegenstelling tot Dylan nooit doorbrak buiten het circuit. 'Een herinterpretatie', noemt Burnett de filmmuziek. 'Het personage is niet Van Ronk, maar meer een amalgaam van heel veel mensen uit die periode. Samen met de Coens heb ik Llewyn van nul af opgebouwd. Wat was de eerste plaat die hij kocht? Wie vond hij goed, wie niet?'


De Coens, die bij de wereldpremière van hun film op het Cannes Filmfestival lieten weten dat het grote moeite had gekost een geschikte kandidaat te vinden voor de hoofdrol, kregen de video-opname van Oscar Isaac over de post binnen. De relatief onbekende, in Guatemala geboren Amerikaanse acteur, die eerder onder meer een bijrol speelde als ex-gedetineerde latino in Drive, had zich al wat verdiept in de opdracht, en speelde Hang Me van Van Ronk. Hij mocht meteen langskomen. 'Ik speelde in wat bands tijdens highschool, kende de muziek van Dylan ook wel, via mijn vader', zegt Isaac. 'Maar toen ik me verdiepte, keek ik wel op van al die diverse verschijningsvormen van folk.'


In Inside Llewyn Davis is de folkwereld bijna sektarisch onderverdeeld in clubjes die elkaars interpretaties van de muziekstroming nauwelijks toleren, en onderling bepalen wat wel of niet authentiek is. Iets wat veelvraat Burnett nooit begreep, als kind al niet: 'Uiteindelijk valt alles te scharen onder die ene noemer: traditionele Amerikaanse muziek. Van Louis Armstrong tot Frank Sinatra en van Hank Williams tot Bob Dylan - ze putten uit dezelfde bron. Het idee dat elk kind van huis weg kan lopen, gewoon de weg op, om met een liedje de wereld te veroveren, dat is hét Amerikaanse epos.'


En hoe gekweld ook, in 2013 zou iemand als Llewyn Davis een nog veel moeizamer bestaan kennen dan in 1961, zegt Burnett. 'De muziekindustrie was destijds nog toegankelijk. In de jaren twintig moet Blind Lemon Jefferson toch wel een van de armste mensen in de VS zijn geweest, als straatpredikant en straatzanger, maar óók hij kon een plaat opnemen, waarvan hij er vervolgens 2 miljoen verkocht. Internet kwam wel met de belofte van democratie: iedereen toegang tot alles, maar de praktijk is toch vooral dat iedere muzikant nu in gelijke mate genegeerd wordt.'


Noem televisieshows als The Voice en American Idol en Burnett trekt een vies gezicht. 'Artiesten zouden zich niet moeten ondwerwerpen aan dat soort programma's. Wat maakt het nou uit wat zo'n jurylid als Christina Aguilera van je muziek vindt? Iederéén bezit een betere smaak dan zij.'


Credit: Inside Llewyn Davis is v.a. 5/12 in de bioscoop. Volgende week in de Volkskrant de filmrecensie.


Extra: Dylan als olifant

Joel en Ethan Coen op de persconferentie van hun Inside Llewyn Davis in Cannes: 'Folkmuziek is iets waar wij oprecht een diepe genegenheid en respect voor koesteren. De film is niet bedoeld als parodie.' Korte stilte. 'Wat niet wil zeggen dat er niks grappig is aan folkmuziek. Er is zelfs vrij veel grappig aan folkmuziek.' En over Bob Dylan: 'Het voelt ongemakkelijk om over Dylan te praten, maar in de context van onze film is hij de olifant in de kamer - de man die er niet is.' (Op de foto vanaf links: Ethan Coen, Oscar Isaac en T Bone Burnett.)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden