‘Dit is mijn wereld. Hier hoor ik’

Voor de buitenstaander is het een opmerkelijk affiche, dat van De gravin van Parma. In de hoofdrollen: Pierre Bokma, Carice van Houten....

‘Nee, de schroom zit ’m niet in het vragen van Pierre en Carice. Dat zij het moesten worden was me al duidelijk toen ik het boek las. Casanova ontmoet daarin Francesca, een vroegere geliefde, die getrouwd is met de graaf van Parma. De rol vereist veel zwijgen, incasseren, luisteren. Dat is ontzettend moeilijk. Dat kunnen alleen topacteurs.

‘Pierre vindt juist dat zwijgen reuze spannend. Hij draagt, vind ik, een onbenoembaar geheim met zich mee. Ik kan uren naar hem kijken zonder dat hij een woord zegt. Hij straalt uit dat hij altijd op zoek is. Naar iets anders, naar meer. Precies wat Casanova ook heeft.

‘Carice was erg onder de indruk van het verhaal. Zij heeft, hoe moet ik het zeggen, iets van Greta Garbo. Koel, maar toch in staat zich totaal over te geven aan een man én als powergirl wraak te nemen. Francesca is jong, 20 schrijft Sándor Márai ergens, maar ze bezit al de wijsheid van een vrouw die het leven kent. Dat vind je ook bij Carice.

‘De schroom schuilt meer in het werken met hen. Ik leer ontzettend veel. Soms krijg ik zoveel aangeboden dat ik wel eens denk: wat doe ik hier? Pierre kan een rol op vijf verschillende manieren spelen. Ze zijn alle vijf goed.

‘Ik heb geleerd meer op het proces op de vloer te vertrouwen, in plaats van alles achter je bureau te bedenken. Pierre die Carice iets aanreikt, en het even wat langer vasthoudt. Of een zin uitspreekt alsof de gedachte hem ter plekke overvalt. Dat verzin je niet op je laptop. Het is die feilloze intuïtie die ik zo bewonder.

‘Of ík hen wat kan leren? Ik kan alleen zeggen dat Pierre Casanova misschien wat minder slachtoffer kan maken, bijvoorbeeld, of Carice vragen de verleiding van Francesca wat eerder in te zetten of haar woede wat uit te stellen.

‘Ik bewaak het verhaal: het conflict in Casanova tussen de overgave aan de liefde en de keus voor de vrijheid; iets wat ik ook zelf voel. Uiteindelijk je niet durven geven, en dan ongenadig de rekening gepresenteerd krijgen. Een enorm thema.

‘Ik reik de acteurs de tekst aan, je legt uit wat het betekent. Maar ze vertellen hoe je iets moet spelen, nee. Het zijn heel goede acteurs en ik hoef alleen maar te kiezen uit wat ze me aanbieden. Ik ben wel eens jaloers op ze. Ik heb wel rolletjes gedaan, maar ik ben zelf een buitengewoon matig acteur. Ik kan te weinig transformeren, denk ik. Blokkades, faalangst. Alles.’

‘Dat Pierre en Carice nu in De Gravin spelen, zie ik niet speciaal als erkenning. Ik geloof dat ik serieus word genomen in de toneelwereld. Dat heeft te maken met het succes van Gloed in 2002, met Eric Schneider en Dries Smits, ook niet de minsten, trouwens. Niemand heeft toen iets geschreven over mijn televisieverleden. Als het slecht was gevallen, dan was iedereen daar natuurlijk wel over begonnen. Zo van: dat komt ervan als je die flapdrol van de tv zo’n prachtig werk laat regisseren. Ik ben hoog binnengevlogen en niet onderuit gegaan. 107 voorstellingen! Het was een omslagpunt. Na Gloed werd ik gevraagd voor de jury van het Theaterfestival, voor deelname aan discussies over toneel.

‘Jawel, er was enige argwaan toen ik terugkeerde. Niet zozeer bij acteurs, maar wel bij directies van theaters. Er waren er die Gloed niet wilden toen ze hoorden dat ik de regie deed. Er waren ook producenten die het niet aandurfden. Ik was de man van de op en neer wippende witte billen op het strand in Lloret de Mar. Maar er wordt altijd vergeten dat er in Het is hier fantastisch meer zat. De uitzending met enkele seconden die billen, bevatte ook tien minuten over de witte paters in Taizé, Frankrijk, waar jongeren mediteren en luisteren naar gezang.

‘Het idee dat ik Gloed moest gaan doen, was zo’n allesomvattend gevoel, dat drukte alles weg. Mijn verbinding met die twee figuren uit dat boek was zo intens, dat ik vond dat ik ook de enige was die het kón doen. Ik ben in eerste aanleg de generaal, Henrik in het boek, die als vanzelfsprekend naar de militaire academie moest, zoals ik van mijn adellijk huis uit natuurlijk ging studeren, economie en andragologie in mijn geval. Maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. Maar ik was in mijn studietijd in Amsterdam ook al met toneel bezig, bij het Amsterdams Studententoneel. Die andere vlam was al aangestoken, die me juist weg leidde van mijn keurige milieu waarin ik van mijn grootouders de laatste restjes feodaliteit had meegekregen. Dat vond ik weer terug in Konrád, de kunstenaar in Gloed, de armlastige jongen. Totale zielsverwantschap, met beiden. Ik las het op een zondagmiddag, ik had een gezin met jonge kinderen, normaal sliep ik op die tijd even, maar ik ben niet meer opgehouden met lezen. De ene mooie zin na de andere. De volgende dag hing ik aan de telefoon om de rechten te verkrijgen.

‘Later kreeg ik het verwijt dat ik zo handig had ingespeeld op de populariteit van het boek. Jij begint er nu ook weer over. Ik wíst het niet eens! Ik was geráákt door het boek, tot in het diepst in mijn ziel. Niks handig ingespeeld op. Gruwelijk, die veronderstelling.’

‘In de tijd dat ik tv deed, bezocht ik nog een enkele keer het toneel. Daar kwam ik altijd verdrietig vandaan. Dit is mijn wereld, dat wist ik. Daar hoor ik. Ook hè. Ook. Ik houd ook van tv. Je kunt er naast het theater toch een minnares op na houden?

‘Theater is, als het goed is, een ervaring die boven de dagelijksheid uitstijgt. We hebben God weggezet, en de vrijgekomen plek kan volgens mij alleen worden ingenomen door de kunst. Die vormt ons. Na een try-out van De gravin van Parma kwam er een meisje naar ons toe. Ze zei dat ze er een naar gevoel aan over had gehouden, terwijl ze het een mooie voorstelling vond. Het beeld van de ware liefde was aangetast. Er gebeurde iets bij haar wat het verhaal oversteeg. Dat is de magie van toneel.

‘In 2000 besloot ik dat ik Het is hier fantastisch niet meer wilde maken. Het was een ijzersterke formule. Maar het werkte niet meer. Vakantiegangers gingen hun gedrag aanpassen aan de camera. In Kos kwamen we een rustig pleintje op. Binnen enkele minuten was het de wildernis, het oerwoud. Geschreeuw. Ursultje! De mensen waren niet meer onbevangen. Dan zei een jongen: zeg, ik ga straks de liefde bedrijven op het strand, en dat mag je filmen, maar ik wil er wel 200 euro voor vangen. Toen wist ik: het is klaar.

‘Ik heb nog wel Voor niets gaat de zon op gedaan, over werkende mensen die een onverwachte hobby hadden: een meisje uit de koekjesfabriek dat van hangbuikzwijntjes hield en thuis een embryo van een biggetje op sterk water had staan, een ondernemer die op het ijs in Sankt Moritz cricket speelde. Ik raakte veel verzeild in fabrieken, op werkplaatsen. Het was mijn droom een bouwvakker te vinden die in een kamerorkestje speelde. Misschien speelde hier mijn linkse verleden mee, toen ik me als student aan de poort solidair verklaarde met stakers. Ik vond het een mooi en belangrijk programma, RTL vond dat het meer bij de VARA paste. Dat was een klap in mijn gezicht.’

‘Voordat ik bij de televisie kwam, lukte het me niet om bij een toneelgezelschap te komen, of als freelancer een bestaan op te bouwen. Ik was tussen wal en schip beland. Ik had meegedaan aan Aktie Tomaat, de aanval eind jaren zestig op het behoudende toneelbestel. Voor de gevestigde orde was ik een linkse rakker die van het vormingstoneel kwam. Ik had bij Centrum en de Nieuwe Komedie gezeten. Voor de predikers van de revolutie was ik een reactionair omdat ik afscheid had genomen van het politieke toneel.

‘In 1989 ben ik naar de NCRV gestapt met het voorstel voor een zesdelige dramaserie gebaseerd op een roman van Balzac. Op de dag van de afspraak stapte ik een verkeerd kamertje in. Pas nadat ik daar mijn verhaal had gedaan, kwam de mededeling dat drama verderop in de gang zat. Maar de omroep wilde toch met me in zee: als nieuw gezicht, in mijn eigen talkshow.

‘Merkwaardig, die overstap kwam op een moment dat ik als regisseur mooie voorstellingen maakte. Misschien was ik als vormgever wel beter dan nu. Brutaler. Sneller. Gevoeliger. Dat had ook te maken met leeftijd, met inspiratie uit je omgeving. Ik heb bijvoorbeeld voor het Trojaanse Paard in Vlaanderen Roza vertrekt gedaan, heel gewaagd, waarin alles werd gemimed: het huis, de volière, de kermis, de boottocht. Alleen een tafel op het toneel, en twee stoelen, verder niks. Het was op de toppen van mijn tenen. Ik kreeg prachtige recensies. Maar het wantrouwen bleef.

‘Je zou mijn werk nu vrij traditioneel kunnen noemen, absoluut. Ik ben meer geïnteresseerd in de tekst dan in de vormgeving. Misschien is mijn grootste verdienste alleen dat ik als regisseur ruimte schep waarin acteurs goed kunnen zijn. In de enscenering haal ik weinig fratsen uit. Dat vinden sommigen misschien saai. Ik ga geen namen noemen, maar ik heb stukken gezien die zo volgepropt waren met vorm, dat het verhaal compleet verdween. Ik hou van mooie beelden, ik gebruik ook soms video, maar alleen onder voorwaarde dat het iets toevoegt. De acteur en de tekst staan centraal. Dat is de munitie. Die moet aankomen.

‘Voor mij zijn er twee voorwaarden voor goed toneel. Eén: het is belangrijk dat er publiek op afkomt. Regisseurs die zeggen dat ze het niet uitmaakt – bullshit. Je wilt toch communiceren? Twee: inspirerende impact op vakgenoten. Dat is met een traditionele aanpak wat moeilijker, dat klopt. Het kan wel.’

‘Ik begon me in de tijd van het politieke toneel steeds meer te realiseren dat het daar over ideeën ging, en niet over mensen. Ik was er mijn spelplezier aan het kwijtraken. Toneelmatig stelde het niets voor. Het ging er maar over dat alle ondernemers klootzakken waren en de arbeiders heiligen die het heft in handen moest nemen. De allergrootste klap kwam toen ik bij de Nieuwe Komedie een voorstelling wilde maken over de persoonlijke drama’s tijdens de spoorwegstaking van 1903. Ik had alles bedacht: een enorme locomotief op het toneel, de dialogen, alles. Dat voorstel werd besproken in het totaal gedemocratiseerde gezelschap, waarbij ook de boekhoudjuffrouw mee stemde over het repertoire. Het werd van tafel geveegd. Het was niks. Dat gaan we niet doen.

‘Later kwam het er toch, geregisseerd door iemand die het plan had afgekeurd, en ik mocht slechts acteren, in mijn eigen voorstel. Ik wilde weg, onmiddellijk. Ik heb een beurs aangevraagd, in eerste instantie voor Cuba, waar ik werd geweigerd, als overtuigde marxist nota bene. In 1976 zat ik een half jaar in de Verenigde Staten. Totaal verloren tussen al de enorme wolkenkrabbers, ontdaan van alle ballast. Ik was niemand meer. Er waren geen vrienden, er was geen familie. Zo hervond ik mijn oorspronkelijke gevoelens. Dat ik toch echt Brahms, Chopin en Mozart mooi vond, en niet Stockhausen. Dat ik van Vestdijk hield, van Tsjechov. Ik kon de romanticus in mij weer toelaten. Toen ik terugkwam heb ik bij de Theaterunie De Lange Nacht gedaan, een stuk over vier vrouwen in een Chileense gevangenis. Ik voelde meteen: dit is mijn theater. Een mooi verhaal, veel emotie. Eindelijk. Het voelde als een bevrijding.’

‘Ik ben nog steeds bezig op twee terreinen. Ik doe nog interviews op de tv-zender Het Gesprek. Een uur met mensen praten. Je eigen geest scherpen. Heerlijk om te doen. Ik ga misschien nog een keer Het is hier fantastisch doen, terug naar de figuren op het strand van toen, die nu misschien wel met vrouw en kinderen op de camping aan de Loire staan. Als geruststelling voor alle moeders, dat het wel goed komt.

‘Een kleine kern van spelers en regisseurs, dat zou ik wel willen. Eigen projecten maken, met schrijvers die ik bewonder, zoals Maria Goos of Peer Wittenbols. Ik zou meer willen doen, ja. Maar het Zuidelijk Toneel of het Nationale Toneel zal mij nu eenmaal niet zo snel om een stuk vragen. Misschien zien ze me als iemand die vooral boeken bewerkt.

‘Ik ga waarschijnlijk toch weer met Márai de boer op. Bekentenissen van een burger, als gedramatiseerde lezing. Ik ben verslaafd aan die man. Márai is leven, nostalgie, weemoed, een voortdurend verlangen om de liefde, om de wereld te begrijpen, zonder cynisme. Dat wil ik laten zien, delen met anderen. In die zin ben ik nog een moralist. Maar dat er straks meisjes naar het theater komen alleen maar om Carice te zien, daar kan ik niet mee zitten. Prachtig toch? Misschien raken ze ontroerd, en keren ze wel eens terug naar theater. Op Márai komt natuurlijk ook veel publiek af. En op mijn naam? Welnee.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden