Mirjam de Jong

Reportage Aanslag Utrecht

Dit is geen oefening: hoe de rampenkliniek in Utrecht de slachtoffers van 18 maart opving

Mirjam de Jong

Als een schutter op 18 maart het vuur opent in een Utrechtse tram, gooit het UMC razendsnel zijn rampencentrum open. Alles staat klaar, op alles is getraind. En toch is zo’n echte aanslag anders dan verwacht.

‘Kunnen we nog iets doen? Of is het klaar?’ Traumachirurg Mirjam de Jong (46) kijkt naar het lichaam dat voor haar ligt. Om haar heen staat een team: de anesthesist, assistenten, verpleegkundigen. Ze kijkt hen om de beurt aan.

Hebben we iets gemist? Zijn er nog kansen? Zijn er nog bloedingen die we kunnen stelpen? Hoe zit het met de beademing? Is er misschien sprake van een klaplong?

Alles wordt nog eens nagelopen. Maar stuk voor stuk schudden haar collega’s het hoofd.

Het is maandag 18 maart, rond half 12 in de ochtend, als voor het eerst sinds het bestaan van het Calamiteitenhospitaal van het Universitair Medisch Centrum Utrecht een patiënt dood wordt verklaard. De Jong weet: voor een buitenstaander klinkt het heftig. ‘Er was lang gereanimeerd, je kunt niet uren doorgaan. Je moet realistisch blijven.’ Het is een van de slachtoffers van de aanslag die rond kwart voor 11 die ochtend werd gepleegd in een tram op het 24 Oktoberplein. Maandag moet verdachte Gökmen T. voor het eerst voor de rechter verschijnen tijdens een voorbereidende zitting.

Het Calamiteitenhospitaal is een voorziening voor gegarandeerde medische en daaraan gerelateerde kortdurende opvangcapaciteit bij ongevallen en rampen voor groepen.

Niet eerder ging het Calamiteitenhospitaal – gelegen in de kelder van het ziekenhuis – zo snel open, en kwamen de slachtoffers zo snel binnen. Binnen 18 minuten staat de teller op vijf. Als het in dit tempo doorgaat, denkt De Jong, zijn we zo door onze traumachirurgen heen.

Zij was de arts die om 11.10 uur zei: ‘Ik wil het Calamiteitenhospitaal openen.’ En nu, nog geen 15 minuten later, staat ze over een levenloos lichaam gebogen en stelt ze haar team de vraag: ‘Is iedereen het ermee eens?’

‘Dan is het klaar.’

Het lichaam wordt weggereden naar het mortuarium. Voor identificatie en forensisch onderzoek. De Jong snelt de highcare-afdeling uit, waar zo’n vijftien collega’s druk in de weer zijn met andere, gewonde slachtoffers. Op haar hoofd draagt ze een zwarte pet, ‘Medisch manager’ staat erop in grote letters. De Jong stapt ‘de commandopost’ binnen, de vergaderplek waar de leidinggevenden die dag de knopen zullen doorhakken. Vanaf nu zal ze daar blijven. Op haar telefoon ziet ze nog vlug een WhatsApp-bericht van een oud-collega. ‘Heb je hulp nodig?’, vraagt die. Ja, reageert de traumachirurg, stap maar op de fiets.

Het is tijd voor de eerste briefing.

‘Rampen als routine’

11.10 uur. Eerder die ochtend. Verpleegkundige Mieke Witting (56) heeft zojuist een praatje gehouden voor negen bezoekers van het Calamiteitenhospitaal, een collega leidt een tweede groep rond. Normaal is de rampenkliniek van het UMC Utrecht en het ministerie van Defensie gesloten, maar deze week is het Open Week. Iedereen die wil, mag een kijkje nemen op de afdeling die als motto heeft: ‘Rampen als routine.’ Zelfs geïnteresseerden uit Limburg zijn deze ochtend afgereisd.

Want deze atoomvrije bunker is dé plek in Nederland waar slachtoffers van grootschalige rampen sinds 1991 naartoe kunnen worden gebracht. In het voormalig militair ziekenhuis, dat werd ingericht na het uitbreken van de Golfoorlog, wordt met vaste regelmaat getraind voor een aanslag, een chemische ramp of een overstroming. Zo ving het Calamiteitenhospitaal in 2015 70 patiënten op toen het Amsterdamse VU-ziekenhuis geëvacueerd moest worden wegens wateroverlast. In 2014 lag er een ebola-patiënt uit Nigeria in quarantaine. En in 2013 werden er 33 slachtoffers van een busongeval bij Muiden ondergebracht. Tweehonderd bedden staan permanent klaar. Voor het geval dat.

De gekleurde strepen op de vloer geven aan welke route hun bedden moeten afleggen.

Aan alles lijkt gedacht. Ieder slachtoffer krijgt bij binnenkomst een kleurcode: rood voor levensbedreigend, geel voor ernstig en groen voor lichtgewond. Gekleurde strepen op de vloer geven aan welke route hun bedden moeten afleggen. Om hun pols krijgen de gewonden een bandje met een streepjescode, ook elke ruimte die ze in- en uitgaan heeft er een. Alles en iedereen wordt gescand. De computer weet altijd wie waar is.

In een speciale kamer – ‘het pettenhok’ – liggen tientallen petten klaar. Voor iedere coördinator een. Groen voor artsen, rood voor verplegend personeel en zwart voor het commandoteam. In grote witte blokletters staat de functie erop.

Alles is voorbereid, in de hoop verwarring in de hectiek van een ramp te voorkomen.

Deze maandagmorgen is de sfeer in de rampenkliniek gemoedelijk. De bezoekers zijn onder de indruk van wat ze te zien en te horen krijgen. Maar dan, even over elven, wordt Mieke Witting aangeklampt door een collega: ‘We hebben je nodig.’ Zojuist heeft het ziekenhuis via de meldkamer vernomen dat er een schietpartij is geweest in de wijk Kanaleneiland. Eén slachtoffer is al onderweg, een tweede komt eraan. Het totale aantal kan oplopen tot tien, wordt er gezegd.

Witting voelt de adrenaline omhoogschieten. Wat er precies aan de hand is, weet de verpleegkundige niet. Een malloot die in het rond schiet, denkt ze. Het interesseert haar op dat moment niet. Ze zet een rode pet op en zet de apparatuur naast de bedden aan. Ondertussen komen andere collega’s uit het ziekenhuis aangerend. Bij een ramp belt een geautomatiseerd systeem artsen, verpleegkundigen en ondersteunend personeel – en gaat net zo lang door totdat genoeg mensen de telefoon hebben opgenomen.

In haar ooghoek ziet Witting hoe een collega-verpleegkundige de bezoekers van de Open Week meeneemt naar een andere afdeling. Heel geleidelijk, al pratend, werkt die ze het Calamiteitenhospitaal uit.

Geestelijke begeleiding

11.45 uur. ‘Jesse, zeg dat het niet waar is. Het kan toch niet waar zijn. Ik geloof het niet. Het is niet waar. Zeg dat het niet zo is.’

Tegen het eind van de ochtend wordt het stiltecentrum van het UMC Utrecht ‘overspoeld door een zee van emoties’.

Jesse Gruijters

De ruimte op de begane grond van het ziekenhuis, die doorgaans wordt bezocht voor een moment van bezinning of gebed, is in allerijl omgebouwd tot opvangcentrum voor de familie en vrienden van de slachtoffers van de aanslag. Onmiddellijk nadat het nieuws bekend was geworden, spoedde Jesse Gruiters (31) zich er door de lange ziekenhuisgangen naartoe.

Als geestelijk begeleider is Gruiters er voor mensen die het moeilijk hebben in het UMC Utrecht. Op verzoek probeert hij patiënten en familie te helpen. Hij luistert vooral en denkt mee bij existentiële vragen. Waarom ben ik ziek? Hoe bereid ik me voor op het naderende einde? Eerder deze ochtend sprak hij nog met ouders van een jongen in coma en had hij contact met een vrouw voor wie alles ‘onzeker is geworden’ als gevolg van darmkanker. Snelle antwoorden zijn er niet in zijn beroep, als er überhaupt al antwoorden zijn. ‘Ik heb een presentieberoep’, zegt hij. ‘Het helpt als mensen weten dat je er bent.’

En dat geldt ook vandaag. In de stilteruimte trekt Gruiters net als de andere maatschappelijk werkers van het ziekenhuis een paars hesje aan. Hij hangt een printje op de deur: ‘Opvang verwanten.’ De coördinator – blauwe pet – houdt een korte briefing: ‘We weten nu eigenlijk nog niets. Misschien zullen de eerste families al snel komen.’

Niet lang daarna druppelen de eersten binnen. De vrouw die wel honderd keer tegen Gruiters zegt: ‘Jesse, zeg dat het niet waar is.’ Een man die niet anders kan dan naar de grond staren, met zijn hoofd in zijn handen. De jongen die meteen begint te vertellen over zijn vader die misschien in het hoofd is geschoten. De man die zijn woede niet kan onderdrukken en begint te roepen: ‘Ze zijn afgeslacht.’ En het familielid dat de situatie onder controle probeert te krijgen en in de regelmodus schiet: de verzekering bellen, een advocaat zoeken.

Verdriet, boosheid, wanhoop en ongeloof wisselen elkaar af. Gruiters mengt zich tussen de mensen, al voelt hij wel een drempel: hoe voorkom je dat je je opdringt? Hij spreekt zichzelf toe: Jesse, nu moet je er voor de mensen zijn. Veel meer kan hij op dat moment niet doen, informatie over de toestand van de slachtoffers is er nog niet. Voor iedereen in de stilteruimte is het afwachten.

Code 20

11.20 uur. ‘Het is hectisch, er is chaos. De Dienst Speciale Interventies is ter plekke. De wijk is afgesloten, het terrein is afgezet. Overal loopt politie.’ Crisiscoördinator Sander Komijn (58) heeft de ‘officier van dienst geneeskundig’ aan de telefoon, de ambulancehulpverlener die de leiding heeft op het 24 Oktoberplein.

Aanvankelijk dacht het ambulancepersoneel weinig bijzonders toen om 10.44 uur de melding ‘Schietincident Beneluxlaan’ binnenkwam. Ook toen er een halve minuut later een tweede melding volgde over eveneens een schietpartij, ditmaal op het 24 Oktoberplein, gingen er niet meteen alarmbellen af. Schietpartijen zijn er wel vaker.

Sander Komijn Beeld Linelle Deunk

Maar inmiddels is Komijn van de Regionale Ambulance Voorziening Utrecht (Ravu) op het hoofdkantoor in Bilthoven op de hoogte gesteld. Als crisiscoördinator is hij verantwoordelijk voor de inzet van mensen en middelen. Zo ook voor de medewerkers die op dit moment in en rond de tram slachtoffers behandelen. Enkele gewonden zijn al naar het ziekenhuis gebracht, alleen een operatie kan hun leven nog redden. Er is code 20 afgegeven, krijgt Komijn te horen. De hulpdiensten weten niet wat ze die dag nog meer kunnen verwachten en houden er rekening mee dat het slachtofferaantal kan oplopen tot twintig. De dader of daders lopen nog vrij rond.

Shit, nu is het echt, denkt Komijn als hij dit allemaal hoort. Al jaren twijfelt hij er niet aan dat ook Nederland te maken krijgt met een terreuraanslag. Vandaag is het zover. Vanuit het hoofdkantoor laat hij een calamiteiten-sms versturen naar al het ambulancepersoneel in de regio. Naar locatie Soesterberg komen. Geen telefonisch contact. ‘Als iedereen op zo’n moment gaat bellen, worden we gek.’

Afwachten op de gang

11.45 uur. Ondertussen, in de kelder van het ziekenhuis, begint verpleegkundige Mieke Witting te roepen. ‘Mond houden nu. Iedereen. Mond houden.’ Doorgaans spreekt de spoedeisendehulpverpleegkundige met zachte stem, maar nu kan ze niet anders. Er staan al zeker vijftig mensen op de gang. Klaar om aan het werk te gaan. Vanaf alle afdelingen komt nog meer personeel aangesneld en ook vanuit huis zijn artsen en verpleegkundigen op de fiets of in de auto gesprongen. ‘Het was net een kippenhok.’

Om de ‘takkeherrie’ op de gang te doorbreken, is Witting op een krukje gaan staan. ‘We moeten teams vormen’, schreeuwt ze.

Binnen 12 minuten was het noodhospitaal klaar om slachtoffers op te vangen. Nog geen 6 minuten later waren de eerste teams op de highcare-afdeling al met vier gewonden in de weer.

Alleen: sindsdien zijn er geen nieuwe slachtoffers meer binnengebracht. Dus staat de rest van het personeel op de gang te wachten. Een collega van Witting probeert de groep mee te nemen naar een andere ruimte. Maar al snel lopen de eerste artsen weer terug.

Witting: ‘Die hadden zoiets van: wij willen helpen en zijn waar het gebeurt. Je wilt niet zeggen: ga weg, je bent niet nodig. Want je bent blij dat ze klaarstaan in nood. En je weet bovendien niet wat er nog meer gaat gebeuren die dag.’

Het personeel valt stil na haar geroep, maar een paar minuten later begint het rumoer opnieuw.

Het gonst van de geruchten. De artsen en verpleegkundigen die niets te doen hebben, volgen het laatste nieuws op hun telefoon. Is het een aanslag? Zijn er nog meer schietpartijen in de stad? Hoeveel schutters zijn er? En hoe zit met het met de veiligheid van onze eigen kinderen? Er gaat zelfs een verhaal rond dat het om eerwraak gaat en dat de schutter op weg is naar het ziekenhuis om de klus af te maken. Nog geen jaar eerder kreeg het UMC Utrecht te maken met een enigszins vergelijkbare situatie: het slachtoffer van een steekpartij in Zeist overleefde een aanval. Later die middag werden drie bekenden van de dader gearresteerd vlak voor de ambulance-ingang.

Witting maakt zich over dat laatste geen zorgen. Buiten het ziekenhuis rijden een politiebusje en een auto met militairen rond, de ingang van het ziekenhuis wordt bewaakt door beveiligers en agenten. Ze kijkt naar de tientallen collega’s die zich voor haar hebben verzameld. Haar grootste zorg op dit moment: wat moet ik met al dit personeel?

Emotie en adrenaline

13.00 uur. ‘Nu even niet’, appt traumachirurg Mirjam de Jong vanuit de commandokamer terug. Ze heeft zojuist een berichtje gekregen van de schooljuf van haar kinderen. Of de ouders de leerlingen kunnen komen ophalen. Aanvankelijk hielden de scholen als reactie op de aanslag hun deuren gesloten, maar aan het begin van de middag mogen de kinderen toch naar huis.

Maar wat doe je als je werkt in het Calamiteitenhospitaal? De Jong is niet de enige ouder met dat probleem. ‘Dat zijn van die dingen die je er eigenlijk niet bij kunt hebben op zo’n moment.’ Bang is ze niet – dat zit niet in haar karakter. ‘Ik vond het vooral onhandig dat ik vrienden moest vragen om de kinderen op te halen. Maar bij anderen kwam – begrijpelijk - wel veel emotie kijken.’

Om die reden begint elke briefing die dag met de vraag: ‘Hoe zit iedereen erbij? Zijn er dingen thuis die eerst geregeld moeten worden?’

Voor De Jong is de dag in de moeilijkste fase beland. Patiëntenzorg, daar zijn haar mensen goed in. Maar afwachten, niet weten wat er nog gaat komen, dat maakt het medisch personeel onrustig. Achter de vergadertafel in de commandokamer hangen grote schermen. De ‘zwarte petten’ zien daarop precies hoe druk het is op de afdelingen van het Calamiteitenhospitaal. Ze zien dat de High Care-afdeling inmiddels aan het afschalen is. Drie patiënten zijn overleden, van wie eentje al op de plaats delict. Twee patiënten zijn doorgestuurd naar de operatiekamer en één slachtoffer was minder ernstig gewond.

Het openen van het Calamiteitenhospitaal doe je niet zomaar. Het heeft grote financiële en organisatorische consequenties voor de rest van het UMC Utrecht: operaties moeten worden uitgesteld, afspraken met patiënten afgezegd en reguliere afdelingen moeten het doen met minder personeel. Het minimum aantal slachtoffers om dit crisishospitaal te openen is vijf. ‘Het moet gaan om ernstig gewonden. Als het er minder zijn, kan onze spoedeisende hulp dat aan’, zegt De Jong.

Achteraf staat ze nog steeds achter het besluit om – in overleg met de raad van bestuur – de crisiskliniek open te gooien. Maar halverwege die dag rijst wel de vraag: hoelang nog? ‘We waren op alles voorbereid. Maar de toestroom van slachtoffers hield eigenlijk even abrupt op als hij  begon.’ En dus besluiten de ‘zwarte petten’ rond 14.00 uur om opnieuw de meldkamer te bellen. Er is dan al een uur niets meer te doen. ‘Verwachten jullie nog iets van dit incident?’, vraagt De Jong. Het antwoord: er is nog wel sprake van dreiging, maar van de aanslag in de tram verwachten we niets meer. ‘Oké’, besluit ze, ‘we gaan dicht. Als er weer iets komt, gaan we wel weer open.’

Ze staat op en loopt de commandokamer uit, om op haar werkkamer door te gaan met waar ze voor de aanslag mee bezig was. Maar nog voor ze de afdeling heeft verlaten, hoort ze een beveiliger zeggen: ‘We gaan weer open.’

‘Ho, ho’, reageert de traumachirurg. ‘Ik bepaal dat. We gaan niet open.’

Het is typisch voor deze dag, denkt De Jong. ‘Bij een oefening zou dit nooit zijn gebeurd. Maar nu was er zo veel emotie, zo veel adrenaline en er gingen zo veel verhalen rond dat de juiste route soms werd vergeten.’

Toch maar mee naar binnen

15.00 uur. ‘Zal ik mee naar binnen gaan of hier wachten?’ Die vraag durft geestelijk begeleider Jesse Gruiters niet uit te spreken. Hij staat in de kelder van het ziekenhuis voor een gele deur. Op een blauw bordje met witte letters staat: ‘Ingang mortuarium.’ Hij is hier nog nooit binnen geweest en weet niet of hij het überhaupt wel wil.

Het is rond 3 uur in de middag. De slachtoffers zijn geïdentificeerd, de families ingelicht. Nog geen twee uur eerder zat Gruiters naast een grote man op de vloer. Languit lag de man op de gele ziekenhuistegels. Schreeuwend, huilend, ontkennend. ‘Ik ben er maar naast gaan zitten, zodat hij tegen me aan kon leunen als hij dat wilde.’

Gruiters drukt op het belletje naast de deur van het mortuarium. Het werk van de forensisch rechercheurs zit er voor nu op, voor de strafzaak zullen de lichamen later nog eens elders worden onderzocht. Nabestaanden die willen, mogen de slachtoffers zien. De patholoog opent de deur en zegt: ‘We gaan naar binnen.’ Gruiters loopt mee, achter een familie aan. ‘Je wilt je niet opdringen, het is zo’n intiem moment.’

Hij stapt de eerste deur door. Hij stapt de tweede deur door. Hij twijfelt. Moet hij ook de derde en laatste deur door? ‘Een wat oudere forensisch rechercheur zag mijn blik en zei zacht: nu moet je er zijn, je moet mee.’ En dus stapt Gruiters ook de laatste ruimte binnen. Hij ziet hoe een gordijn wordt opengeschoven. Er wordt gevloekt, gehuild, er worden lieve woorden gefluisterd. Gruiters: ‘Op zo’n moment zie je de ongelooflijke diepte van het verdriet. Een arm om een schouder, dat was het enige wat ik kon doen. Het was bizar treurig.’

Lessen trekken

16.30 uur.  Het is half 5 in de middag als verpleegkundige Mieke Witting op de fiets naar huis zit en de dag overdenkt. Het advies om binnen te blijven is even daarvoor ingetrokken door de burgemeester. Witting heeft een ‘oké gevoel’. ‘De patiënten die hulp nodig hadden, hebben die snel gekregen. En degenen die zijn overleden, waren helaas niet meer te redden.’

Toch, realiseert ze zich, zijn er nu al lessen te trekken. Zo moet er een aparte ruimte komen voor het wachtende personeel. En moeten ze tijdens de evaluatie nadenken over de vraag: wat doe je met angst onder je eigen mensen? ‘Angst kun je niet trainen.’

Er werden instrumenten en medicijnen klaargelegd.

Een volgende keer, bedenkt ze, zal ze nog strenger zijn voor degenen die in paniek raken. Zo zag ze die dag een paar collega’s die uit paniek greep op de situatie probeerden te krijgen. ‘Ze wilden maximaal voorbereid zijn. Als een malloot gingen ze instrumenten en medicijnen klaarleggen en verpakkingen openrukken, voor negen slachtoffers die nooit zouden komen. Dure spullen die je niet opnieuw kunt gebruiken.’

Dat er mensen sterven, hoort bij het dagelijks werk van een spoedeisendehulpverpleegkundige. ‘Daar heb ik zeker niet altijd last van, soms is het onvermijdelijk.’ Maar er is één verhaal dat haar op de fiets niet loslaat. ‘Een van de slachtoffers had de schutter in de ogen gekeken. De patiënt kwam lichtgewond binnen, maar had doodsangsten uitgestaan. Toen de schutter wilde schieten, haperde het wapen. Hoe kom je zo’n ervaring ooit te boven?’

Gevaar geweken

19.00 uur. ‘We gaan afschalen.’ De hele dag is Sander Komijn met het Ravu-crisisteam in de weer geweest om voldoende personeel te regelen. Niet alleen voor de plek van de aanslag, maar ook voor de reguliere oproepen in de provincie. Op locatie Soesterberg zaten 37 ambulanceverpleegkundigen en -chauffeurs klaar. En langs de A27 stonden acht extra wagens te wachten, afkomstig uit andere regio’s.

Het gevaar is geweken. De dader is rond half 7 gepakt. Dan is het nu tijd voor de administratie, denkt het hoofd ambulancezorg. Maar de adrenaline is nog niet uit zijn bloed. Het ene na het andere bericht wisselde zich die dag af. ‘Alles was een potentieel gevaar.’ Zo ging die middag het verhaal dat de schutter mogelijk nog een aanslag wilde plegen. ‘Die conclusie trok de politie waarschijnlijk op basis van het briefje dat Gökmen T. achterliet in de auto.’ Bovendien kreeg hij het bericht dat er in Overvecht een school was ontruimd. ‘Er liep iemand met een tas naar binnen. Achteraf bleek de man een wc te zoeken.’

De eerste debriefing zit er ook al op. Die bijeenkomst organiseerde het crisisteam meteen om 16 uur, toen de eerste ambulancemedewerkers die hadden gewerkt op de plaats delict klaar waren met hun dienst. Sommigen hadden niet eens doorgehad dat andere collega’s ook ter plaatse waren geweest, zo geconcentreerd waren ze bezig met de slachtoffers. Angst in en rondom de tram hebben ze niet gevoeld, zeggen de meesten. Ze zijn pas aan het werk gegaan nadat de politie om 10.52 uur het sein ‘veilig’ had gegeven voor de tram.

Toch sloeg de twijfel over hun veiligheid wel even toe, vertelden ze aan Komijn. Op een gegeven moment hoorde het medisch personeel dat bezig was  in de tram een agent vragen: ‘Heeft iemand al onder de bankjes gekeken of de dader daar zit?’

Zijn medewerkers zijn wel wat gewend. Maar al tijdens de eerste debriefing blijkt dat de aanslag impact heeft gehad. De hectiek ter plekke, de zwaarbewapende DSI-agenten, de willekeurig gekozen slachtoffers en de gedachte dat dit een échte aanslag was, hakken erin. Later zal blijken dat de aanslag in de tram voor enkelen de druppel was. Zij zitten nog steeds thuis. ‘Je weet van tevoren nooit of iets hard aankomt.’

Briefje

Drieënhalve maand later. Op de werkkamer van Jesse Gruiters hangt een prikbord aan de muur met lieve berichtjes. Dagelijks krijgt de geestelijk begeleider te maken met verdriet en ellende. Hij vindt zijn werk leuk en fascinerend, maar soms moet hij even een blik werpen op dit prikbord. Als extra motivatie. Sinds eind maart hangt er een screenshot van een sms’je bij. ‘We krijgen onze geliefde niet terug, maar je hebt ons door die afschuwelijke dag heen geholpen.’ Het is afkomstig van de familie met wie hij afdaalde naar het mortuarium. Hij haalt de punaise van het briefje en laat het lezen. ‘Ik heb iets kunnen betekenen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden