'Dit boek, ik kon niet beter'

Dé James Salter komt hem ophalen van het treinstationnetje. Even later zit bewonderaar en Libris Prijs-winnaar Tommy Wieringa bij de schrijver aan de keukentafel. In gesprek met een vitale legende. 'Zou je niet weten wie hij was, dan kon je niet vermoeden dat Alles wat is werd geschreven door een man van 88.'

Montauk is het laatste station van de Long Island Railroad. Een reis langs grijze bomen. Soms laat het bos het beeld van een huis door, een hek, boten op trailers, dan sluit het zich weer aaneen. Aan weerszijden van het spoor de zee. Je ziet haar niet maar haar aanwezigheid is voelbaar. De getijdenstromen, de geur van brak water. Het eerstvolgende station is Bridgehampton. Ik ben al twee keer naar de wc geweest, mijn overhemd gecontroleerd op vlekken, handen gewassen; een muis met poetsdwang. Zo meteen zal ik James Salter ontmoeten.


Zijn agent heeft laten weten dat hij me zal afhalen van het station - alsof Isaak Babel je te paard tegemoet rijdt. Net als Babel schrijft Salter de mooiste zinnen ter wereld, en kijkt hij naar het leven als een weide in mei, een weiland vol vrouwen en paarden...


Het stationnetje van Bridgehampton is niet meer dan een leeg perron onder een kraakheldere hemel. Een man komt het trappetje naar het perron omhoog. Een oude man, wat had je dan gedacht. Op gymschoenen. 'Jim', zegt hij. Ik geef hem een hand, en ook alle andere mannen die hij geweest is, de grote mannen die ik ken uit de verhalen: de gevechtspiloot, de minnaar en de schrijver van de boeken die mijn leven hebben veranderd. (Opdracht: de opwinding eronder houden, wat heeft hij met mijn bewondering te maken. Hij hoeft niet te weten dat ik onlangs in een kookwinkel was om een weegschaal te kopen, en dat niet de kwaliteit de doorslag gaf maar de merknaam SALTER op een van de weegschalen. Het moet discreet blijven, en licht.)


Hij heeft een Mercedes E 190, een oud beestje, loopt altijd. Als we zijn cederhouten huis binnengaan, zegt hij tegen zijn vrouw: 'We zijn al vrienden, we rijden dezelfde Mercedes.'


The New Yorker publiceerde onlangs een groot artikel over hem onder de titel 'The last book', wat verwees naar zijn nieuwe roman Alles wat is. Maar zou je niet weten wie de schrijver was, dan kon je niet vermoeden dat Alles wat is werd geschreven door een man van 88 - zo zuiver en precies is het, en vrij van het gewicht van zijn jaren. We zitten aan de keukentafel, het verbaast me niet dat er een ingelijst portretje van Isaak Babel hangt, als van een familielid.


Salter zegt: 'Het laatste boek... Het meest recente boek, dat is beter. De laatste tijd, halfdromend in bed, denk ik soms: ga ik dit echt nog een keer doen? Ze zullen me nog harder uitlachen dan ze nu al doen. Schrijven is ook een zaak van kracht, van energie. Die heb je niet voor eeuwig. Maar ik heb het schrijven natuurlijk niet de rug toegekeerd, nee, nee. Ik wil alleen geen beloftes doen, ik wil niets verschuldigd zijn.'


Het is een leeftijdloos boek.

'Maar ik voel het in mijn benen. Ik ben blij dat ik het geschreven heb, maar het was een lange race.'


We zien geen zweet.

'Je moet altijd een beetje stijl behouden, nietwaar? Je wilt niet dat de moeite eraan af te zien is. Het moet lijken alsof je gewoon bent gaan zitten en het hebt opgeschreven. Mensen zeggen vaak die en die zin was geweldig en komen aan met een boek vol ezelsoren en onderstrepingen, maar ik schrijf geen aforismen, ik word geacht een verhaal te vertellen. Een roman moet in een keer te bevatten zijn. Als je een aandachtige lezer bent.'


Philip Bowman, de hoofdfiguur uit Alles wat is, is een soort Elckerlyc, hij leeft licht en kinderloos, hij laat geen sporen na.


Het is een leven in vrouwen. De vrouwen zijn de ware cesuren van Bowmans bestaan. Je raakt zijn leven en dat van anderen aan, dan verdwijnen ze weer in de schaduw.

'Toen ik begon te schrijven, had Bowman vrouw en kinderen, twee kinderen, maar ze verdwenen gaandeweg uit het verhaal. Aan het eind kwamen ze er niet meer in voor.'


Heb je ze er bij hun voeten weer uitgesleept, schreeuwend en een handvol goede scènes met zich meesleurend, zoals Scott Fitzgerald het noemt?

'Zei hij dat echt? Dat is geweldig. Maar dat hoefde ik niet te doen. Hij zou gewoon een andere man zijn geweest met kinderen.'


Bowman is redacteur bij een literaire uitgeverij. Salter schrijft, ik citeer: 'De kracht van de roman in de nationale cultuur was verzwakt. De glorie was verbleekt, maar er doemden steeds weer nieuwe gezichten op die er deel van wilden uitmaken, die in de uitgeverij wilden werken, waar nog steeds iets elegants van uitging, als van de prachtig gepoetste schoenen van een failliete man.'


'Dat is geen analyse of cultuurhistorische noot van me, ik schreef dat alleen omdat het aan de hand leek. Het is de waarheid. Misschien niet exact de waarheid, maar zo voelde ik het. Maar de roman, die leeft voort. Ik bedoelde dat hij zijn belangrijke positie misschien verloren heeft, maar niet zijn kracht.'


In dat citaat zien we ook de geboorte van een metafoor. In Dwars door de dagen (zijn autobiografie uit 1997, over zijn leven als gevechtspiloot en de eerste decennia van zijn schrijverschap, TW) beschrijft hij hoe zijn vader failliet ging. Ik citeer: 'Ten slotte schaamde hij zich om zich te laten zien en bleef uren in bed liggen, niet in staat de energie op te brengen om naar zijn werk te gaan. Zijn dure schoenen, allemaal gepoetst, stonden in een rij in de kast, zijn vele pakken.'


De schoenen van een failliete man...

Een vlugge lach. 'Dat is zorgvuldig gelezen. Ik was me er niet van bewust.'


Alles wat is is anders dan alles wat ik ooit las. Spelers die droomachtig over het toneel dwalen, de lichte aanrakingen, meestal zonder grote consequenties.


Alsof je mensen op een oude foto soms even belicht - en sommigen iets langer dan anderen.

'Ik kan zo geen voorbeeld bedenken van iets gelijksoortigs, ik schreef niet naar voorbeeld van een voorgaand boek, het ging eenvoudigweg zo. Het boek is niet wat ik ervan verwachtte, dat is het nooit, maar het komt dichtbij. Je kunt soms niet beter. Dit boek, ik kon niet beter. Je gaat er niet op uit om de wereld te beschrijven, je begint met iemand, een plaats, een gebeurtenis, iets dat ook nu zou kunnen gebeuren. Ik had niet de behoefte een lange, Victoriaanse roman te schrijven, een gedetailleerde levensbeschrijving en hoe van het een het ander komt, en waarom dat gebeurde en hoe precies.


'Dit boek is het resultaat van wat ik vermeden heb. Ik ben niet de dichtheid van dat narratieve gebladerte ingegaan - waarmee ik niet wil zeggen dat dat geen geweldige boeken zijn. Bijna alle romans die ik graag lees zijn zo geschreven, maar... Ik wilde veel vertellen, veel suggereren en veel van een levensreis oproepen, zonder je te vervelen met een boek van zeshonderd pagina's. De lezer moet elke pagina waarderen.'


Bowman zegt: 'Normaal gesproken hou ik er niet van als een schrijver te veel gedachten en gevoelens van een personage prijsgeeft. Ik zie ze graag voor me, hoor wat ze zeggen en besluit dan zelf. Het uiterlijk van dingen. Ik hou van dialoog. Ze praten met elkaar en je begrijpt alles.'


Het lijkt me dat je dit boek volgens die methode hebt geschreven.

'Er staat niet: 'zei hij humeurig, en schoof zijn glas aan de kant' - zoiets komt er niet in voor. Het is alleen 'wat zij zei', 'wat hij zei', 'wat Bowman zei', en je vormt er je eigen mening over.'


Terug in de Mercedes, we rijden naar zee. Hij wijst en praat. 'Dit is oud landbouwgebied. Zandgrond, goed aardappelland. Poolse boeren hebben het ontgonnen.' Als ik vraag of dit het gebied is waar Fitzgerald The Great Gatsby situeerde, zet hij de auto stil en wijst met een lichte tremor op de kaart waar East Egg en West Egg te vinden zijn, in het oosten van Long Island.


We passeren grote, nieuwe villa's. 'Hier wonen de nieuwe Gatsby's', zegt hij. 'Wallstreet-geld. Maar het is ook een tamelijk literaire omgeving. Dit is het huis van Peter Matthiesen, een vriend van me. Ken je De Sneeuwluipaard? En daar woonde Kurt Vonnegut.'


Hij parkeert de auto en we lopen het strand op. Het licht boven de oceaan is kalm en schitterend. Zijn waterig blauwe ogen gaan de horizon af. 'In de zomer zwemmen we bijna iedere dag. De oceaan is van grote invloed hier. Het kan ook erg spoken, maar koud weer is goed om te schrijven. De verandering is stimulerend. De eerste sneeuw, het eerste groen aan de bomen, alles dat opnieuw begint.' Dit is het voorseizoen. Er zijn een paar kinderen op het strand, een Labrador bestormt Salters benen. Een vrouw rent hem achterna, 'Niet springen!', schreeuwt ze.


Achter ons rijst een villa boven het duin op. Zonder ernaar te kijken, vertelt Salter over de bankier van Goldman Sachs die het oude huis tegen grond liet slaan en er dit paleis voor terugzette. Ik biecht mijn schaamtevolle nieuwsgierigheid naar het leven van de rijken op, die begonnen is toen ik op Elba schitterende meisjes zag die van grote jachten met kleine bootjes naar de kust werden gebracht, de laatste meters zwommen ze, en op het strand wrongen ze het water uit hun zwarte haren in de allerverrukkelijkste manifestatie van meisjesachtigheid die je ooit zag. 'De nimfen', schampert hij. 'Echtgenotes houden niet van nimfen. Dus die verlies je. Vergeet het maar, wij zijn te middle-class voor zo'n leven.'


We lunchen in Bobby Van's in Bridgehampton, ook al zo'n literair oord. William Styron kwam er, het verhaal gaat dat Capote er In koelen bloede voltooide. Er hangen foto's van Capote en andere schrijvers boven de bar. De reputaties. Niet van James Salter, die de schoonheid en het leven van goden beschreven heeft, en in de introductie van Dwars door de dagen zegt: 'Kwetsbaarheid, hoe menselijk ook, interesseert me minder'. Het perspectief van een soldaat.


'Zo kan het worden geïnterpreteerd', zegt hij. 'Maar ik ben geïnteresseerd in moed, uithoudingsvermogen, schepping, wapenfeiten. Dat is allemaal moeilijk als je zwak bent. De schoonheid ook, alsof je in het licht kijkt.'


Een meisje komt onze bestelling opnemen, een voor een noemt ze de gerechten buiten de kaart op. Er komt geen einde aan haar opsomming, alles uit haar hoofd, het lijkt een grap, we zwemmen rond in een zee van gerechten die we onmiddellijk vergeten, het duurt minuten - dan zegt ze onbewogen: 'Dat was het wel zo'n beetje'.


We prijzen haar geheugen en buigen ons over de menukaart. Dan bestellen we en het meisje verdwijnt naar achteren. Ze zal nooit weten dat ze omelet zonder tomaten zal doorgeven voor een man die het leven heeft omhelsd, die begeerte en dood tot op de bodem peilde, en toen schreef : '...de schoonheid leeft, het andere sterft en alles is onzin behalve eer, liefde en het weinige dat het hart weet'.


James Salter: Alles wat is

Uit het Engels vertaald door Ton Heuvelmans.


De Bezige Bij; 352 pagina's; euro 23,90.


James Salter: All That Is

Knopf; 292 pagina's; ca. euro 24,95.


ALLES IS EEN DROOM

Het motto van All That Is, de meest recente roman van James Salter (New York City, 10 juni 1925), luidt: 'Er komt een tijd dat je je realiseert dat alles een droom is, en dat alleen wat is opgeschreven enige kans maakt echt te zijn.' Criticus Hans Bouman prees de roman in Volkskrant Boeken van 13 april: 'Een prachtig ingetogen, ja nuchtere roman over dromen en wat zij vermogen.' Van Salter zijn momenteel in vertaling leverbaar Alle verhalen (waarin opgenomen de meesterlijke bundel Laatste nacht uit 2005), Smakelijk leven, het kookboek dat hij in 2006 schreef samen met zijn vrouw Kay Eldredge, en vanaf vandaag de roman Alles wat is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden