Diplomatieke opening naar Iran en Syrië is geen panacee voor nood in Irak

door Paul Brill..

Aan aforismen en spitsvondige oneliners heeft de Amerikaanse politiek nooit gebrek gehad. Voor elke gelegenheid is er wel eentje te vinden. Moet de diplomatie als deugd worden aangeprezen? Dan is er deze wijsheid van John Kennedy: ‘We moeten nooit onderhandelen uit vrees, maar we moeten ook nooit bevreesd zijn om te onderhandelen.’ Wat een handige variatie is op het gevleugelde woord dat Franklin Roosevelt sprak in zijn eerste presidentiële inauguratierede: ‘Het enige wat we te vrezen hebben, is de vrees zelve.’

Kennedy’s uitspraak doet dezer dagen weer de ronde nu de nood in Irak zo hoog is gestegen, dat tot in het Witte Huis de vraag wordt opgeworpen of rechtstreekse contacten met Iran en Syrië zouden kunnen helpen om de situatie weer enigszins onder controle te krijgen. Alom wordt verwacht dat het maken van een diplomatieke opening naar Teheran en Damascus het kernstuk zal zijn van de aanbevelingen die binnenkort zullen worden gedaan door de Iraq Study Group. Deze groep bestaat uit eerbiedwaardige veteranen van zowel Republikeinse als Democratische snit en wordt geleid door oud-minister van Buitenlandse Zaken James Baker en de voormalige Democratische afgevaardigde Lee Hamilton.

Niet bevreesd zijn om te onderhandelen – dat is beslist een nuttig advies aan de regering-Bush, die in haar omgang met abjecte regimes een sterke neiging heeft om het ultimatum als de hoogste vorm van diplomatie te beschouwen. Maar het nut van praten is natuurlijk beperkt als er geen zicht is op de kansen van een toenadering.

Hoe ongewis zo’n exercitie met betrekking tot Iran is, komt goed naar voren in een opiniestuk dat de voormalige CIA-topman John Deutch deze week schreef in The New York Times. Deutch, die diende onder Bill Clinton, toonde zich ingenomen met de komst van oud-CIA-directeur naar het Pentagon en memoreerde dat deze twee jaar geleden in een samen met Zbigniew Brzezinski (veiligheidsadviseur van Jimmy Carter) opgesteld rapport al pleitte voor een andere, actievere benadering van Iran. Een benadering uitgaande van, let op, ‘een gecompartementaliseerd proces van dialoog, opbouw van vertrouwen en geleidelijk toenemende betrokkenheid’.

Het ondoorgrondelijke woordgebruik geeft aan dat men hier doende is een kat op een heet zinken dak te vangen. Een kat die grillige sprongen maakt, en met een instinct dat moeilijk valt te definiëren. Dan hebben we het nog niet eens over de vraag of Iran – dan wel Syrië – nog bij machte is om het sektarische geweld aan banden te leggen. Eerst moet in kaart worden gebracht wat de strategische prioriteiten zijn van de machthebbers in Teheran en Damascus en in hoeverre daaraan tegemoet kan worden gekomen in rechtstreekse gesprekken.

Wat het bewind van de Syrische president Bashar Assad wil, is tamelijk helder. Het wil allereerst overleven, dus met rust worden gelaten. Dat betekent geen verdere pressie om rekenschap af te leggen over de Syrische rol bij de moord op de vroegere Libanese premier Rafik Hariri. Verder staan op het Syrische programma hernieuwde inlijving van Libanon als achtertuin en natuurlijk teruggave van de Golan-hoogte. Omdat een Israëlisch-Palestijns vergelijk dat laatste op de zeer lange baan zou kunnen schuiven, verleent Damascus hartelijke steun aan de neezeggers van Hamas.

Dit alles vormt niet bepaald een riante bedding voor Amerikaans-Syrische onderhandelingen. Kunnen de Verenigde Staten het zich permitteren om, ter wille van een twijfelachtige Syrische bijdrage aan een stabieler Irak, hun handen af te trekken van Libanon? Dat valt niet te verwachten – en ook niet te hopen.

Het spelen van de Iraanse kaart is nog ingewikkelder. Want wat is die kaart eigenlijk? Volgens sommige waarnemers moet de gespierde taal van Teheran vooral worden verklaard uit onzekerheid over de ware Amerikaanse intenties. Zoals de anti-Israëlische retoriek gezien zou moeten worden als een onbedwingbare islamistische behoefte, die verder geen praktische consequenties heeft.

Er is ook een andere zienswijze, die helaas niet zo maar terzijde kan worden geschoven. Die zienswijze luidt dat het Iraanse nucleaire programma wel degelijk is gericht op de aanmaak van kernwapens en dat dit niet zozeer voortvloeit uit een defensieve reflex, maar stoelt op ambitie. Te weten de ambitie om de leidende macht in de regio te worden en daadwerkelijk uitvoering te geven aan de revolutionaire ideologie die in Teheran opgeld doet en waarin de eliminatie van de staat Israël hoog staat genoteerd.

Wie op dit punt graag wil worden gerustgesteld, kon deze week beter niet The Daily Telegraph lezen. De Britse krant meldde dat Iran hard bezig is om zijn invloed te versterken in het Al Qaida-netwerk. Lange tijd had dit een anti-sjiitische inslag, maar voor de nieuwe generatie terroristen zou de tegenstelling tussen soennieten en sjiieten aan belang hebben ingeboet. Volgens bronnen bij westerse inlichtingendiensten steunt Iran met name de Egyptenaar Saif al-Adel, die in 1998 een hoofdrol heeft gespeeld bij de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania en die in 2001 vanuit Afghanistan is gevlucht naar Teheran. Wat inlichtingendiensten vooral verontrust, is de kans dat de Iraanse connectie Al Qaida op termijn aan een ‘vuile bom’ helpt.

Dit hoeft een ‘gecompartementaliseerd proces van dialoog’ natuurlijk niet in de weg te staan. Maar een panacee voor het probleem-Irak is het bepaald niet. Mogelijk is een Amerikaanse verkenningstocht langs Jeruzalem, Ramallah en Gaza zelfs nuttiger.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden