Dijkstal, Van Wijnbergen en Ceausescu

Zelfs politici zien tegenwoordig de staatsschuld niet meer als de duivel die onder alle omstandigheden moet worden uitgeroeid. Ik ken maar één uitzondering (afgezien dan van Dijkstal): wijlen de Roemeense dictator Nicolae Ceausescu was in de nadagen van zijn regime geobsedeerd door het idee dat de Roemeense nationale schuld moest...

Terwijl de nieuwe secretaris-generaal (sg) van Economische Zaken zich stil hield - Jan Willem Oosterwijk, nu thesaurier op Financiën, treedt pas op 1 februari aan - en de plaatsvervangend sg beleefdheidshalve een slaapverwekkend vertoog schreef voor de kolommen van het economenblad Economisch Statistische Berichten, concipieerde de voormalig secretaris-generaal Van Wijnbergen een echt nieuwjaarsartikel.

In NRC Handelsblad - niet in ESB - riep Van Wijnbergen politici op de staatsschuld de staatsschuld te laten. Aflossen is niet nodig. Dat bij het overbrengen van deze boodschap geen middel werd geschuwd, daarvan getuigt de zieke vergelijking tussen Dijkstal en die gestoorde Roemeen.

De vraag is: zijn Van Wijnbergens andere argumenten beter? Antwoord: van de drie argumenten die ik heb kunnen vinden is er één irrelevant, een ander eveneens irrelevant maar bovendien historisch onjuist, en een derde niet consequent uitgewerkt met fatale consequenties voor de overtuigingskracht.

Eén: 'Allereerst is het halen van de 60-procentsnorm van de EMU in dit debat niet relevant', schrijft Van Wijnbergen. Die toetredingsnorm tot de Economische en Monetaire Unie - weet u nog? - schreef voor dat de staatsschuld van een land dat de euro wil invoeren niet hoger mag zijn dan 60 procent van het nationaal inkomen. Van Wijnbergen heeft wel gelijk dat dit criterium in het staatsschulddebat irrelevant is, maar daarmee helpt hij zijn stelling dat de staatsschuld maar met rust moet worden gelaten natuurlijk geen steek vooruit.

Twee: 'Dijkstal wil geen 60 procent, hij wil naar nul. Een dergelijk onbegrip over de rol van schuld wordt, sinds Samuelson de economie tot een serieus vak maakte ongeveer vijftig jaar geleden, niet dikwijls meer vertoond.'

Dit is een combinatie van een sneer en een niet nader toegelicht autoriteitsargument, waarbij het beroep op de autoriteit van Paul Samuelson, Nobelprijswinnaar in 1970, met de beste wil van de wereld historisch niet valt te begrijpen.

Twee gedachten strijden om de voorrang. Eén: wat bedoelt Van Wijnbergen in godsnaam met 'serieus vak'. Twee: gelukkig hoeft Jan Tinbergen deze onzin niet te lezen. In elk geval, kan uit dit 'argument' geen informatie worden gedestilleerd die helpt bij het besluiten over de staatsschuld.

Drie - eindelijk een argument met vlees op de botten: 'Een structureel overschot (. . .) is niet op a priori gronden te verdedigen. Voor zo'n politiek moet worden aangetoond dat het rendement op schuldreductie (ongeveer 5 procent nominaal) hoger is dan op andere bestedingsrichtingen of lastenverlichting.'

Wat betekent dit? Op zijn simpelst: dat je een gulden spendeert waar hij het hoogste rendement oplevert. Iets ingewikkelder: dat het rendement op het aflossen van de staatsschuld (lagere rente-uitgaven, goed voor een rendement van 5 procent) moet worden vergeleken met het rendement op extra overheidsuitgaven (hogere economische groei of een hoger welzijn) en het rendement op lastenverlichting (hogere groei).

Dit is inderdaad de crux van de openbare financiën. Die leert hoe we over de voorliggende problemen kunnen nadenken, maar zegt nog niets over de keuze die moet worden gemaakt.

En toch gaat Van Wijnbergen met dat denkraam de mist in. Ten eerste omdat hij zich onfatsoenlijk makkelijk afmaakt van de onderbouwing van zijn keuze voor extra overheidsuitgaven. Lees en huiver: 'Gezien de kaalslag in bijvoorbeeld het onderwijs kan ik me bijna niet voorstellen dat daar niet een beter rendement te halen is dan de 5 procent nominaal die uit de reductie van de staatsschuld verkregen wordt.' Moeten we dan op basis van een gebrekkig voorstellingsvermogen van een gewezen secretaris-generaal besluiten tot het verhogen van het onderwijsbudget - ik mag toch hopen van niet. Wie dat budget verhogen wil, dient het rendement aan te tonen, of in elk geval aannemelijk te maken.

Het tweede probleem met de onderbouwing van de keuze van Van Wijnbergen is de impliciete aanname dat het rendement op bestaande overheidsuitgaven groter is dan 5 procent. Dat is een boude veronderstelling. Wie, uit een aardig soort hobbyïsme, wel eens een ministeriële begroting ter hand neemt, ziet daarin, ook na twintig jaar bezuinigingsbeleid, nog talloze uitgaven opgevoerd die op basis van de rendementseis van Van Wijnbergen beter kunnen worden geschrapt. En dan definiëren we rendement natuurlijk breed: financieel plus maatschappelijk. De begroting van Economische Zaken mag wat dat betreft gerust als voorbeeld dienen.

De rendementseis derhalve, is eerder een opmaat tot een grootscheepse bezuinigingsoperatie - die de financiële ruimte creëert voor verdere belastingverlaging én schuldreductie - dan tot een bestedingsoffensief voor de rijksoverheid. In geen geval voert de door Van Wijnbergen voorgestelde wijze van beslissen zonder meer tot de conclusie dat het aflossen van de staatsschuld a priori onverstandig is.

'De Ceausescu-imitatie van Dijkstal valt dus gewoon niet te verdedigen', schrijft Van Wijnbergen. Het moge duidelijk zijn dat deze oneliner wel vermakelijk is voor degenen die een belediging aanzien voor humor, maar ontbloot is van enige economische relevantie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden