Dieren hebben ook emoties

Schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt antwoordt Ghosh..

Geen enkele diersoort sticht natuurreservaten. Dat doet alleen de mens.De overwegingen om dat te doen zijn meestal van ethische en morele aard:illegale houtkap, overbevissing, de catastrofale effecten van invasievesoorten, de vermoedelijk door mensen veroorzaakte mondialeklimaatverandering, wie is er nooit van slag geraakt door alle informatieover de deprimerende ontwikkelingen op die terreinen en wie zou ze nietgraag willen stopzetten?

Elke over de natuur schrijvende literator staat voor de opgave om deecologische misstanden die hij onder de aandacht wil brengen in beelden opte roepen. Dat is Ghosh heel goed gelukt in The Hungry Tide. Wie de romanheeft gelezen, heeft niet alleen ervaren hoe kwetsbaar het mangrovewoud vande Indiase Sundarbans is, maar beseft voortaan welke ethische problemen hetgeeft wanneer het kunstmatig behoud van de tijger de voorrang krijgt bovende opvang van radeloze oorlogsvluchtelingen uit Bangladesh. 'Zijn wij dannog minder belangrijk dan een tijger', verzuchtten zij.

Een pionier op het terrein van schrijven over de natuur was de Engelselandjonker Charles Waterton (1782-1865). Hij was in het bezit van een grootlandgoed, Walton Hall, in het Engelse Lancashire en maakte verschillendelange zwerftochten naar Brits Guyana (1812, 1816, 1820) en de VerenigdeStaten (1824). Hij had een speelse, onorthodoxe geest en verplaatste zichvergaand in dieren, wat toen zeker ongewoon was. Zo hield hij er bij hetontwerpen van de paardenstal op zijn landgoed rekening mee dat zijn paardenelkaar zouden kunnen aankijken tijdens hun conversatie.

Toen hij al tegen de tachtig liep, klom de uiterst lenige Waterton nogmet gemak in bomen om beter zicht te hebben op een nestelend paarroofvogels. Op andere momenten nestelde Waterton zich op een comfortabelplekje in een boomtop om daar Ovidius te lezen, of de bezoekers van zijnlandgoed dat hij voor publiek had open gesteld te bespieden.

Julia Blackburn benadrukt in haar rijke biografie over Waterton dat hij,behalve een onconventionele man, vooral ook een belangrijke pionier op hetterrein van de natuurbescherming en het milieuactivisme is geweeest. En datwerd hij geheel op eigen kracht. Katholieken zoals Waterton mochten in dietijd geen universitaire opleiding volgen, zodat het hem onmogelijk werdgemaakt officieel geschoold te raken in biologische onderwerpen.

Anders dan Jacques Henri Bernardin de Saint-Pierre (1737-1814) enAmitav Ghosh schreef Waterton geen fictie, maar eigenwijze dagboeknotitiesdie in het boek Wanderings (1825) werden gebundeld. Ze lijken soms verdachtveel op een vogelgids, of op een foldertekst om biologen naar Brits Guyanate lokken. Maar Waterton was geen argeloze vogelaar, hij vreesde ook deoprukkende beschaving. Zwervend in de ongerepte wouden bij deEssequiborivier in het binnenland merkte hij op: 'In deze afgezonderde eneenzame uitgestrektheid is het gewaad van de natuur zo te zien niet doorbrand aangetast, noch is haar productie verstoord door de uitroeiende handvan de mens.' In dit opzicht was hij zijn tijd ver vooruit.

Vaak trok hij ongewapend en blootsvoets, slechts vergezeld door lokalehelpers, het regenwoud in. Dat was voor die tijd ongebruikelijk. Hij hadervaren dat de meeste dieren, zelfs de jaguar, je met rust laten zolang jeze maar niet in het nauw drijft of laat schrikken.

Het betekent niet dat hij dieren bij gelegenheid niet ook doodde. Hijschoot vogels en vertelt over een kaaiman die hij, gesteund door zijnhelpers, bedwongen zou hebben door op zijn nek te springen, zijn voorpotente grijpen en ze naar achteren en naar boven te trekken. Zo zat hij tenslotte als een ruiter op de krokodil en hield zijn poten 'als teugels' inzijn handen. Het waren dit soort krokodillenverhalen waardoor Waterton nietaltijd serieus werd genomen.

Waterton projecteerde wel menselijke eigenschappen op dieren, maar deeddat nooit met het doel ze er in vergelijking met 'de superieure mens',bekaaid af te laten komen. Hij was ervan overtuigd dat dieren ook emotieshebben en dat hij toch tenminste een poging moest wagen om zich in hen teverplaatsen.

Een verslag van Watertons ontmoeting met de luiaard typeert zijn maniervan observeren. De luiaard, schreef hij, kan je aankijken alsof hij zeggenwil, 'heb meelij met me, want ik lijd pijn en heb verdriet'. Dat zijnnatuurlijk ongefundeerde projecties op een dier dat nu eenmaal wat droeviguit zijn ogen kijkt, al voelt het zich nog zo opgetogen. Maar Waterton zagde luiaard tenminste niet als een cartesiaanse machine die niet in staatwas emoties te ervaren en deed een poging de kloof tussen mens en dier teoverbruggen.

Deze fictieve kloof, die door dualistische denkers van oudsher tussenmens en natuur werd opgeworpen, vormde niet alleen de legitimatie om dierennaar believen te kunnen afslachten, maar in de koloniale tijd ook om delokale bevolking uit de Indiase natuurreservaten te verdrijven. Deze mensenworden nog altijd niet gezien als schakel in het te beschermen ecosysteem,maar als een destructieve factor die door de natuurbeschermers moest wordenverwijderd. De postkolonialen van de Indiase overheid namen de ideeën vande kolonialen voor een belangrijk deel over. En dat zou wel eens averechtskunnen werken, voorspelde Ghosh.

De corruptie valt natuurlijk niet goed te praten, net zo min als depara-militaire aanpak van de beheerders waaraan Ghosh refereerde, maar tochis er reden de aanwezigheid van lokale bewoners te vrezen. Is het geenillusie te denken dat de oorspronkelijke bevolking niet sterk in aantal zaltoenemen, zodat de balans tussen de mens en de andere bewoners van het woudal snel verstoord raakt? En zou de lokale bevolking niet ook veranderd zijnwanneer ze wel had mogen blijven? Zullen ze er begrip voor hebben dat zeniet op de tijgers en andere bedreigde diersoorten mogen jagen met modernewapens? Wat te doen als zij zich niet wensen te gedragen als voorbeeldigegreenpeace activisten en zich onevenredig snel vermeerderen? Naar mijn ideeis de lokale bewoner met an environmental unconscious, zoals Ghosh hetnoemt, niemand minder dan de nobele wilde van Rousseau, maar dan inhedendaagse gedaante. Het lijkt me onverstandig erop te rekenen dat zij inde eerste plaats voor hun eigen belangen op de lange termijn zullenopkomen, terwijl ze met zoveel urgenter problemen worstelen.

Natuurlijk moet de lokale bevolking met haar specifieke eisen welbetrokken worden bij het reservaat, anders zal het beheer zeker wordengesabotteerd. Ghosh is niet de enige die daar terecht voor pleit, deevolutiebioloog en natuurbeschermer Edward Wilson deed dat ook in zijn boekThe Future of Life uit 2002. Hij benadrukte hoe belangrijk het is lokalebewoners, in de eerste plaats kinderen, voor te lichten over de waarde vanhet gebied en hen op te leiden tot parkwachter, bioloog, of gids, voorecotoeristen. Ik vrees alleen dat Wilson al te optimistisch is over dekans van slagen van zijn verstrekkende plannen.

Halverwege de jaren negentig deed de bioloog Marc van Roosmalen in het Braziliaanse regenwoud een belangwekkende vondst. Hij ontdekte een voor dewetenschap onbekende apensoort, de dwergmarmoset (Callithrix humilis).

Naar aanleiding van die vondst maakte Cherry Duyns een gedenkwaardigedocumentaire voor de VPRO waarbij hij met Van Roosmalen de apen opzocht inhun eigen leefgebied. Het was vermakelijk om te zien hoe Duyns in volledigetropenuitrusting, ter dege voorbereid op ontmoetingen met twaalf meterlange anaconda's en vuistgrote vogelspinnen, achter de wat excentrieke,spin-achtige spät-hippie Van Roosmalen aan liep. Die bewoog zich als eenhedendaagse Waterton op zijn gemak door het woud en toonde grote kennis vande relaties tussen allerlei vruchten, kruiden, bomen en dieren.

De bijzondere apen leefden niet diep in het bos, maar langs de rivierbij menselijke nederzettingen. Het waren cultuurvolgers geworden.VanRoosmalen had bij eerdere bezoeken moeite gedaan om deze verreafstammelingen van Portugese kolonisten ervan te overtuigen dat ze eenbijzondere attractie in de tuin hadden, en vatte het plan op voor deoprichting van een reservaat. Aan een van de dorpsleiders had hijgeschenken gegeven die aan de hele gemeenschap ten goede zouden komen.

Ook toen Van Roosmalen met Duyns terugkeerde om de apen te filmen, hadhij geschenken bij zich. Dit keer gaf hij die, als dank voor de ontvangst,aan een andere dorpsleider. Duyns en Van Roosmalen hadden afscheid genomenen stonden alweer in de boot om te vertrekken, toen ze rookpluimen zagenopstijgen boven een van de bomen waarin de bijzondere apen zaten. Het vuurwas aangestoken door de dorpsleider die bij de vorige gelegenheid degeschenken in ontvangst had mogen nemen, en die zich nu gepasseerd voelde.Ik geloof niet dat ik ooit eerder de kwetsbaarheid van een mij onbekendecosysteem zo indringend heb ervaren als door de rookpluimenscène in dezefilm.

Kennelijk ligt het voor Ghosh anders, maar voor mij hoeft de vormwaarin deze ervaring wordt overgedragen niet per se fictie te zijn. Eendocumentaire, of een essayerende manier van schrijven kan weer anderedimensies van de kwetsbaarheid belichten, of biedt de mogelijkheid dieperin te gaan op technische details.

De eerste reis naar Brits Guyana in 1812 had Waterton mentaal veranderd.Hij was in 1813 nog bijna afgereisd met een officiële expeditie naarMadagascar, maar hij moest daar om gezondheidsredenen vanaf zien. Demalaria die hij in Brits Guyana opliep, was hem bijna fataal geworden enhet kostte hem jaren om te herstellen.

In Engeland stoorde Waterton zich in toenemende mate aan de spoorwegenen de onvoorstelbare hoeveelheid fabrieksschoorstenen die in het landschapverschenen. In plaats van naar Madagascar te gaan, besloot hij om de eerstetijd zijn energie te richten op Walton Hall en er een reservaat van temaken, want ook daar dreigde gevaar. De soda-lozingen door de zeepfabriekdie vlak bij het landgoed stond, had desastreuze effecten. Het water werdernstig vervuild en een aantal bomen was al gestorven. Waterton spande eenrechtzaak aan tegen de zeepzieder die hij won. Als scherp waarnemer had hijook gezien dat de vogels, kikkers, padden en allerlei plantensoorten diein zijn jeugd veel voorkwamen, zeldzaam waren geworden. Hij creëerdeveilige plekjes en nestplaatsen voor uilen en ijsvogels en deed in feiteal actief aan natuurbeheer. Walton Hall moest een katholieke oase wordenin een protestantse woestenij.

Ghosh begon zijn verhaal met een definitie van menselijke uniciteit: alser iets is dat mens en dier onderscheidt dan is het wel dat mensen dewereld ervaren door middel van verhalen. In deze lezing deed ik ietsdergelijks en definieerde de mens als het enige wezen op aarde datnatuurreservaten sticht. Dit spelletje van het afbakenen van demens-dier-grens is op zijn minst enkele duizenden jaren oud.

Ik begrijp natuurlijk heel goed wat Ghosh bedoelt en het is zondertwijfel waar dat er geen enkele andere diersoort bestaat bij wie hetvertellen van verhalen zo sterk is ontwikkeld als bij de mens, maar zorgdeniet juist de dualistische opvatting van mens en natuur voor zoveelellende? In The Ape and the Sushimaster heeft Frans de Waal, naar mijn ideeovertuigend, laten zien dat de verschillen gradueel zijn en niet absoluut.

De chimpansee-onderzoeker Adriaan Kortlandt schijnt eens te hebbengezien hoe de leider van een groep West-Afrikaanse chimpansees gefascineerdraakte door de ondergaande zon, een fenomeen dat sterk de aandacht trekt,omdat die reusachtige roodgeel gekleurde bal in de buurt van de evenaar zosnel naar beneden zakt dat je het bijna met het blote oog kunt volgen. Deleider van de groep ging ervoor zitten en de andere groepsleden deden hethem na. Na enige tijd, de zon was inmiddels een stuk verder gezakt, maarnog niet onder, stond de leider op, draaide zich om en liep weg, op de voetgevolgd door de rest van de groep. Al snel hield hij weer stil en liepterug naar de plaats waar hij eerder had gezeten. De groep volgde hem engezamenlijk keken zij opnieuw gebiologeerd naar de ondergaande zon.

Ik ga er zonder meer vanuit dat dit geen wild fiction is, maar werkelijkdoor Kortlandt werd geobserveerd, en dan kun je toch bijna niet anders danconcluderen dat deze chimpansees geboeid zijn geweest door eennatuurverschijnsel dat niet direct verband houdt met veiligheid, hetverwerven van voedsel, of seks. Hoeveel stappen is dat verwijderd van eenreligieuze ervaring? Het is in elk geval een aanwijzing te meer dat hetverschil tussen mens en dier niet absoluut is zoals millennia lang werdgedacht, en door het cartesiaanse denken nog eens werd versterkt, maargradueel.

De roman is nog altijd een geschikte literaire vorm om te schrijven overde natuur en haar eventuele teloorgang, maar voor mij zeker nietzaligmakend. Poëzie, essay, of documentaire (reportage, of film) biedenweer andere mogelijkheden die de roman niet of in mindere mate te biedenheeft.

En wie er een voorstander van is dat de lokale bevolking innatuurreservaten mag blijven wonen, kan, denk ik, maar beter voorzichtigzijn met het benadrukken van de uniciteit van de mens. Voor je het weetworden de lokale bewoners verzocht op te krassen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden