Dieren grazen langs elkaar heen

Planteneters op de Afrikaanse savanne begrazen elk hun eigen gebiedje. Zo houden ze samen hun leefgebied in stand, zonder dat één soort domineert, ontdekte de Groningse ecoloog Han Olff....

Door Marieke Aarden

Met 1,9 miljoen euro op zak kan ecoloog prof. dr. Han Olff vijf jaar onderzoek doen naar de vraag hoe de natuur zichzelf instandhoudt. Hij kreeg de prestigieuze Pionierbeurs afgelopen zomer van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek.

Bovendien verruilde hij de Wageningen Universiteit voor de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij in september hoogleraar plantenecologie werd. Ook daar zat een bijzonder kantje aan. Olff werd binnengehaald op een Van der Leeuw-leerstoel, bedoeld om jonge, talentvolle opvolgers al aan te stellen, twee jaar vóórdat de zittende hoogleraar (prof. dr. Jelte van Andel) met emeritaat gaat.

Eén muur op zijn werkkamer in het Biologisch Instituut in Haren is bezaaid met foto's van wilde dieren, zoals de neushoorn, olifant, Thomson gazelle, gnoe en zebra. 'Met foto's kan ik directer aangeven wat ik onderzoek', zegt Olff.

Op de Zuid-Afrikaanse savanne in het Hluhluwe-Umfozoli park ligt voor Olff een belangrijke bron van kennis. Drie jaar geleden begon hij daar te onderzoeken hoe verschillende diersoorten de savanne gebruiken.

Op de uitgestrekte Afrikaanse vlakten leven olifanten, giraffen, okapi's, neushoorns en kleinere dieren vreedzaam samen. Toen ecologen dit gingen beseffen, ontstond een breuk met de gangbare theorie dat de soort die het beste van het aanwezige voedsel weet te profiteren, uiteindelijk de concurrentie met andere soorten wint.

Olff ontwikkelde een nieuwe theorie waarmee beter begrepen kan worden waarom in sommige natuurgebieden veel meer planten- en diersoorten voorkomen dan in andere. Met de Pioniersubsidie gaat hij bekijken of biodiversiteit wellicht zichzelf in stand houdt doordat planten en dieren zelf voorwaarden scheppen waardoor ze kunnen samenleven.

Olffs studie strekt zich uit tot de grazers, die elk hun eigen exclusieve domein in de natuur bezetten. Hij ontdekte dat dit nauw samenhangt met de lichaamsgrootte van de herbivoren.

Zo heeft een gazelle weinig last van de zebra in zijn leefgebied: beide soorten grazen op verschillende plekken. En zebra's op hun beurt hebben weinig te maken met neushoorns. Deze scheiding van voedselplaatsen binnen hetzelfde leefgebied heeft niet alleen betrekking op het soort planten dat de verschillende diersoorten eten, maar vooral ook op de voedselkwaliteit op de plaatsen die ze bezoeken.

'We denken dat elke soort exclusieve plekken benut, precies die plaatsen die te weinig voedsel bevatten voor de soort die net een maatje groter is in de levensgemeenschap, maar die ook iets te slecht in voedselkwaliteit is voor de net iets kleinere soort', zegt Olff.

Deze ontdekking over het benutten van ruimte stoelt op het beginsel van de 'fractale geometrie'. Grote fractale patronen hebben dezelfde vorm als de kleinere daarbinnen.

Dit principe bracht Olff op een idee. Als veel ruimtelijke patronen in de natuur fractaal zouden zijn, zou de theorievorming over de natuur een stuk voorspelbaarder worden. Dat zou goed uitkomen, want ruimtelijke patronen in de natuur zijn zó complex, dat algemeen geldende theorieën daarover moeilijk zijn op te stellen.

Olff raakte steeds meer in de ban van deze relatie. Hij begon een experiment in de savanne. Met behulp van verschillende typen hekken sloot hij herbivoren in volgorde van groot naar klein uit.

Een eerste hek sloot neushoorns buiten een gebiedje dat met dit hek was afgerasterd. Neushoorns hebben knieën vlak boven de enkels en kunnen daardoor hun poten niet erg hoog optillen. Zodoende is een hek van vijftig centimeter hoogte voldoende om neushoorns buiten te sluiten, terwijl alle andere grazers over dit hek heen kunnen stappen of springen of tussen de zeer wijde mazen ervan door kunnen kruipen. Olff completeerde dit experiment door gebiedjes af te rasteren met alsmaar hogere, maar ook fijnmaziger hekwerken.

Zo ontstonden stukken vegetatie waar alle soorten voorkomen, stukken waar alle soorten kleiner dan neushoorns voorkomen, vervolgens alle soorten kleiner dan buffels, en zo verder tot alleen muizen nog toegang hadden - tot een gebiedje met een hoge en fijnmazige afrastering.

Olff ziet nu de eerste aanwijzingen dat zijn theorie over het ontstaan van niches opgaat. Want de diverse grazers blijken sterk verschillend te grazen: de ene soort eet kort gras, de andere hoger gras, weer andere struiken dan wel bomen. Het resultaat is een specifiek patroon van aangevreten vegetatie.

In het Hluhluwe-Umfozoli Park in Zuid-Afrika is nu de volgende fase van het onderzoek gaande. Daarbij manipuleren de promovendi van Olff de ruimtelijke patronen in de vegetaties door plekken van verschillende grootte te maaien en bemesten, zodat een mozaïek ontstaat met vakjes van verschillende grootte. De eerste resultaten laten zien dat de beesten inderdaad niet om dezelfde plekken concurreren.

Bovendien blijkt dat de ruimtelijke variatie aan voedselrijkdom binnen het natuurpark mede in stand wordt gehouden door interacties tussen verschillende soorten dieren. Daarbij spelen niet alleen grote grazers een rol, maar ook insecten.

De meeste herbivoren laten hun uitwerpselen vallen, verspreid door het gebied. Vervolgens gebruiken mestkevers deze mest om hun eieren in te leggen. Vóórdat ze dit doen, slepen ze de mest eerst alle kanten op en daarmee verspreiden ze de voedingsstoffen die erin zitten.

Termieten brengen voortdurend voedingsstoffen naar hun nest, waardoor ze die juist concentreren. Datzelfde doen herbivoren als de witte neushoorn, die hun uitwerpselen altijd op vaste plekken laten vallen.

De balans tussen concentratie en verspreiding bepaalt mede hoe het ruimtelijk patroon van de vegetatie er uiteindelijk uit komt te zien. En dat is belangrijk voor het samenleven van verschillende grazers.

Wat in Zuid-Afrika met de herbivoren gebeurt, kan zich ook in Nederlandse natuurgebieden voltrekken. Olff gaat daarom op Schiermonnikoog onderzoeken welk effect wilde ganzen hebben op ruimtelijke patronen in aangeslibde kwelders en hun vegetatie. Daarnaast bestudeert Olff in de uiterwaarden van de Overijsselse Vecht bij Ommen de vegetatiepatronen die ontstaan door de vrij levende runderen in een natuurgebied.

Alle onderzoeken moeten uitmonden in een algemene theorie over plaatsen die interessant zijn voor biodiversiteit en die dus behouden moeten blijven of waar de potenties voor herstel aanwezig zijn. Want na honderd jaar ecologisch onderzoek is er nog steeds geen goede samenvattende theorie om voorspellingen te doen over de structuur van levensgemeenschappen in natuurgebieden en de biodiversiteit.

De studies hebben al wel veel bewijsmateriaal opgeleverd dat natuurgebieden voldoende omvang moeten hebben om de soortenrijkdom in stand te houden. In het tijdschrift Nature (1 augustus 2002) laat Olff zien dat de ruimtebehoefte van grotere diersoorten veel groter is dan tot nu toe werd gedacht.

Dit heeft ook gevolgen voor de natuur in Nederland. Het Nederlandse beleid op dit gebied is sinds begin jaren negentig gebaseerd op het vergroten van natuurlijke leefgebieden, die via verbindingszones aan elkaar gekoppeld zouden worden. Deze omvangrijkere natuurgebieden zouden dan interessant worden voor grotere roofdieren zoals das, vos, visarend en misschien zelfs de lynx.

'De vos laat zich steeds meer zien in gebieden die niet zijn natuurlijke habitat zijn, zoals de weidevogelreservaten, kippenschuren en vuilnisbelten', redeneert de onderzoeker. 'Laten we wel even vaststellen dat dit conflict door mensen is veroorzaakt voordat we de vos de schuld geven en afschieten.

'We willen te veel landgebruiksvormen vlak bij elkaar, in te veel kleine stukjes versnipperd. We geven de dieren niet de ruimte die ze nodig hebben om duurzaam te overleven. Sterker nog, er is te weinig voortgang in natuurherstel doordat er te weinig geld meer over is voor aankoop van grond voor natuur.

'Bovendien is de laatste drie jaar een verschuiving opgetreden van optimale natuur, beheerd door organisaties als Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer naar agrarisch natuurbeheer door boeren. Bij dit soort natuurbeheer gaat het niet om grote gebieden. En doorgaans richt die zich uitsluitend op weidevogels en wat algemenere plantensoorten.'

Olff: 'Grotere en kritische planten- en diersoorten stellen eisen aan oppervlakte en milieukwaliteit van gebieden die slecht te combineren vallen met een rendabele bedrijfsvoering van een boerenbedrijf.

'Met de koerswijziging van het natuurbeleid door minister Veerman schrijven we dus een groot aantal soorten en ecosystemen af die hier wel van nature thuishoren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden