Die Zauberflöte boekt voor- en achteruitgang

Het is niet helemaal niks, wat je krijgt voorgeschoteld in de Zauberflöte-enscenering van Pierre Audi en Karel Appel. Een draak met koplampen....

Nog wonderlijker: een legioen 'Geharnasten' met vuur op de helmen beweegt zich in ganzenmars naar de plaats waar Tamino en Pamina de Verlichting deelachtig moeten worden door water en vuur te trotseren. Daar aangekomen, schuifelt men als een stoet levende waxinelichtjes rond zo'n Appelobject van papier-maché, een klontvormig tabernakel - en het wonderlijkste is dat dat ding niet in brand vliegt.

Intussen zingt men de melodie die Luther ooit bedacht bij psalm 12, begeleid door een motief dat Bach eens uitwerkte tot een klavierpreludium. Maar dat muzikale hergebruik, dat was helemaal Mozarts idee. En het moet gezegd: ook wat je hier ziet houdt meestal wel verband met het wondere werk, schuine streep de nonsens die de rakkers van het Theater auf der Wieden in Wenen 1791 op papier hebben gezet.

Echt overtuigend wil het alleen niet worden bij de Nederlandse Opera, net zomin als bij de première van deze productie, drie jaar geleden. Audi is niet diep genoeg op de onzin ingegaan.

De bezetting is veranderd. Gebleven zijn de niet onaardige Andreas Schmidt (Papageno), de aandoenlijke Alexander Oliver (Monostatos), de tot in de hoge F redelijk overtuigende Mary Dunleavy (Königin der Nacht), en Christine Schäfer, een van de hartveroverendste Pamina's die er te bedenken vallen.

Achteruitgang werd geboekt bij de rol van Sarastro, waar Kurt Rydl heeft plaatsgemaakt voor Matthias Hölle. De Canadees Gordon Gietz heeft als Tamino de lastige opdracht zijn landgenoot Michael Schade te doen vergeten, wat niet lukt.

Grote vooruitgang zit in de bezetting van de Drei Knaben; ditmaal drie even spontane als gesoigneerde schoffies uit de koorschool van Tölz; uit een zuid-Duitse regio waar men gewend is zich reeds in de wieg te bekwamen in muziektheorie en driestemmige volkslied- en koraalzang.

Niet onbelangrijk. Wat de Zauberflöte tot Zauberflöte maakt, behalve de idee van beproeving en loutering (zwak uitgewerkt door Audi en Appel), is ook het mirakel van het Gevaar dat bedwongen wordt door kinderlijke klokjesklanken, waarna het gevaar zelf een kinderklank aanneemt en zich navenant gedraagt (sterk uitgewerkt, met Alexander Oliver als Monostatos). Het kind zelf, zwevend in een toneelmachine en op de wiekslag van de driestemmige zang, oefent de merkwaardige macht uit van een engelachtige voorzienigheid.

Dirigent Hartmut Haenchen weet in die episoden de toon goed te treffen. Waar Die Zauberflöte kindachtig is, of Christine Schäfer kindachtige charmes in de strijd werpt, triomfeert Haenchen met zijn Nederlands Kamerorkest. Waar men voortsjokt, gewapend met neonbuizen ('O Isis en Osiris'), laat hij zich ontmoedigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden