Die verdomde oorlog

Groot is haar oeuvre niet, wel mooi. Chaja Polak schreef twee verhalenbundels, een novelle en vijf romans, waarvan de laatste, het twee jaar geleden verschenen Over de grens, de beste was....

Uitgeverij Vassallucci bundelde Polaks beste verhalen. Voor een deel zijn ze afkomstig uit haar eerste twee, niet meer verkrijgbare boeken, Zomaar een vrijdagmiddag en De tijd van het zwijgen. Die zeer korte verhalen zijn nu samengevoegd onder de titel 'Na de oorlog'. De tweede helft van de bundel heet 'Voor de liefde'. Daarin staan ongepubliceerde, of niet eerder in boekvorm verschenen verhalen, merendeels geschreven in de jaren negentig.

Liefdesmeer is de nieuwe titel van deze verzamelbundel. Een sierlijk vignetje met twee minnekozende stellen siert de kaft en de titelpagina.

Maar als er iets is wat wringt in al deze verhalen, is het de liefde. Een man en een vrouw, verliefd, verstrengeld, en dan maar kinderen krijgen, dat is er niet bij. Het klopt nooit. De vrouwelijke hoofdpersonen zijn meestal getrouwd, maar ze dwalen onbegrepen, altijd somber, als zombies rond in de echtelijke woning. Het is op z'n best een illusie van geluk die ze in stand houden. Om het leven een kader te verschaffen, om niet moederziel alleen in de wereld te staan.

Liefde lijkt altijd geadresseerd aan de verkeerde. Een meisje houdt van haar ouders, maar het zijn haar echte ouders niet, het zijn onderduikouders. De kleine Izzy is dol op zijn papa, maar het is zijn stiefpapa; de echte vader werd vermoord. Zijn moeder wordt verweten, door haar enige overgebleven familieleden, dat ze niet met een jood is hertrouwd. Een jong meisje is dol op haar oom, die haar uitkiest om de verhalen te vertellen over het kamp die zijn vrouw niet wil horen, maar ze krijgt verboden seksuele fantasieën over hem. Een man en een vrouw zijn verliefd, maar hij wil zijn verdriet over zijn afgesneden jeugd, het ouderlijk huis waar nu vreemde mensen wonen, niet met haar delen. Een vrouw is dol op de demente oude vrouw die haar opvoedde en verzorgt haar als een dochter, maar het is haar moeder niet. Een moeder overleeft het kamp en de dochter krijgt tot verstikkens toe te horen dat zij voor haar, voor haar alleen, is teruggekomen.

Overal loert de dood, en zelden wordt dat uitgesproken. In 'IJsdans' speelt een klein meisje een gevaarlijk spel, ze springt van ijsschots naar ijsschots. Op een dag schreeuwt een man die dat ziet verschrikt: 'Naar je moeder, jij!' Thuis vraagt het meisje verbaasd: 'Hoe wist die man dat jij nog leefde?' Die terloopse aanwezigheid van dreiging en dood, het vanzelfsprekende idee dat de levenden uitverkorenen zijn, dat is de kracht van de ultrakorte verhalen in het eerste deel van deze bundel. Er valt niet veel uit te leggen. Twee simpele citaten doen het werk.

In de verhalen die een volwassen vrouwelijke hoofdpersoon hebben, zijn de enige momenten van geluk een vacuüm in de tijd, momenten die er niet mogen zijn, die voor de buitenwereld verborgen moeten blijven. Steelse ontmoetingen van twee lichamen. Er is een vrouw die, als haar man en kinderen denken dat ze op haar werk is, haar minnaar ontmoet in een morsig café in een industrieplaats. Een ander rijdt mee naar huis met een aangetrouwde neef, net gescheiden van een onbereikbare, dodelijk ernstige joodse vrouw. 'Ik belde mijn man en kinderen om te zeggen dat ik bij Johannes at en we deelden de schnitzel en dronken wijn en lachten en Johannes vulde mijn handen en mijn mond en mijn schouderbladen met verlangen en we gingen met elkaar naar bed maar dat hoeft niemand te weten.' Zo, in één adem, kan een affaire verlopen in het bondige, stuurse proza van Polak.

Maar het zijn wel de momenten die kortstondige verlichting brengen, niet alleen in de deprimerende levens van de hoofdpersonen, maar ook in de kleine, massieve verhalen, die strak staan van ingehouden emoties.

Chaja Polak observeert scherp, ze houdt het blikveld klein en daarmee sluit ze haar lezers op in het overgevoelige bewustzijn van haar personages, die altijd op hun hoede zijn, die weten dat één verkeerde opmerking hen voor dagen uit het lood kan slaan. Het is altijd weer 'die verdomde oorlog' die elke vriendschap, elke familieband, elke liefdesrelatie onder druk zet.

Dat komt meedogenloos tot uitdrukking in het twee pagina's tellende verhaal 'De opdracht'. Een vrouw weigert om gelukkig te worden, omdat ze dat móest. Gelukkig zijn was een dorre plicht voor de dochter van een moeder die de oorlog overleefde. Later zou haar man klagen dat ze 'geen lol kon maken'. Op een dag neemt haar man een buitenlandse collega mee naar huis. De volgende dag, als haar man naar zijn werk is, staat hij weer voor de deur. 'Zwijgend ging ik hem voor naar boven alsof wij dat gisteren aan tafel met woorden hadden afgesproken. Op zolder trok hij zijn jas uit, legde die op de planken vloer, en legde mij neer op zijn jas.'

De man zal nog één keer terugkomen, dag en uur worden afgesproken. Maar dan belt haar moeder: de vrouw die de dochter als klein kind in de oorlog verborgen had, ligt op sterven. De vrouw denkt aan haar geheime afspraak en zegt ijskoud dat ze niet komt. De buitenlandse collega komt. En hoe hard ze ook probeert zich schuldig te voelen, het helpt niet. 'Mijn geweten voelde als een pasgeborene, ik dacht: ik móet van het leven genieten.' Dat is geen liefde, geen loutering, maar pure ontsnapping. Een verademing. Uiteindelijk overleeft in deze verhalen de botheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden