Die luizebollen waren zo stoned als een hunebed

Mijn vader heeft me – op arbeidsgebied – twee dingen geleerd. Je kunt ook zeggen: bijgebracht. Of beter nog: ingepeperd....

Eén: ‘Als je in de horeca gaat werken dan breek ik allebei je benen!’ En twee: ‘natuurlijk heb je ook goede bazen....die hangen we apart!’ Mijn vader heeft zijn hele leven in de horeca gewerkt, sprak alleen met uitroeptekens als hij mij, zijn favoriete zoon, echt iets wilde meegeven en gebruikte de laatste milde beroepsgroepbelediging ‘bazen’ ook weleens voor Duitsers. Communisten. En nog wat andere groepen die ik in de nevel der tijd heb laten verwaaien. Feyenoorders? Zou zomaar kunnen.

Toen ik net 15 was had ik toch een soort baantje in de horeca. Ik was in die tijd ook net begonnen met hardlopen en dacht klaarblijkelijk dat ik pa wel kon voorblijven als hij zijn dreigement wilde gaan uitvoeren. Ik werd te werk gesteld in de Edenhal – vernoemd naar Jaap –, een plek waar geregeld op Nederlands niveau werd geijshockeyd en soms concerten werden gehouden.

Mijn taak die avond bestond eruit broodjes-opgewarmd vleesafval (‘kroket’) te verkopen aan muziekliefhebbers die in grote getale zonder echte maaltijd achter de kiezen naar de Edenhal waren afgereisd. Het was een reggaeconcert. Drie bands, met Steel Pulse als headliner. En omdat deze Brits-Jamaicaanse folk toch het best te genieten is met een paar funny cigarettes in het systeem, stonden de kantine, de bar en de horecahoek, al snel grijsblauw van de zoetige rook. Van al dat lome dansen op die fijne baslijntjes en van die sigaretten ook wellicht, krijg je nog meer honger dan je al had toen je zonder te eten naar deze sfeerloze hal in de Watergraafsmeer kwam. Het tempo van broodjesverkoop, kortom, moest omhoog. De baas, die mij tot dan toe weinig blikken en nog minder woorden waardig had gegund, begreep dat hij mij nodig had. ‘Rolf...ik trek die kroketten uit het vet, jij rost ze in die broodjes, servetje eromheen, en door! Door!!’

Ik heb nog nooit in zo’n hoog tempo broodjes doormidden gesneden en kroketten gepropt. Gloeiend hete kroketten, althans: van buiten – van binnen waren ze nog diepgevroren. Dat had ik ook gemeld aan de baas. Maar het leek hem van geen belang. Er moest omzet gedraaid worden. Die luizebollen waren toch zo stoned als een hunebed. En als ze kwamen klagen moest ik maar dom kijken. Niemand kwam klagen. Niemand ging hongerig naar huis. En ik zocht al snel een ander baantje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden