‘Die grote grazers zijn religie’

Vogelkenner Albert Beintema werd bekend door het waterhoentje van Tristan da Cunha. In zijn laatste boek is hij kritisch over de natuurbescherming.Door Marieke Aarden..

Albert Beintema woont op een rivierduin langs de IJssel in Gorssel. Op zichzelf al een prachtige plek, maar een vogelliefhebber kan zich eigenlijk niets beters wensen. De grazige uiterwaarden die in de winter onderlopen, zijn omzoomd met wuivende wilgen. Het eerste dat in de woonboerderij opvalt, is de telescoop op statief bij het brede raam. ‘Ik zit soms uren naar buiten te turen.’

Pas toen de ecoloog in Gorssel kwam wonen, begon hij warm te lopen voor de gans. ‘Ganzen hebben mij vroeger nooit aangesproken, afgezien van hun geluid’, schrijft Beintema in zijn deze zomer verschenen Mijn Vogels.

‘Van het geluid van overtrekkende groepen kolganzen gaat een geweldig stimulerende werking uit, vooral van de eerste groepen die in de herfst overkomen. De eerste keer in het najaar dat je daar ‘s nachts van wakker wordt, vlieg je overeind in bed. De ganzen zijn weer terug! Je voelt onrust door je lijf gaan, je wilt mee! Op trek!’

Dit laatste is Albert Beintema ten voeten uit. Zijn leven is eigenlijk één grote trek, verre vluchten naar exotische oorden waar vogelonderzoek hem wacht. Of eigenlijk omgekeerd. Beintema lijkt het onderzoek te kiezen opdat hij eilanden met klinkende namen als Tristan da Cunha kan bezoeken.

Hij noemt zich een ‘educatieve drammer’. ‘Ik mag de dingen graag uitleggen, zoals In de voetsporen van Shackleton, het boek over de Antarctica-onderzoeker.’ Hij werd genomineerd voor de Kijk-Wetenschapsprijs, maar de winnaar werd bioloog Tijs Goldschmidt met Darwins hofvijver.

Zijn ornithologische ontwikkeling begon in de achtertuin van zijn ouders aan het Naardermeer. Een teruggetrokken jongetje dat schetsjes maakt van vogels en opgaat in zijn eigen wereld.

In 2000, na dertig jaar in de wereld van het natuuronderzoek, trok hij bij Alterra de deur dicht. Nu reist hij met dochter Nienke de aardbol over om de kromming van de aarde te beschrijven voor hun boek erover, dat in 2008 uitkomt.

De naam Beintema is onlosmakelijk verbonden met het waterhoentje van Tristan da Cunha, dat uitgestorven is. Heeft dit vogeltje daar nu wel of niet bestaan? De ornitholoog weet zeker van wel en beschrijft zijn speurtocht in het boek Het Waterhoentje, waarvoor hij de VN-lezersprijs kreeg.

Aanvankelijk wilde hij op Tristan da Cunha, het meest afgelegen bewoonde eiland ter wereld, zijn promotieonderzoek doen en zijn vrouw zou de planten bestuderen. ‘Het was meer romantisch dan wetenschappelijk’, zegt hij nu. ‘Het is ook een van mijn mislukte projecten. Uiteindelijk kwam ik pas in 2000 op Tristan. 25 jaar nadat ik er had willen zijn, hebben wij daar toch nog gestaan. Mooi moment.’

Hij is er nog trots op dat Het Waterhoentje wegvlóóg over de toonbank. Eenmaal uitverkocht werden smeekbedes op de radio gedaan om het te bemachtigen.

U neemt nogal wat modes in de natuurwereld op de hak zoals de begrazing. Wat is daar mis mee?

‘Dat hele gedoe met de grote grazers is een soort religie. De economische motieven spelen daarbij een rol, omdat grazers nu eenmaal goedkoper zijn dan mensen die grasmaaiers moeten bedienen. Het ligt heel controversieel. Leidse biologen zijn er niet blij mee dat alle grote natuurgebieden worden begraasd. Dit leidt tot het verdwijnen van zeldzame planten. Het gaat erom dat de consequenties tevoren niet worden overzien.’

In uw boek wijst u op de inconsequenties in het natuurbeleid.Hoezo inconsequent?

‘In Waterland werd tegen de boeren gezegd dat ze van weidevogelbeheer geen kaas hadden gegeten. Het werd ze afgepakt en nu kunnen de natuurbeschermingsorganisaties het ook niet aan en ontstaat er moerasbos. Het behoud van kemphaantjes in Waterland is afhankelijk van twee mensen, een van Staatsbosbeheer en een van Natuurmonumenten. Als die met pensioen gaan, is het afgelopen.’

Over uw vroegere werkgever Alterra bent u niet uitgesproken vrolijk.

‘Bij Alterra vechten ze niet meer voor het behoud van zeldzame planten, maar voor behoud van de boer. En voor zover het nog om echte natuur gaat, richt het onderzoek zich op natuurbeleving. Welke natuur is het leukst voor de mensen. Biologen zijn vervangen door sociologen, economen, juristen en bestuurskundigen.

‘Alterra kwam voort uit een fusie tussen twee werelden, die van de landbouwverbeteraars en de natuurbeschermers. Ineens waren de vroegere vijanden collega’s geworden. Binnen Alterra moesten we ons allemaal bezighouden met de vraag hoe houden we Nederland groen. Boerengroen of stedelijk groen, want echte natuur is er niet meer bij.’

De natuurbeschermingsorganisaties houden zich ook niet meer aan hun kerntaak, staat in het boek.

‘Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer strijden om de gunst van het publiek. Alles moet opengesteld, hekken weg. Waren vroeger de bedreigde flora en fauna de doelgroepen, nu is dat het grote publiek, want daar zit geld.

‘Ikzelf ben inconsequent en elitair. Ik wil liefst alleen zijn en dat is heel dubbel. Ook al die uitlegborden, dan hoef ik al helemaal niet meer. En dan die uitkijktorens. Met uitzondering van de toren in het Fochteloërveen vind ik ze allemaal een ramp. Dat is een degradatie van de natuur. Dan valt er niks meer te ontdekken.

‘Van mij mogen natuurterreinen best afgesloten worden, maar dat is not done, want dan komt er geen draagvlak voor de natuur, redeneren de beleidsmakers en de natuurbeschermingsorganisaties.’

Het Bureau van Voskuil valt bijna in het niet bij de sfeer die u oproept bij de oude rijksinstituten, de voorlopers van Alterra.

‘De fusie tussen de landbouwverbeteraars van het Ltbon en de natuurverbeteraars van het veldbiologisch onderzoek (Rivon) verliep hopeloos. De eersten hielden zich bezig met onderzoek naar afschot van edelherten om alleen dieren over te houden met mooiere trofeegeweien.

‘Jarenlang heerste er de controverse over de jacht. Over dat punt kun je niet redeneren, dat is wederzijds geloof. Van mij mag er best een beetje gejaagd worden, als het binnen de perken blijft. Maar het gaat me te ver als de jagerslobby in de laatste gebieden wil jagen, die we speciaal voor ganzen inrichten.

‘Er zit een vervelende kant aan die jacht, beesten worden schuw. Je ziet pas hoe erg het is als je op Antarctica bent. Daar moet je bij wijze van spreken de beesten opzij duwen als je erdoor wilt. Je moet omlopen om de zeeolifanten, pinguïns en albatrossen van je af te houden.’

U beschrijft dat in Afrikaanse natuurparken de mensen weinig zachtzinnig worden verjaagd en dat het daarom nogal eens op een mislukking uitdraait.

‘In de jaren zeventig was het in Afrika heel gewoon dat nationale parken op de kaart werden ontworpen en als dan in het veld bleek dat er binnen de grenzen mensen woonden, werden die er gewoon uitgeflikkerd. Het waren toch maar inboorlingen. En dit gebeurt nog steeds, zoals bleek bij het klimaatbos in Uganda, aangelegd om vliegtuigkilometers te compenseren.

‘In Afrika zijn mensen voor hun overleven afhankelijk van de natuur. Als ik honger heb, eet ik toch echt de laatste vogel op en breng die soort zo tot uitsterven.

‘Daarom moet je zo oppassen voordat je met natuurparken begint. Vaak wekt het jaloezie bij de mensen die er niet aan verdienen. Mensen zien projectgeld aankomen en willen best meewerken. Maar na afloop wordt het niet vanzelfsprekend voortgezet. Daarom mislukken natuurprojecten vaak.

Mensen in Afrika vinden het onbegrijpelijk dat blanken vogels komen beschermen ten koste van hun bestaansmogelijkheden. De kunst is ze te laten voelen dat het hún natuur is en dat de vloedbossen, zoals in Mali, voor hun overleven belangrijk zijn.’

Inheemse volken leven helemaal niet in evenwicht met hun omliggende natuur, observeert u.

‘Het idee dat primitieve volkeren in balans met de natuur leven is een fabel. Als de natuur groot is en zij zijn met weinigen, dan is er wel evenwicht. Maar zij willen expansie. Als je met pijl en boog blijft schieten, gaat het goed, maar als inheemsen een geweer hebben, doden ze net zo goed de laatste neushoorn in Borneo. Alle mensen proberen met hun ellebogen ruimte te scheppen, dat is de basis van de evolutie.’

Albert Beintema: Mijn VogelsUitgeverij Atlas; 256 pag.; euro 19,90ISBN 9789045000398

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden