Die forel is een forel Winslow Homer, schilder en zonderling

'Het spijt me ontzettend dat ik een doek heb gemaakt dat om beschrijving vraagt.' Winslow Homer (1836-1910), de grootste Amerikaanse schilder van zijn tijd, wilde niets weten van duiding van zijn werk....

'IK WIL NIET dat het publiek zijn neus in mijn schilderij steekt', zei Winslow Homer over zijn werk The Gulf Stream (1899). Het moet destijds al een klap in het gezicht van de kunstkenners zijn geweest. Het zeegezicht hunkerde bijna naar diepte-analyse. Een vissersbootje dobbert met afgeknapte mast op ruwe baren, terwijl een stel haaien op de voorgrond watertandend uitkijkt naar de visser, een neger die aan dek tevergeefs aan een loos touw trekt.

De catalogus wijst een kleine eeuw later op de 'onmiskenbare begrafenis-symboliek' van het geheel. De opbouw van het bootje lijkt op een graftombe, de touwen zijn bedoeld om het lijk te laten zakken, de gebroken mast is het gebruikelijke negentiende-eeuwse symbool voor een geknakt leven. Mogelijk ligt de interpretatie voor de hand, maar de schilder werkte niet erg mee. Homer wilde niets met kunsthistorische wichelroedeloperij te maken hebben, en was al helemaal niet te porren voor pogingen de vent uit de vorm te peuren.

Winslow Homer (1836-1910) was niet alleen de grootste Amerikaanse schilder van de negentiende eeuw, de verbeelder bij uitstek van de Amerikaanse burgeroorlog, de man van het pastorale platteland met zijn sappige weiden en Mark Twain-achtige belhamels; Homer was ook een zonderling, die als een schilderkunstige indiaan alles in het werk stelde om zijn sporen uit te wissen. Dat is hem aardig gelukt. De bijzondere overzichtstentoonstelling die nu in het Museum of Fine Arts in Boston is te zien, biedt een ongekend aantal werken bij elkaar, en daardoor een blik op het raadsel Winslow Homer, 'inwendig onkenbaar en onwillig te worden gekend', zoals de recensent van The New York Review of Books opmerkte.

'Misschien had Homer vrouwelijke vrienden', probeert de catalogus nog bij de duiding van een reeks schilderijen waarop meisjes in hoepelrok het croquetspel beoefenen. Nog voorzichtiger: 'Homer zou een ''zwak'' voor mooie meisjes hebben gehad.' Verderop gooit de schrijver de handdoek in de ring. 'We weten heel weinig van Homers literaire smaak.' Wat wil je, wanneer de schilder - gevraagd om titels voor een paar aquarellen - liet weten: 'De twee vissers - noem ze Tom, Dick of Harry - vissen op forel. Die forel is een forel.'

Ondanks de meelijwekkende positie van de duidende kunstkenner, is diens zucht naar interpretatie, en met name psychologische interpretatie, wel begrijpelijk. Homer was niet alleen zonderling omdat hij zichzelf uit zijn werk wilde poetsen; na ongeveer 1880 leek hij weinig meer met de samenleving in het algemeen te maken te willen hebben. Zijn omvangrijke oeuvre valt in twee zo duidelijk verschillende delen uiteen dat het snakt naar een 'breuk' - te dateren eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Nadien trekt Homer zich in zijn eentje terug op de winderige Atlantische punt van Prout's Neck in de noordoostelijke staat Maine, en stellen zijn schilderijen steeds woestere, legere zeegezichten, steeds duisterder luchten en steeds onafwendbaarder schipbreuken voor. De samenhang ligt voor de hand.

Maar een persoonlijke crisis toegeven: ho maar. Het schilderij van de neger die over een paar minuten letterlijk naar de haaien lijkt te gaan, heet niet voor niets De golfstroom. Homer, in kennelijke woede over een betekenisvraag: 'Het spijt me ontzettend dat ik een doek heb gemaakt dat om beschrijving vraagt. U kunt deze dames vertellen dat de ongelukkige neger die er nu versuft en oververhit uitziet zal worden gered & teruggebracht naar zijn vrienden en thuis & nog lang en gelukkig zal leven.'

Crisis of geen crisis, het eerste deel van Homers oeuvre is interessanter dan het tweede, omdat we gaandeweg het werk steeds minder Amerika en omgekeerd evenredig meer interne roerselen te zien krijgen. Want alle Homerische rookgordijnen ten spijt is zijn werk, vanaf het begin in 1861 tot eind jaren zeventig, wel degelijk een bron van informatie over het echte en het gedroomde Amerika. Dat is niet zo verwonderlijk: Homer, zoon van een handelaar uit Boston, begon zijn loopbaan als illustrator voor het beroemde tijdschrift Harper's Weekly. De Amerikaanse burgeroorlog woedde, en al snel werd hij naar het front gestuurd om illustraties te vervaardigen - een gebruikelijke procedure in de dagen dat het nog niet mogelijk was foto's in kranten af te drukken.

Homer leerde kijken als een journalist, en het werk waarmee hij faam verwierf had een duidelijk journalistieke inslag. Zijn eerste bekende schilderij, De scherpschutter op wacht (1863), breekt meteen met de conventies van de martiale schilderkunst. De afbeelding verscheen als houtsnede in Harper's (en is afgedrukt in het fameuze oorlogscorrespondentenboek van Phillip Knightley, The First Casualty). De plaat zou inderdaad het equivalent van een persfoto kunnen zijn. We zien een zuidelijke soldaat die in een boom zit en met zijn geweer mikt op een slachtoffer. Geen ronkende heroïek zoals bij de Franse oorlogsschilders en hun Amerikaanse navolgers, maar een concreet beeld van een individuele stiekemerd die laat zien hoe de moderne oorlog wordt uitgevochten. Op afstand, schaamteloos.

Met het werk Krijgsgevangenen van het front (1866) werd Homer beroemd. Ook hier domineert het veelzeggende detail: de voddige troepen op de achtergrond, de versleten uitrusting van de gevangen Zuidelijken tegenover de goed gepoetste kolonel van het Unieleger. De burgeroorlog van Homer was de eerste moderne oorlog, waarin alle bomen in het beeld gekapt zijn om het schootsveld vrij te houden en gevochten wordt vanuit modderige loopgraven. Een oorlog waarin ook negers voorkomen. Homer maakte zijn tekeningen, werkte ze om tot illustraties voor Harper's, en vervolgens tot aquarellen en/of olieverfschilderijen.

Hij was modern in zijn afwijking van de Amerikaanse academische school, die werd gedomineerd door aan strakke regels gebonden landschappen waar de zon altijd scheen en de wind door de bladeren ruiste. En hij was modern door de manier waarop hij van de spectaculair toenemende vermenigvuldigingsmogelijkheden gebruik maakte. Homer hoorde bij de eerste generatie die meemaakte hoe beelden massaal konden worden gereproduceerd door middel van de drukpers. Dat maakte de vraag naar de verhouding tussen afbeelding en werkelijkheid actueel, waarop Homer een radicaal en journalistiek antwoord gaf. Zijn vriend Eugene Benson schiep een alter ego van Homer in een kort verhaal en liet hem zeggen dat 'de observatie alles is en de droom niets'.

Hij maakte op zijn manier van een ander Amerikaans novum gebruik: de lopende band. Uitvinder Eli Whitney was op het idee gekomen als oplossing voor het schreeuwende tekort aan geschoolde arbeid. De moderne arbeider hoefde niet langer als de ambachtsman een heel geweer, een hele klok of schoen te kunnen maken. Hij hoefde slechts een onderdeeltje van het produktieproces te beheersen. Homer vond zijn eigen toepassing, niet door collega's in te schakelen, maar door hergebruik van onderdelen van eerdere werken. Hij had daarin weinig scrupules, zodat de kijker herhaaldelijk dezelfde arm of hetzelfde been tegenkomt, of hele figuren die, zelfs gehuld in dezelfde kleren, tegen uiteenlopende achtergronden poseren.

Ook aan deze gewoonte zal zijn journalistieke ervaring bij Harper's niet vreemd zijn geweest. Zo doet het gemak waarmee hij stukken van schilderijen sneed als die te groot waren of anderszins niet bevielen, sterk denken aan de gebruiken bij een krant. Van onderaf oprollen, heet dat bij een artikel dat moet worden ingekort.

Na de burgeroorlog maakte Homer een reis van een jaar naar Frankrijk. Opnieuw weinig te melden, afgezien van de aantoonbaar geringe bereidheid zich te laten beïnvloeden door de opkomende impressionisten. Twee van zijn oorlogsschilderijen mochten Amerika vertegenwoordigen op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1867. Manet onderhield een expositie vlak buiten het terrein van de Wereldtentoonstelling - maar geen woord van Homer. De catalogusschrijver richt zich in arren moede - zoals vaker - op de tijdgenoot die wel van zich liet horen. In dit geval de jonge Amerikaanse schilder J. Alden Weir, die een expositie van de impressionisten bezocht, schreef dat het 'erger was dan het spookhuis' en de zaal na een kwartier met hoofdpijn verliet.

Het zegt weinig over Homer, die zich na terugkomst toelegde op het Amerikaanse buitenleven. Spelende kinderen, melkmeisjes, boerenknechten, allemaal afgebeeld zonder poeha, in een reeks reportages van het dagelijks leven. Homers uitgesproken positivistische stijl impliceerde intussen niet dat hij positief dacht over Amerika. Integendeel. Aan de sombere zwerken van zijn latere leven ging zijn walging vooraf van de burgeroorlog, waarvan toevallig wel iets op schrift is overgeleverd. En zijn pastorale platteland werd in werkelijkheid teruggedrongen met de snelheid waarmee de treinrails in westelijke richting werden aangelegd.

Het gigantische Amerika van na de burgeroorlog, schreef A. den Hollander in zijn muckrakersboek Het demasqué in de samenleving (1976) 'rekte en strekte (zich), was overal in beweging, in chaotische opbouw, energiek, bedrijvig'. Maar dat Amerika is eigenlijk in het werk van Homer helemaal niet terug te vinden.

Homer trok zich steeds verder terug. Hij hield ook niet van het werk als illustrator. Zo gauw mogelijk, in 1874, toen zijn aquarellen goed begonnen te verkopen, hield hij er mee op. Hij hoefde zich steeds minder met de dagelijkse realiteit te bemoeien en keek bijgevolg steeds minder naar het land en steeds vaker naar de zee. In 1882 stapte hij op de boot voor een grote reis naar Engeland, waar hij vooral aquarellen maakte van vissersmeisjes. Hij keerde terug en begon aan zijn zeegezichten, afgewisseld met vrolijker scènes wanneer hij in Florida schilderde of op de Bahama's.

Zijn geslotenheid bleef tot zijn dood in 1910 onveranderd, dus ook de tobberijen van de interpreten. Wat moeten we met al die schilderijen van de zee? De zee, schrijft The New York Review of Books, vormt 'de meest essentiële negentiende-eeuwse plaats van contemplatie: de zee, woedend en onvermurwbaar, gul en destructief, die zee, zo afgezaagd ook dat zij een lemma in Flauberts Dictionnaire des idées reçues verdiende: 'ZEE - bodemloos - beeld van oneindigheid. Leidt tot diepe gedachten.' Jammer dat we Homer niet meer om commentaar kunnen vragen.

Winslow Homer. Museum of Fine Arts, Boston, tot en met 26 mei. The Metropolitan Museum of Art, New York, 20 juni tot en met 22 september. Catalogus $ 29,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden