'Die burgemeesters waren blij'

Prins Bernhard vloog in de eerste week van februari veelvuldig naar het ondergelopen gebied. Om te verkennen, in opdracht van de regering....

Door Pieter Broertjes en Sander van Walsum

'Het was per saldo een geweldige tijd. Avontuurlijk en interesssant. Voor het eerst sinds de oorlog kon ik weer doen wat ik wilde. Met de volledige instemming van de heer Beel.' De herinnering aan de watersnoodramp van 1953 roept bij prins Bernhard gemengde gevoelens op. Natuurlijk, hij kon zich - vaak vanuit de lucht - vergewissen van de enorme schade die de springvloed had aangericht. Maar juist die omstandigheid deed een beroep op de kwaliteiten die hij sinds de oorlog zelden meer had hoeven aan te spreken: bravoure en de behoefte om, zoals de prins het zelf uitdrukt, de goede zaak te dienen.

In zijn tot subtropische waarden verwarmde werkkamer op paleis Soestdijk - tevens depot van modelauto's, olifantjes en andere verwijzingen naar zijn liefhebberijen - slaat prins Bernhard het vluchtlogboek van die tijd nog eens open om het geheugen te activeren. De dadendrang die hem begin februari 1953 had bevangen, wordt gereduceerd tot enkele getallen die hij prevelend reciteert. 'Vijf februari: twee keer gevlogen. Zes februari: ook twee keer. Zeven, acht en negen februari: voortdurend in de lucht.'

De prins lijkt onder de indruk van het aantal vlieguren dat hij toen heeft gemaakt. 'Na een paar weken was het voorbij', zegt hij met een zweem van spijt in de stem. 'Voor hun terugkeer naar de thuisbasis zijn alle helikopters die bij de reddingsactie waren betrokken hier nog in de tuin geland, en heb ik de bemanning een borrel aangeboden.'

Prins Bernhard was in New York toen hem de eerste mededeling over dijkdoorbraken in Zuidwest-Nederland bereikte. Hij weet nog waar en wanneer dat gebeurde: op zondag, bij het verlaten van de kerk. 'Uit de eerste berichten kon ik alleen opmaken dat het heel erg was.'

Op 4 februari, de eerste gelegenheid die zich voordeed, vloog de prins terug naar Nederland. Uit zijn logboek maakt hij op dat hij nog diezelfde dag een verkenningsvlucht boven het getroffen gebied heeft gemaakt. 'In mijn eentje, uiteraard.' Hij deed dat mede in zijn nieuwe hoedanigheid van voorzitter van het Nationaal Rampenfonds - een functie die de minister van Binnenlandse Zaken, Beel, hem had toebedeeld.

Niet zonder weerwerk van de volksvertegenwoordiging overigens. 'Zo was daar een mejuffrouw Tjeenk Willink die zich afvroeg of het wel verantwoord was mij over het enorme budget van het Rampenfonds te laten beschikken. Het leek haar veiliger als een Kamerlid daarmee werd belast. Maar Beel hield vast aan zijn voordracht.'

De prins kan zich niet meer in detail herinneren wat zijn nieuwe functie met zich meebracht. 'Ik heb', vat hij zijn bezigheden samen, 'in eerste instantie vooral gefungeerd als intermediair tussen het rampgebied en Den Haag. Ik heb geprobeerd mij een beeld te vormen van de noden in het getroffen gebied, en stelde de regering van mijn bevindingen in kennis.'

'De mensen waren doorgaans blij mij te zien', zegt de prins. Er was misschien maar een uitzondering op die regel. 'Ik heb eens geprobeerd om mensen die naar het dak van hun huis waren gevlucht te overreden om naar beneden te komen. Het heeft niets gegeven. Zij wilden hun dierbare bezit niet achterlaten.'

Wat hij zich vooral van zijn optreden herinnert, zijn de interventies in het lokaal bestuur. 'Je had burgemeesters die het fantastisch deden, die de burgers mobiliseerden, en die precies wisten aan welke diensten zij behoefte hadden. Maar er waren ook uitgesproken zwakke broeders bij. Mensen die volkomen ontredderd waren, en van wie geen leiding uitging. Die heb ik incidenteel - en op eigen houtje - op non-actief gesteld en tijdelijk vervangen door officieren van mijn Staf Inspecteur-Generaal van de Krijgsmacht. Hoe vaak dat is gebeurd? Ik heb geen idee. Ik vermoed dat het zeker zes keer is voorgekomen. Nee, ik noem geen namen. Onder geen beding.'

Deze handelwijze werd alleen door een enkel Kamerlid gehekeld. In het noodgebied zelf oogstte de prins er, naar eigen zeggen, vooral lof mee. Zelfs bij de gedechargeerde burgemeesters. 'Die waren allang blij dat ze even in de luwte konden schuilen.'

En dan waren er de kleine voorvallen en de vluchtige ontmoetingen die deze episode kleur gaven. 'Ik verplaatste mij vooral met een Amerikaanse helikopter. Die werd bestuurd door een majoor Jack Ruby. Een keer wilde hij, nadat hij me ergens had afgezet, terugvliegen naar een dijkdoorbraak die wij vanuit de lucht hadden gezien. Ik zei: ''Kijk uit waar je je helikopter neerzet, en laat 'm niet onbemand achter''. De volgende dag haalde hij me weer op. Met een nieuwe helikopter. ''Wat is er met die andere helikopter gebeurd?'', vroeg ik. ''Die is in het water gevallen'', zei hij. Met een big smile. ''I told you so'', zei ik. Gelukkig was die helikopter niet van ons. Want wij hadden er maar één.'

Op 16 februari, de dag waarop Ruby terugkeerde naar zijn thuisbasis in Duitsland, bood prins Bernhard zijn begeleider een lunch met oesters aan in Yerseke. 'Want onze oesters zijn veel beter dan de Amerikaanse', had de prins hem beloofd. Of Ruby die opvatting deelde, is niet bekend. De ambiance moet echter veel indruk op hem hebben gemaakt. De burgemeester van het stadje had er zijn fraaie werkkamer voor beschikbaar gesteld. Ter omlijsting van de maaltijd werd de Bevelandse klederdracht getoond. De schooljeugd kreeg, aldus de Provinciale Zeeuwse Courant, vrijaf om de heren nadien te kunnen uitzwaaien.

Na enige weken was de korte reprise van de oorlogstijd ten einde. Prins Bernhard ontfermde zich, als gewaardeerd voorzitter van het rampenfonds, over de verdeling van de gelden die ten behoeve van de watersnoodslachtoffers waren ingezameld. En toen hij daarmee klaar was, stelde hij zijn functie ter beschikking. 'Ik heb gedaan wat ik moest doen. En ik dacht: een ramp van die omvang krijgen we niet meer.'

Van een protocollaire rol bij de herdenking van de watersnoodramp heeft de prins moeten afzien. Zijn gezondheid - 'de lage bloeddruk en dat soort gedonder' - laat het niet toe. Hij lijkt zich ermee te hebben verzoend. Want ook voor een 91-jarige is 1953 wel erg lang geleden.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden