Dichterbij de werkelijkheid kun je niet komen C.O. Jellema, dichter en tuinman uit behoefte aan 'ontgrenzing'

Het verlangen geheel op te gaan in de omgeving, het 'ik' te verliezen in een 'ik-oplossing' is een thema dat op verschillende manieren het werk van C.O....

'ZOIETS.'

Telkens als de dichter C.O. Jellema iets over zijn gedichten beweert, zegt hij er 'zoiets' achteraan. Of: 'begrijpt u een beetje wat ik wil zeggen?' Hij zucht er inwendig bij, en kijkt zoekend vanachter zijn gedistingeerde façade naar links en naar rechts - alsof daar de juiste woorden ergens liggen.

Jellema: 'Als ik er zo over praat denk ik bij elk woord dat ik zeg: ja, zo bedoel ik het wel, maar toch eigenlijk niet helemaal.

'Je hebt altijd het idee: in het gedicht staat het toch nèt iets anders dan wat ik nu zeg. Het stáát er, en het staat er heel nauwkeurig. Heel exact. Waarom zal ik daar dan nog iets anders over zeggen?'

In Jellema's werkkamer tikt het traag. Druppels trommelen neer in plastic emmers en teiltjes op de vensterbanken. Het regenwater dringt bij storm soms vrijelijk het statige huis binnen, in de hoeken van het balkon dat rondom de eerste verdieping loopt.

'Vannacht werd ik wakker. Het stormde en regende en dan moet ik mijn bed uit. Ik ben anderhalf uur op geweest om te kijken of er geen onheil geschiedt.

'Zo'n huis vraagt ontzèttend veel arbeid. Goten moeten schoongemaakt, je moet ontzettend veel bijhouden. Het lekt, en in de winter is het haast niet warm te stoken. Het is een hele last, toch. Ik benijd weleens mensen die een huis hebben waar ze geen zorg aan hebben. Een huis dat ze zomaar kunnen achterlaten. Een flat heeft ook iets benijdenswaardigs.'

In Jellema's ogen flakkert spot. Hij meent er niets van. Want bewerkelijk en tochtig mag dit landgoed zijn, de wereld die Jellema hier in het noorden van Groningen heeft gecreëerd is vooral in orde. Het is zijn zelfgeschapen paradijs.

Jellema staat als heer rechtop in de hoge vestibule tussen staatsieportretten van hemzelf en van een voorouder - Jellema stamt uit een oud geslacht van eigenerfden -, hij leest gebogen in zijn stoel in de gerieflijke zitkamer een gedicht voor, hij laat zijn ogen glijden langs wanden vol kunst ('ik mag graag een schilderij kopen'), of hij staat met de handen op zijn rug in de tuinkamer en ziet uit over zijn landschapstuin met waterpartij, met twee mollige corgi's en met de theekoepel van zijn overleden tante.

'Vanaf maart tot oktober werk ik elke dag in de tuin. Een heerlijke bezigheid. Een heel ontspannende bezigheid. Dan vergeet ik tijd en plaats en ga ik helemaal op in waarmee ik bezig ben.'

Het luxe bestaan van een zeer vroegtijdig uitgetreden universitair docent.

Jellema (1936) kijkt fel op: 'Luxe? Keihard werken is 't! Niks luxe! Ik ben 's avonds bekaf'

Drie jaar geleden werd Jellema's werk verzameld in de bundel Gedichten, oden, sonnetten - in Groningen ontving hij enkele weken geleden voor dat oeuvre de Hendrik de Vriesprijs. Een late erkenning van wat alom wordt beschouwd als een belangwekkend en diepzinnig dichterschap.

De bundel bevat gedichten geschreven tussen 1961 en 1992. Wat Jellema, toen hij ze allemaal zo achter elkaar zag staan, verbaasde was, dat er zo opvallend veel samenhang in zijn gedichten zit. 'Zelfs in mijn jeugdwerk herkende ik de thema's die me altijd zijn blijven bezighouden.

'Een belangrijk thema is wat je zou kunnen noemen: behoefte aan ontgrenzing. Het verlangen volledig op te gaan in mijn omgeving. Het verlangen naar het opheffen van het ik.' Het verlangen naar wat hij soms 'ik-oplossing' noemt maar meestal: 'er zijn'.

er zijn. Zo simpel wordt symbool een tuin:

die boom ben ik, het bilzekruid mijn buur,

grondwater voedt mijn voet, wind kamt mijn kruin.

Even vereeuwigd lijkt het of voor goed

een plant mijn zorg wordt, denken weer natuur.

Jellema verontschuldigt zich: 'Het is een wat abstract begrip, dat ''er zijn''.' Maar wat hij ermee bedoelt zegt het gedicht natuurlijk exact. Het stáát er.

Hij wordt zijn tuin. En denken weer natuur.

Dat laatste is belangrijk, want dat denken is het, dat altijd in de weg zit tussen de wereld en de dichter. Jellema: 'Je legt altijd over de wereld om je heen een soort waas van dromerij. Tenminste dat doe ik wel. Dat doe je altijd. Het feit alleen al dat je met een bepaalde verwachting ergens naartoe gaat, daarmee leg je al iets heen over wat je gaat beleven.'

Als je dat denken eens zou kunnen uitschakelen. 'Het lijkt me fantastisch als je helemaal absoluut onbevangen naar iets kunt toegaan. Alleen maar ''kijken'' zijn. De dingen zien zoals ze werkelijk zijn. Maar echt helemaal blanco staan temidden van alles om je heen, het op je af laten komen, het tegemoet treden, dat kan toch niemand?'

De dichter gaat naar buiten, roept: 'kom', maar de planten geven geen woorden als antwoord.

Mensen verzwijgen. Planten zwij gen van

zichzelf. Hun waarheid hoeft geen woorden om

te zijn. zo onverborgen in hun stom

groenzijn, dat men over hen lopen kan

zonder pijn, zonder enige bekom-

mernis dat zij gedroomd zijn in 't uitspan-

sel van gods denken en niets anders dan

als groei antwoord op ons verlangen: kom.

En toch hunkert de dichter naar antwoord. Dat is erotiek. Jellema: 'Erotiek in de ruimste zin, in de betekenis: je aangetrokken voelen tot. In die zin kan ik met een bepaald schilderij iets erotisch hebben. Maar ook een bepaalde natuurbeleving heeft dat, of de naam ''Hölderlin'', die vind ik buitengewoon erotisch - een prachtige klank.

'En ook erotiek in engere zin, je aangetrokken voelen tot een ander mens, is een vorm van dat verlangen naar opgaan in, naar ik-oplossing.'

Want geliefden zijn de mensen die nooit een zullen worden, maar niets liever willen dan dat. Tweelingbroers, noemt Jellema ze vaak in zijn gedichten.

Ook jij bent bloed, vlees, buik met darmen,

een buidel door Apollo vastgesjord.

Als je voor mij je lendenen ontgordt

zal ik dat alles hebberig omarmen

. . .

Nooit zoon en vader, van hetzelfde wezen,

hoe je ook hebt geleefd en ik gelezen,

jij bent op mij en ik op jou jaloers,

vergeefs verbondenen die, tweeling broers,

gewaande wederhelft, het wonder willen:

ooit weg te wandelen in elkaars bil len

Dichterbij elkaar dan tweelingen kom je niet. Het is uitzichtloos, dromen van een wonder. Het is treurig?

Jellema: 'Ach, als wij als mensen niet zouden lijden aan het bestaan dan was er ook geen kunst. We lijden allemaal toch een beetje aan het bestaan? U niet?

'Het is toch nooit af, nooit volmaakt? Je wordt altijd een beetje teleurgesteld in je verwachtingen. Of niet? Hebt ú nou het gevoel dat alles is zoals u het graag zou willen hebben?'

In het tijdschrift Maatstaf verschenen onlangs enkele gedichten van Jellema. Gedichten uit de bundel die hij zojuist naar zijn uitgever heeft gestuurd en die Nieuwe gedichten moet gaan heten. Behalve sonnetten - een geliefde vorm voor Jellema - ditmaal ook gedichten in de vrije vorm. Jellema: 'Gedichten van ruimere adem, associatiever, sterk gedragen door beelden, aangevuld met reflectie.' Zo wil hij ze voortaan vaker schrijven.

Hij lijkt op dit moment vooral tevreden met het lange, verhalende gedicht Gesprek met Giov. Bellini. Jellema: 'Mocht ik nou doodgaan dan zou ik zeggen: dat beschouw ik als mijn testament. In dat gedicht staat heel veel dat mijzelf aangaat. Het zou een soort summa van mijn werk kunnen zijn. Het stelt vragen aan de kunst; de vraag wat kunst vermag, wat kunst betekent; en de vraag in hoeverre zich in kunst iets metafysisch openbaart.

'En ten slotte loopt het gedicht uit op een ingrijpend soort verzoening met het feit dat ik gebonden ben in tijd en plaats, aan dìt lichaam, op dìt moment, en aan een leven dat eindigt.'

ik heb vandaag de perken schoonge maakt, rond om de rozen

speenkruid gewied, de diepe wortel van

de paardebloem gestoken, vogels flo ten

groenling en koolmees, winterko ning, lijster;

mijn handen dachten en ik was het oor

van deze voorjaarsdag, mijn luiste rende zin,

met ogenblik verzoend en plek, met lichaam, zondeval.

'Er is iets veranderd in mijn kijk op. . . nee, in mijn beleving van de werkelijkheid. Ik heb jarenlang geleefd met het besef dat Het nog moest komen. Het, dat was de vervulling, of de openbaring van iets. Het doel. Het. Maar doordat ik achter dat Het aanjoeg, leefde ik voor mijn gevoel altijd voorbij aan het moment zelf, aan wat er is op het moment dat je praat.

'Op een gegeven moment werd ik met schrik, bijna angst zelfs, wakker: als ik zo doorga heb ik mijn leven lang aan alles voorbijgeleefd. Vanaf dat moment heb ik als het ware mezelf tot programma gemaakt - ikzelf, nu, hier, op dit moment.

'De verzoening met het leven nu, en hier, is voor mij nu een thema. En de vraag of kunst die verzoening teweeg kan brengen.'

Jellema werkt nu aan een vertaling van het Buch der göttlichen Tröstung, Over de goddelijke vertroosting van de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart (1260-1327). Een filosoof, een helder denker, en bovenal ook een dichter, meent Jellema.

'Ook bij Eckhart gaat het altijd weer om de vraag: in hoeverre kun je met taal, en met beelden in taal en met woorden die soms aan de rand van het nog zegbare of begrijpbare staan, iets vangen van een andere werkelijkheid? En bestáát die andere werkelijkheid? Bij hem voel je dat aan de zinsconstructies, aan de beelden. Soms heb je het gevoel: hij barst uit de syntaxis. Omdat hij iets wil zeggen waarvan hij noties heeft, maar die hij in de gewone taalstructuren niet kan vangen.

'Eckhart zelf heeft voor God uiteindelijk alleen nog maar begrippen als Wueste, of Abgrunde, woestenij of afgrond. Wat overblijft is een notie van een goddelijk oerbegin. Een oorsprong waar wij nog steeds deel aan hebben als creaturen, en waarin wij zullen terugkeren.

'Ook ik geloof niet in een persoonlijke God maar wel in een. . . hè, dat is altijd weer het gebrekkige van taal! Ik wou zeggen: bovenwereld. Maar als je dat woord bovenwereld gebruikt, denk je dat ruimtelijk: daarboven ergens heb je de bovenwereld, en hier beneden heb je déze werkelijkheid. Maar die bovenwereld zit ook ìn ons, die zit ook in de dingen, in de hele kosmos zit die bovenwereld.

'Dat is niet zozeer een kwestie van geloof maar van een soort levensbesef.

'Ik snap mensen niet die de wereld nemen zoals die is. Puur materialistisch. Mensen die denken: het is nu eenmaal zo en verder niks; zolang je leeft ben je er en daarna niet meer. Ik snap niet dat je zo kunt leven.

'Eigenlijk is toch alles ongelooflijk verwonderlijk. En het feit dat wij ons kunnen verwonderen is toch ook buitengewoon verwonderlijk?

'In het vermogen tot verwondering zit opgesloten dat we toch niet helemaal zonder meer in deze wereld thuis zijn? Kan dat? En waar zijn we dan wèl thuis?

'De mens wordt altijd door vragen achtervolgd, en antwoorden op die vragen krijg je nooit.'

Voor het raam van zijn werkkamer slingeren knoestige rozetakken zich om een witte ijzeren boog. De hele voortuin is kaal en stokkerig. Jellema verzamelt oude rozesoorten.

'Als u hier half juni zou komen, en alles staat hier in bloei, dan is het net een grote bokaal van geur en kleur. Het duurt maar drie weken, want het zijn geen doorbloeiers, die oude soorten. Maar het is schitterend. Als ik dan uit het dorp aan kom fietsen ruik ik de rozen al vijftig meter voor de tuin.'

Zo schept Jellema hier zelfs - al is het maar drie weken in het jaar - zijn eigen lucht. Uit zijn eigen tuin waarin elke plant bestaat bij de gratie van de tuinman, en groei het antwoord is op de zorgen van zijn hand. Dichterbij de werkelijkheid kun je niet komen.

Alleen misschien onder het dichten zelf. Als de woorden ergens uit de bovenwereld in de dingen tevoorschijn komen als rozen in juni, en het gewone denken uitgeschakeld is.

Jellema: 'Een gedicht maken is een vorm van werkelijkheidsbeleving. Het is een manier van ''er zijn'' die heel intens is, die ik ook heel intens beleef. Ik denk dat ik zelden zó het gevoel heb er te zijn als bij het maken van een gedicht. In die zin is het een soort creëren van werkelijkheid.'

Van dergelijke krasse uitspraken schrikt hij zelf meteen een beetje. 'U dwingt me nou om dat soort dingen te zeggen. . .' klinkt het bijna verwijtend.

De dalende zon glinstert op de weidse akker die van de overkant van de straat naar de horizon loopt. Veel tarwe zal daar niet vanaf komen, dit jaar, zegt Jellema. De akker staat half onder water. De sloten zijn gedempt, en daarna is het land met bulldozers geëgaliseerd zodat de boer er met zijn grote machines makkelijker uit de voeten kan. Maar de bulldozers hebben de aarde nu zo vast aangedrukt dat het water niet meer wegkan. 'Het duurt zeker vijf jaar voordat de structuur van dat land zich heeft hersteld.' Er klinkt voldoening in zijn stem.

Zo is het. Het land wordt verpest uit louter economische winzucht. Boeren pletten het land om met hun grote combines beter uit de voeten te kunnen, de hele provincie zakt razendsnel weg door de gasboringen, en de NAM wil weer nieuwe boortorens neerzetten in de Waddenzee.

Het moet eens uit zijn, vindt Jellema. Hij gaat in de politiek.

'Ik ga een nieuw maatschappelijk engagement aan, hopelijk. Ik sta bij de statenverkiezingen op de lijst van de Groenen.

'Ik weet dat de tijd ongunstig is voor mijn boodschap, maar het kan me niet schelen als ze me uitlachen. Dan heb ik het tenminste eens gezègd. Ik wil niet het gevoel hebben dat ik mijn mond heb gehouden.'

Nu je herinnering, hier, op dit vlak ke

Groninger land, in dit huis op de wind,

onherbergzaam: hier ben je als ie mand

die thuis is, niet bang voor wat komt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.