Dichten voor wie niet lezen kan

Tien jaar lang zweeg de gelauwerde Mustafa Stitou, tot dit voorjaar opeens de sterke bundel Tempel verscheen. Nadrukkelijk aanwezig: zijn afwezige vader. De dichter begeleidt hem naar het graf. 'Hij kende die gedichten niet eens. Toch hoort hij wat ik zeg.'

Het is een valkuil bij het dichten: de wil die denkt de verbeelding te kunnen onderwerpen, zegt Mustafa Stitou (Tétouan, Marokko, 1974). De regel waarmee hij in januari, ruimschoots voor de deadline, worstelde en waar hij geen sikkepit mee verder kwam, luidt: Kniehoog moedertje klim in mij. Daaruit moest toch een gedicht voor de nieuwe bundel kunnen voortkomen. Maar het kniehoog moedertje gaf niet mee, er viel geen land mee te bezeilen.


'Die regel had me getriggerd en begeesterd en waarom gebeurde er nu niet zo veel?' Op een avond toen hij in bed lag te lezen, wist hij ineens het antwoord. 'Het hoeft niet meer. Wat je nu nog wilt schrijven, het hoeft niet meer. De bundel is klaar.'


Tempel, een nauwgezet gecomponeerd corpus van 27 gedichten, is de vierde bundel van Mustafa Stitou en opvolger van het met lof en fanfare onthaalde Varkensroze ansichten (2003). Tien jaar zit er tussen de twee bundels. Een behoorlijk lange tijd, besefte hij toen zijn nichtje, 'een bijdehand, slim kind', onlangs tegen hem zei: 'Tien jaar? Ik ben ook tien.' Een mens wordt in dezelfde tijd groot, van een baby een eigenzinnig meisje. Tegelijkertijd is het voor hem niet iets om verantwoording over af te leggen of moeilijk over te doen. Het gaat zoals het gaat. 'De meeste dichters publiceren om de drie, vier jaar een bundel en iemand als Martin Reints, wiens werk ik erg bewonder, heeft wel eens elf jaar gewacht. Het kan allebei.' De poëzie kent zijn eigen jaartelling, wil hij maar zeggen. 'De gedichten houden zich als het ware op buiten de tijd.'


Mustafa Stitou is een bedachtzame prater. Vraag hem of er in Tempel iemand aan het woord is die grondig opruimwerk te doen had of misschien wel met iets of iemand wilde afrekenen, en het blijft lang stil. 'Moeilijke vraag', zegt hij uiteindelijk. 'Daar moet ik over nadenken.'


Ter verduidelijking: de dichter heeft zijn werk nog maar net de wereld in gezonden. Hij staat er nu weliswaar 'buiten', maar nog niet genoeg. 'Als je je eigen arm streelt, voel je dat nauwelijks, het is in elk geval geen sterke sensatie. Maar als een ander dat doet, is het gevoel veel sterker.' Daarom ook leest hij besprekingen aandachtig. 'Een recensie bestaat naast een oordeel ook uit interpretatie. Daar ben ik vooral benieuwd naar.'


Zo heeft hem in de eerste reacties de indruk verrast dat Tempel een 'donkere bundel' is, terwijl er volgens hem toch ook 'een bepaalde lichtheid' in zit. 'Waar het denk ik mee te maken heeft: in deze bundel heeft het ik van de dichter een stap terug gedaan, waardoor de lezer meer de ruimte krijgt zijn eigen, misschien wel donkere wereldbeeld op de gedichten te projecteren.'


Erg vrolijk begint het inderdaad allemaal niet. Wel prachtig, teder en liefdevol: Op mijn rug torste ik de doodskist waarin mijn vader lag, met de zoon die zijn vader naar zijn graf draagt, bijna bezwijkt onder de last en de vader vraagt een eindje mee te lopen voordat hij hem zonder kist in de aarde te rusten legt. Hij moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen, dacht ik, richting Mekka. Gelukkig vraagt hij me niet waar het oosten is, want ik weet het niet.


Opgeruimder gaat het in de laatste sectie toe, die in zijn geheel lyrischer en magischer en misschien wel meer bezwerend van aard is - de kwalificaties zijn van Stitou zelf. En daar duikt in de hekkesluiter Twee halve gezichten heb ik... de Vader weer op, als opvoeder en regelgever, en ventileert de ik 'met pretoogjes' zijn eigen levensgevoel in weerwil van die twee halve gezichten: Vergeet het verschil/ en je zult identiteit vinden.


Ettelijke koeien en vogels zijn dan gepasseerd, net als een verhandeling over kosmetische ingrepen benevens allerhande religieuze zaken (De Rooms-Katholieke Kerk is van plan / het voorgeborchte af te schaffen, / lees ik in de krant). En het titelgedicht Tempel blijkt een ode aan die andere instelling van levensbelang die onder druk staat: de bibliotheek. Er staan heelallen op de planken / droefenis stelpende alfabetten / de letters der ketters vliegen klapwiekend op / de rede beent over water...


Zijn kennismaking met de poëzie dateert uit zijn vroege kindertijd, vertelt Stitou. Vanaf zijn zesde ging hij wekelijks op woensdagmiddag naar de koran-school. Die school had één doel: 'De Koran in je kop stampen, meer niet.' Hij deed het ijverig: een soera op zijn houten plankje schrijven, die vervolgens eindeloos opzeggen en repeteren, op de grond met dat bordje op zijn schoot totdat hij de soera uit zijn hoofd kende, die foutloos voordroeg voor de imam en als beloning permissie kreeg de tekst weg te wassen voor de volgende.


De waardering die hij ervoor kreeg van zijn ouders was voor hem net zo goed een drijfveer als de belofte deelgenoot te worden van een geheim. 'Je moet je voorstellen dat er nauwelijks uitleg bij zat. Thuis leerde je wat mag en niet mag, over het ontstaan van het leven, het hiernamaals, dat soort dingen. Op de koranschool deed je niets anders dan teksten onthouden aan de hand van klanken. Het was in zekere zin ook een vreemde taal, want het was niet het Marokkaans-Arabisch dat thuis werd gesproken.


'De Koran heeft 114 soera's, korte en lange. En als kind begin je met de korte. Daar zitten veel woord- en klankherhalingen in. Veel later pas krijg je mondjesmaat uitleg over de betekenis. Maar het is ook weer niet zo dat je helemaal niet weet wat die woorden betekenen. Sommige woorden herken je, woorden als zon, aarde, dood. En je weet intuïtief dat dit teksten zijn die over heel belangrijke dingen uit de wereld van de volwassenen gaan.'


Een soort poëzie dus. Een magische wereld van taal. Voor hem was het niet minder dan een homecoming, toen er op de middelbare school eindelijk eens een gedicht op het programma stond. Waar klasgenoten niet wisten wat ze ermee aan moesten, kon hij alleen maar denken: ja, dit ken ik. Sterker: hij vond het 'gewéldig' én schreef zelf ook toen al gedichten alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.


Onlangs kreeg hij een telefoontje van een van zijn zussen: ze had het schriftje gevonden waarin hij als dertienjarige zijn allereerste gedichten schreef. En ze had er een paar voorgelezen aan de telefoon. Wat hem opviel? Ze waren helder, kort en observerend, zegt Stitou. 'En ze gingen niet over het meisje waar ik stapelgek op was, maar over mijn vader.'


Zijn moeilijke vader, die depressief geworden was. Eentje kent hij er uit zijn hoofd: Bij elke stap denkt hij na / Bij elke stap heeft hij spijt / Wat als zijn leven één stap is?


Is het thema van de vader, zo nadrukkelijk aanwezig in zijn werk, toen geboren? 'Misschien wel. Mijn vader is voor mij altijd heel onbereikbaar geweest. Hij was ook vaak afwezig toen ik klein was. Dan ging hij ineens weer voor langere tijd naar Marokko. Het is dus niet vreemd dat de goddelijke vader, die tegelijkertijd aanwezig en afwezig is, en de echte vader elkaar in sommige opzichten gaan overlappen in het hoofd van het kind.


'Dat vaderthema ontstijgt natuurlijk het strikt autobiografische, anders is het ook niet interessant. Maar ik heb altijd erg mijn best gedaan de kloof die er tussen ons bestond op te heffen, zowel in het echte leven als in de poëzie.


'In mijn vorige bundel staat een lang gedicht waarin ik het woord tot hem richt. De ironie is: mensen hebben het gelezen en zijn er misschien door geraakt, maar hij niet. Hij kon niet lezen en kende niet eens het bestaan ervan. Toch is hij in het gedicht aanwezig op de een of andere manier, en hoort hij wat ik zeg.'


Zeven jaar geleden is zijn vader overleden. En nu begeleidt, in het openingsgedicht van Tempel, de zoon de vader naar het graf.


Ze lopen samen op, de vader 'spottend-medelijdend, zoals altijd' voorop, de zoon er zwijgend achteraan. Is het met andere woorden na deze bundel klaar met de vader?


Een korte grinnik, gevolgd door een grote stilte. 'Nu snap ik je vraag over het afrekenen en het loslaten', zegt hij.


Nog meer stilte. 'Ik weet het niet. Dat zal moeten blijken.'


Mustafa Stitou: Tempel

De Bezige Bij; 64 pagina's; euro 16,50.


POETRY INTERNATIONAL FESTIVAL

Mustafa Stitou treedt op tijdens het 44ste Poetry International Festival in de Rotterdamse Schouwburg, van 11 tot en met 15 juni.


Info: poetry.nl


ZES TIPS VAN MUSTAFA STITOU VOOR POETRY INTERNATIONAL

John Ashbery (VS, 1927)

'Van deze zes is hij de enige wiens werk ik al lang ken. Het trekt me aan en stoot me af, het fascineert en irriteert. Het heeft iets willekeurigs in mijn ogen, maar ook iets dwingends. Ik kan er niet goed vat op krijgen. De interne logica ontgaat me, ook intuïtief. Toch intrigeert het. Hij is niet zelf in Rotterdam, maar zijn werk zal veel aandacht krijgen.'


Adonis (Syrië/Frankrijk, 1930)

'Ik ben erg benieuwd naar de voordracht van deze reus in de moderne Arabische poëzie. Van zijn oeuvre is nauwelijks iets in het Nederlands vertaald. Hij is een lyricus en een geëngageerde vrijdenker, die misstanden aan de kaak stelt. Op het festival wordt ook de documentaire Het afwezige land vertoond, een portret van Adonis door John Albert Jansen.'


Elke Erb (Duitsland, 1938)

'Haar gedichten hebben het compacte dat veel Duitse poëzie heeft, soms tegen het cryptische aan, maar ze zijn vaak ook geestig en speels. Haar beelden kunnen verrassend zijn: 'Haal me hieruit!',/ gilt de haas, tuurt/ uit zijn vacht. Hoe draagt ze voor? Ongedwongen, levendig, of juist kalm, met een ironische ondertoon?'


Michèle Métail (Frankrijk, 1950)

'Op YouTube zag ik een voordracht van haar uit 2002. Zij maakt gebruik van beeldende vormen, zoals fotografie en schilderkunst. De performance lijkt me een essentieel onderdeel van haar werk. Een dichteres die de grenzen opzoekt van de poëzie.'


Kwame Dawes (Ghana, 1962)

'Kwame Dawes, woonachtig in Amerika en opgegroeid in Jamaica, is behalve dichter de auteur van de eerste serieuze studie naar de teksten van Bob Marley. In zijn werk zijn de beat en de pulse van de zwarte muziek onmiskenbaar aanwezig. Zijn heldere gedichten zijn lyrisch en vertellend, en hij draagt indrukwekkend voor, swingend en gedragen.'


Ilya Kaminsky (USSR/VS, 1977)

'Hij schreef een lang, lyrisch gedicht: Musica Humana, dat als ondertitel heeft 'een treurzang voor Osip Mandelstam'. Deze ode aan de grote Joods-Russische dichter is in het Nederlands vertaald door Menno Wigman. Volgens hem weet Kaminsky met zijn voordracht tot tranen toe te roeren.'


VARKENSROZE ANSICHTEN

Mustafa Stitou (Tétouan, 1974) is een Nederlandse dichter van Marokkaanse afkomst, die in Amsterdam woont. Hij groeide op in Lelystad. Hij publiceerde vier bundels: Mijn vormen (1994), Mijn gedichten (1998), Varkensroze ansichten (2003) en Tempel (2013). Voor Varkensroze gedichten ontving hij in 2004 de Jan Campertprijs en de VSB Poëzieprijs. Mustafa Stitou was in 2009 stadsdichter van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden