'Dichten is het enige wat helpt'

Willem van Toorn (1935) schreef behalve tal van verhalen en romans acht poëziebundels. Onlangs verschenen die in één band: Gedichten 1960-1997 (Querido; fl 65,-)....

M

ISSCHIEN IS HET zo gek nog niet om dichter te zijn, is de onwillekeurige gedachte wanneer je met Willem van Toorn kennismaakt. Dit is geen gekwelde en zoekende geest, maar veeleer een bescheiden maker, die rustig zijn tijd verdeelt tussen vertalen en het schrijven van romans, essays, kinderboeken en gedichten.

Op het eerste gezicht is aan deze bedaarde dichter in Oud-Zuid ook niet af te zien hoe woedend hij zich met name in zijn essays kan maken, vooral wanneer het gaat over het Hollandse landschap en wat men daarmee uitspookt. Maar ook in zijn poëzie komt de woede zo nu en dan aan de oppervlakte. Het meest schrijnend gebeurt dat in de reeks 'Eiland', waarin het gaat over een gruwelijk krantenbericht: een familie wordt doodgereden zonder dat iemand stopt. Die wreedheid wordt begaan door mensen als wijzelf: 'Dit waren gewone mensen/ op zondag terug van oma/ of de kinderfilm in het zaaltje.'

Van Toorn zelf ziet inderdaad vooral in zijn latere poëzie 'boosheid over hoe de wereld zich voordoet'. In het begin was dat wel anders: 'Het is heel sterk van binnen naar buiten gegaan; de vroegste gedichten heb ik geschreven toen ik heel jong was, een jaar of twintig. Daarin zie je een individu met schroom en argwaan tegen de buitenwereld, terwijl die wereld in mijn latere gedichten wel binnen mag komen.'

In de eerste gedichten ging het vaak over ingesneeuwde huizen en het verlangen naar een winterslaap. Zelfs het kleine dorp was daar geen veilige plek, met de 'voorlopige straten' en het 'boos café'. Men verstopte zich achter de gordijnen en zelfs de postbode moest maar liever wegblijven. 'Liever geen berichten uit de buitenwereld, nee. Het zijn gedichten uit de jaren vijftig en daar zijn ze door getekend. Dat was een rare tijd, waarin we in zwarte truien gebogen zaten over Sartre en de dreiging van de Koude Oorlog voelden. De existentiële angst uit die tijd is later woede geworden.'

De angst lijkt toch ook in sommige latere gedichten nog een rol te spelen. Neem nu het gedicht 'Huis': 'Je huis was zijn eigen ruïne voor het gebouwd was: muren/ gedroomd in het niets.'

'Dat is geen angst, maar een filosofische kwestie', zegt van Toorn. 'Ik bedoel: kun je er zeker van zijn dat al die decors en steden die wij bouwen, dat dat de echte wereld is, of blijf je dat heel wezenlijk betwijfelen? Die twijfel is een van de motoren van al het maken. De dingen moeten steeds nieuw gemaakt worden om houvast te hebben. Dichten is het enige wat helpt.'

- Zelfs de meest vanzelfsprekende dingen lijken in het gedicht geconstrueerd te moeten worden. Zodat er een kunstmatig vredig gebied ontstaat, waarin de dingen wél zeker zijn? Zoals in de regels: 'Ademloos thuisgekomen/ zet ik gauw een gezin/ overeind in mijn ogen.'

'Je gebruikt de taal als hulpmiddel tegen het voorbijgaan. En dat werkt, tenminste voor zolang het gedicht duurt. Als je de hele dag bij iemand in bed zou kunnen liggen, dan hoef je geen gedichten te schrijven. Maar zulke ervaringen van geborgenheid zijn schaars. Ik heb ooit een televisie-interview met Hans Faverey gemaakt. Hij wilde nooit veel loslaten over zijn werk, maar toen zei hij, op de vraag waarom hij poëzie maakte, ineens: ''Omdat ik hartstikke bang ben voor de dood.'' Tot mijn verbijstering. En dat is natuurlijk zo. Dat is in wezen de chaos die beheerst moet worden. Als je diep gelovig bent hoeft dat niet, dan kom je met zingen van psalmen een heel end. Zonder systeem, of dat nu religie is of poëzie, kan je niet accepteren dat de dingen om je heen verdwijnen, dat er mensen verdwijnen, en dat je zelf verdwijnt.'

- De titel van uw laatste bundel, 'Tegen de tijd', zou ook op uw hele oeuvre kunnen slaan: de poëzie als een voortdurend verzet tegen het verlies en het verval. U heeft zelfs enkele gedichten geschreven waarin overleden vrienden weer tot leven worden gewekt.

'In het gedicht kan dat, omdat het te máken is. Dat de dood wel de dood is, maar toch ook in zekere zin niet. Ik heb geen neiging tot het Jenseitige zoals Achterberg; ik hoef niet naar de andere kant, maar ik kan de doden wel hiernaartoe halen. Dergelijke gedichten zijn niet uit op troost, maar op het delen van een ervaring, van bewogenheid. Die ontroering moet via de poëzie, moet uit het artificiële beeld komen, dat kan niet anders. Het heet niet voor niets kunst. Het is het kunstmatige dat de gang mogelijk maakt tot de ervaring. Het gedicht ''Tekens'' gaat over radeloosheid: iemand was er, die is weer weggegaan, en hoe krijg je die nu weer terug, in een gedicht? Hoe hou je de boel bij elkaar?'

- En de taal is daartoe in staat?

'Wat voorstelbaar is, wat gezegd kan worden, dat is waar: voor de duur van het gedicht is iets waar. Het gaat erom wat wij ons kunnen voorstellen. Dat kan met taal eigenlijk beter dan met beeld. Dat je tegen de lezer zegt: kijk, dit zijn mijn dochters, ooit fietsten ze hier, en ooit zullen ze zijn verdwenen, maar nu zitten ze in jouw hoofd. Het is zo. Al ga je op je kop staan; het is er even.'

- U gebruikt vaak het woord 'decor' voor alles wat ons omringt. In de gedichten blijkt de buitenwereld er vaak uit te zien als een toneel of een schilderij: 'coulissen van bossen staan/ geschilderd op hellingen'. Zou je in deze afbeelding van de buitenwereld een ontmaskering kunnen zien, een ontmaskering van de wereld als fictief?

'Ja. Al vanaf mijn eerste gedichten heb ik het besef dat we de wereld door middel van taal en beelden opbouwen. Zonder in de afgezaagde discussie te willen belanden over de werkelijkheid die niet zou bestaan, kun je wel de wereld als een teken zien. Het landschap is daar een goed voorbeeld van: dat heeft een zekere leesbaarheid, daarin staat geschreven wie we zijn, wat we gedaan hebben, wat we gedacht hebben. Het postmodernisme heeft duidelijk gemaakt dat je ook op een afstandje van de wereld kunt gaan staan en zeggen: het zijn eigenlijk allemaal opvattingen. We lopen hier in tekenen van anderen rond.'

- Is dat geen kille benadering van de wereld, als een artificiële constructie, geheel opgetrokken uit taal, ideeën of beelden?

'Ik heb juist het gevoel dat het heel rijk is. Een van mijn gedichten begint met de regel: ''Het landschap hier weet dingen van ons af.'' Ik vind dat een heel aangenaam beeld, dat je sporen achterlaat in de wereld waarin je leeft. Het landschap bestaat niet zonder onze aanwezigheid daarin. Daarom kun je ook nooit een historisch landschap weer herstellen. In de reeks ''Een beek maken'' gaat het over een gebied in Oost-Groningen waar tot de jaren vijftig een prachtig bekenlandschap was geweest, dat men weer wilde reconstrueren. Dat gebeurt dan op allerlei rationele manieren, oude kaarten worden naast elkaar gelegd. Mijn stelling is dat het zo niet werkt. Het échte beeld van hoe dat landschap was, zit in het hoofd van twee mensen die daar een keer hun fietsen hebben neergelegd en hebben liggen vrijen in het gras. Dat beeld probeer ik in de poëzie tot leven te brengen.'

- Nu alle gedichten in één bundel zijn ondergebracht, blijkt niet alleen de inhoud van uw gedichten, maar ook de vorm al vanaf het begin bepaald te zijn geweest: redelijk traditionele poëzie met soms rijm of een vast metrum.

'In de jaren vijftig was zo'n vaste vorm heel uitzonderlijk, behalve Leo Vroman was ik de enige die dat deed. Voor mij werkte het free verse van de Vijftigers niet. Het principe van een vaste vorm, mits niet al te dwingend gehanteerd, kan ervoor zorgen dat er in het gedicht niet alleen een denkproces aan de gang is, maar ook altijd een muzikaal proces. Niet de gedachte of het onderwerp stuurt dan het gedicht, maar de vorm.

'Klank, ritme en rijm zijn samen een net dat allerlei mogelijkheden uit je naar boven vist. Die waaier van mogelijke associaties is het aantrekkelijke van een vastere vorm. Het gedicht zegt als het ware iets terug, waar je heel goed naar moet luisteren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden