Dichten als morele opdracht

Hij maakt poëzie, maar heeft nauwelijks lezers. Aan kleine groepen studenten geeft hij klassieke talen. Piet Gerbrandy over vrijwillig leven in de marges.

Alles om Piet Gerbrandy heen lijkt af te brokkelen. Hij is gelauwerd dichter, maar van 'terecht onverkoopbaar' werk, zoals hij zelf zegt in de bundel Krang en zing (2006). Hij is ook de poëziecriticus die, zegt hij, ooit van zijn werkgever (de Volkskrant) te horen kreeg dat er nog maar eens in de zes weken een klein stukje gewenst was. Daar bedankte hij voor.


'Een rariteit', zo voelde hij zich na twintig jaar lesgeven op een middelbare school. In Winterswijk, zijn afgelegen woonplaats, was hij misschien wel de laatste ambachtelijke docent. 'Ik was de enige die nog huiswerk opgaf. De leerlingen maakten dat ook niet meer, want die dachten: dit is zó raar.' Leraren Nederlands lazen geen boeken meer, scholieren volgden gauw. Hij nam er ontslag.


Nu is hij, naast publicist en essayist, geliefd docent aan de opleiding Grieks en Latijn van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Maar ook dit was bijna verleden tijd. Na zes jaar zou zijn tijdelijke contract niet verlengd worden. Toen 1.300 mensen de petitie 'Behoud David en Piet, zonder hen redden we het niet' tekenden - docent van het jaar David Rijser was ook ontslagen - en de decaan zich achter hen schaarde, mocht hij toch blijven.


Werkt u nog prettig op de universiteit, na zo'n voorval?

'Hier en daar zijn harde woorden gevallen en wonden geslagen, maar de sfeer is niet verzuurd. Waarmee ik niet wil zeggen dat de Universiteit van Amsterdam een ideale werkgever is. Maar ik kan het werk doen dat ik leuk vind. In deze economisch onduidelijke tijden is het handig om zoiets te hebben. Mijn freelance-inkomsten als dichter en essayist zijn in de afgelopen jaren zo gekelderd, het is nog geen kwart van tien jaar geleden. Toen kon ik moeiteloos zonder baan in mijn levensonderhoud voorzien, maar dat kan nu echt niet meer.'


Hoe komt dat?

'De vraag is minder. De boekenbijlagen van kranten zijn kleiner geworden of verdwenen. De literaire tijdschriften die nog zijn overgebleven, betalen minder. Maar ook uitgevers zijn voorzichtiger geworden.'


Dus het zijn de media? Is de rol van poëzie niet kleiner geworden, de afgelopen twintig jaar?

'De aanwezigheid van poëzie in de openbare ruimte is alleen maar groter geworden. Een dichter des vaderlands was er twintig jaar geleden niet. Ramsey Nasr doet dat goed, op een manier die aanspreekt. De VSB Poëzieprijs trekt veel media-aandacht, met een heel circus eromheen. Je hebt de Poëziekrant in Vlaanderen en poëzietijdschrift Awater. Niet dat het zulke goede bladen zijn, maar ze zijn er. Een dichter op televisie, twintig jaar geleden? Ik geloof het niet. Een heel enkele keer.'


En de poëzie die u bedrijft, de 'moeilijke'?

'Zouden er vroeger veel meer liefhebbers zijn geweest? Daar geloof ik helemaal niets van. Het zou wel anders kunnen. Van mijn bundels worden er driehonderd verkocht. Dan mag je blij zijn. Maar potentieel denk ik dat er wel tienduizend lezers voor gevonden kunnen worden. Het probleem is dat een uitgever pas gaat adverteren als je zelf al tienduizend exemplaren verkoopt. Maar zolang je tot het, in hun ogen, 'marginale circuit' behoort, doen ze niets voor je.'


Maakt het u uit als maar driehonderd mensen uw gedichten lezen?

'Nee, daar ben ik niet mee bezig. Liever driehonderd lezers dan geen. Poëzie die iets wil doen dat nog niet gedaan is, die grenzen verkent, vind ik altijd interessanter dan poëzie die op herkenbaarheid speelt. Het is jammer dat er nu eenmaal weinig lezers voor zijn, maar het draagt bij aan het algehele niveau van een kunst.'


Kan poëzie met zo'n klein publiek dan wel 'omroeper van oproer' zijn, naar de Lucebertiaanse titel van een van uw essaybundels?

'Poëzie zet een kleine groep lezers aan het denken, en hopelijk is het effect sterk genoeg om als kringen op het water uit te dijen. Iedere kunstenaar werkt, als het goed is, mee aan het grote culturele project van bewustwording, aan vergroting van sensitiviteit, intellectuele groei, en uiteindelijk politieke actie. Ik zie mijn eigen bijdrage daarin als een morele opdracht.'


Poëzie of recensies zijn tegenwoordig niet meer het middel om de hele samenleving van iets te doordringen.

'Nee, dat niet. Maar het beklijft wel heel erg. Ik denk dat poëzie voor een potentieel zo marginale kunst echt een behoorlijk mooie positie in de maatschappij heeft.'


Ik vind u heel optimistisch over het Nederlandse volk en zijn kunstbehoefte.

'Misschien is mijn beeld vertekend.'


Ik ken niemand die moderne poëzie leest. Dat ligt niet aan de verspreiding ervan, in Amsterdam is die goed geregeld.

'Vergelijk het met honderd jaar geleden. Toen kon de helft van Nederland niet eens lezen, bij wijze van spreken. We kunnen niet allemaal hoogopgeleid zijn.'


Toen Gerbrandy in de jaren zeventig Grieks en Latijn ging studeren in Leiden, dacht iedereen dat het gymnasium snel afgeschaft zou worden. Dertig medestudenten waren even eigenwijs als hij, misschien wel op zoek naar dat 'gevoel van exclusiviteit' dat Gerbrandy ook aantrok. Anno 2012 barsten de gymnasia uit hun voegen.


Omdat iedereen graag Latijn wil leren?

'Nee, omdat je hier wordt opgevoed tot iemand die weet dat er zoiets als Bildung bestaat.'


Wat zocht u aan de universiteit?

'Ik wilde vooral níet iets nuttigs doen. Ik had klasgenoten die geneeskunde of rechten gingen studeren, daar keek ik diep op neer. De wereld van de geest staat ver boven het gewemel van economische zaken, dacht ik romantisch.'


Vindt u dat nog?

'Ik kan me niet voorstellen dat het werk op de beurs of met geld dezelfde soort hartstocht kan losmaken als de dingen waar ik mee bezig ben. Juist omdat het heel fundamentele dingen zijn, de grondslagen van taal en communicatie. Ik probeer tot de bodem te gaan. Dat is toch een voorrecht? Je diepste intellectuele behoeften worden bevredigd, en er zijn nog afnemers ook.'


De bodem van de maatschappij - dat klinkt meer als een legitimering dan de reden om eraan te beginnen.

'Dat is het allebei. Ik wil doordenken tot ik aan de grens zit. Dat doe ik in poëzie, maar ook als ik Aristoteles of Claudianus lees. Die urgentie zit er heel sterk in.'


En heeft u die bodem al bereikt?

Kijkt verrukt op: 'Die bereik je nooit. Iedere keer probeer je datgene wat je kunt denken en zeggen een stapje op te rekken. Maar dat doet iedere generatie, iedere dichter en iedere kunstenaar. Omdat het niet lukt, houdt dat het verlangen in stand.'


Is het erg als het aantal classici steeds kleiner wordt?

'Dat zou heel jammer zijn. Maar het aantal studenten klassieke talen is helemaal niet zoveel minder dan vijftig jaar geleden. Ik denk zelfs dat classici nu veel zichtbaarder zijn dan toen. Er is een veel groter aantal kinderen dat klassieke talen leert. Ze komen minder ver, maar ze komen er wel mee in aanraking. Daarnaast zijn er de laatste jaren zo ongelooflijk veel vertalingen op de markt gekomen, ook van obscure auteurs die de vijfhonderd jaar ervoor nooit vertaald zijn.'


Bekruipt u nooit het gevoel dat u juist in de marge van de samenleving bezig bent?

'Nee. Helemaal geen last van. Neem mijn vak als docent: in eerste instantie praat je over wat er eigenlijk in de tekst staat die de studenten hebben gelezen. Maar ten tweede praat je ook over de vraag: waarom lopen wij hier nu eigenlijk rond?


Hoe moeten wij denken over wie wij zijn als mens?

'Ik geloof dat genoeg mensen de behoefte hebben na te denken over wie ze zijn, en daar eens een boek over te lezen. Alleen moeten ze het wel van iemand leren.'


Maakt u zich zorgen over de toekomst van de klassieke talen?

'Ja, er gebeuren rare dingen. De financiële horden om twee studies te doen, bijvoorbeeld. Daarmee tref je juist de beste studenten, aan wie je als samenleving het meest hebt. Het gros van het onderzoeksgeld gaat bovendien naar studies die een duidelijke uitkomst hebben. Je moet oppassen voor een strenge verwetenschappelijking van de geesteswetenschappen. Voor je het weet, ben je alleen nog maar met theorie bezig. Of met 'vermarktbare' producten.'


Dat houdt u uw studenten ook voor: 'Dit is geen wetenschap!'

'Klopt, dat geloof ik heel sterk. Waarom beoefenen wij nou geesteswetenschappen? Niet omdat we zo graag wetenschap willen bedrijven, maar omdat we willen weten wie we zijn, omdat we onze traditie willen kennen. Dan gaat het er niet om dat je keihard kunt bewijzen dat Xerxes op 1 mei of op 1 juni over de Hellespont is getrokken, dat interesseert me geen fuck! Wat mij interesseert is: wat betekent het werk van Sophocles? Je kunt geen boek schrijven waarmee je dat bewijst. Maar je kunt wel met zijn allen een discours ontwikkelen waarmee je steeds dieper komt, steeds op een andere manier naar zo'n tekst kijkt. Dat is maar ten dele wetenschappelijk. Laat onderzoekers en docenten maar gewoon prachtige boeken schrijven.'


Uw proefschrift, De Gong en de Rookberg (2011), waarin u de raadselachtige gedichten van Ter Balkt en Hamelink probeert te interpreteren, was heel persoonlijk.

'Dan zie je ook dat de academische wereld daarop gewoon niet reageert. Die vindt het irrelevant.'


Uw proefschrift of deze poëzie?

'Allebei. Ze zijn veel bezig met literatuursociologie, dat ook een belangrijk onderwerp is. Maar gewoon eens een week naar een gedicht staren en kijken wat er gebeurt, dat doet niemand meer.'


U klinkt heel fel.

'Ik had eigenlijk niet anders verwacht dan die stilte. Ik ben wat mijn academische carrière betreft atypisch: ik ben een classicus en ik promoveer op Ter Balkt en Hamelink. Neerlandici kijken daar met grote argwaan naar, classici al helemaal. Dat boek is misschien ook wel veel te dik en onleesbaar.'


Nee, ik vond het aanstekelijk en begeistert.

'Dat is de enige manier waarop ik kan werken. Ik heb het meeste plezier beleefd aan het laatste hoofdstuk, waarin ik mijn boek weer onderuit haal.'


Neemt de geesteswetenschap zichzelf te serieus?

'Ja, ook dat.'


In 2007 verscheen Het Feest van Saturnus. Het is een typisch Gerbrandy-boek: een wulpse literatuurgeschiedenis van de oudheid, waar de christelijke auteurs uitgefilterd zijn. Die zijn minder interessant, vond hij. Nu denkt Gerbrandy na over een boek met Latijnse poëzie die zich afspeelt aan rivierbeddingen en kusten. 'Als je daar staat, doet dat iets met je.'


Blijft u bij de heidense auteurs?

'Nee, ik heb de afgelopen jaren veel bijgeleerd en ik krijg de indruk dat dat onderscheid niet zo belangrijk is. Wel maakt het heel erg uit of een auteur uit de Italiaanse elite komt of uit Gallië, Ierland of Noord-Afrika. Juist wat er in de marges gebeurt, is vaak het meest interessant. De schrijvers proberen contact te maken met het literaire centrum dat eigenlijk zoek is. Ze moeten wel experimenteren, omdat ze niet anders kunnen. En dan gebeuren er rare dingen.'


Klinkt als the story of your life.


'Ja, misschien wel.'


DE AUTEUR


Van sophocles tot julian assange

Piet Gerbrandy (1958) is classicus, vertaler, dichter, essayist en poëziecriticus bij De Groene Amsterdammer. Zijn grootvader was Pieter Gerbrandy, ARP-premier tijdens de Londense kabinetten. De 'politieke verontwaardiging' heeft hij geërfd, maar Gerbrandy is het gelukkigst als hij kan nadenken en schrijven over cultuur. In 2005 kreeg hij de Frans Kellendonkprijs voor zijn oeuvre. In 2013 verschijnt bij de Historische Uitgeverij een vertaling van het 12de-eeuwse handboek voor de liefde De amore van Andreas Capellanus. Met componist Chiel Meijering werkt hij aan een opera op basis van mythen én werk van Julian Assange.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden