Dicht bij de muziek

Een tijdje lang wilde ik jazztrompettist worden. Ik was 19. Ik beluisterde op de radio de zender van AFN, de American Forces Network, waar Willis Conover de nieuwste jazzmuziek liet horen. Bij Things to Come, een nummer van Dizzy Gillespie en zijn orkest, brak me het koude gelukszweet uit. Op de middelbare school was ik fan van de Jump Cats, het schooljazzorkest dat werd geleid door mijn schoolvriendje, de pianist Fred Ferber. Fred had een oom in New York, die hem de nieuwste bebopplaten opstuurde. Things to come, ik droomde van de dingen die komen gingen.


Ik kocht voor weinig geld een trompet van de jazztrompettist Nedley Elstak. Ik blies erin, mijn wangen bollend als die van Dizzy. Als er al geluid uit voortkwam, waren het benauwde, schraal-piepende klanken. 'Volhouden maar', glimlachte Nedley. Het drong tot me door dat ik les zou moeten nemen, misschien wel naar het conservatorium zou moeten gaan. Ik was nog maar kort geleden opgelucht aan het keurslijf van de middelbare school ontsnapt en voelde er niets voor opnieuw naar school te gaan. Ik legde de trompet voorgoed terzijde. Wat heb ik ermee gedaan? Zij blies de aftocht in de mist van het verleden.


Om zo dicht mogelijk in de buurt te komen van de muziek, die ik herkende als tot mij en mijn tijd te behoren, zocht ik het gezelschap van jazzmusici op. In de jaren vijftig reisde ik mee met Pim en Ruud Jacobs en de grote gitarist Wim Overgaauw, als ze ergens in het land een gig hadden. Ik ontwikkelde me tot groupie. Bewonderend deed ik mee, maar zonder instrument bleef ik toch een buitenstander.


Aan die onbevredigende toestand kwam pas een einde in 1991, toen Poetry International me uitnodigde om samen met musici van mijn keuze een gedicht voor te dragen. Met jazz stevig in mijn achterhoofd geknoopt schreef ik het gedicht Lamento. Als musici koos ik Maarten Altena, bassist, Michael Moore, rietblazer, Han Bennink, drummer. Het kwam tot een eenmalige uitvoering, helaas niet opgenomen. In zijn grondige studie van de werdegang van Lamento, die Ad Zuiderent mij onlangs opstuurde, staat geschreven: 'Campert is ermee geworden wat hij altijd al had willen zijn: instrumentalist tussen de instrumentalisten; in Lamento valt hij samen met zichzelf.'


Na ons optreden op Poetry International dacht ik geruime tijd dat ik het gedicht nooit zou kunnen voorlezen zonder Maarten, Michael en Han. Tot ik het een keer probeerde en het toch bleek te kunnen. Ik was mijn eigen solospeler geworden, altijd denkend aan Charlie Parker (of Lester Young). Ik speelde het gedicht tot ver in de wereld. Ik kan niet nalaten te citeren wat mijn geliefde dichteres Hagar Peeters zegt in Zuiderents studie: 'Zo schrijft Hagar Peeters dat Campert op een festival in Indonesië Lamento avond aan avond voorlas en dat haar iedere avond weer kippenvel bezorgde: 'Hoewel ik mij telkens voornam nu eens onberoerd te blijven door dat gedicht. Het lukte niet, ik was als een hond van Pavlov, ik had niets over mijzelf te zeggen.''


Zo, nu stinkt mijn eigen roem wel voldoende.


Na dat eerste optreden met Maarten Altena reisde ik vele malen met de muziek mee. Tot mijn vreugde, want musici zijn aangenaam gezelschap. We traden op in alle hoeken van het land, van Groningen tot Maastricht, met Corrie en de Brokken (Corrie van Binsbergen en haar orkest), met Benjamin Herman en voor het laatst (ik treed niet meer op, zeg ik met spijt) met Abbie de Quant en haar musici, die een heel programma aan mijn poëzie wijdde.


PS. Ik veroorloof mij een kleine correctie. Het onderschrift bij de foto in de column van vorige week moet luiden: 'Campert, Ida en Rendra. Uiterst rechts de vadsige acteur.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden