Deze schatten herbergt de werkkamer van Harry Mulisch

Biograaf-uitgever Robbert Ammerlaan opent de schatkamer van de zes jaar geleden overleden Harry Mulisch. Hij ontdekte dat de schrijver zijn leven lang op zoek is geweest naar zijn ouders, met wie hij een gecompliceerde verhouding had. En hij vond een bijzondere brief, gericht aan zijn ongeboren kind.

Robbert Ammerlaan: 'Op zijn bureau lag alles nog precies zo alsof hij meteen weer aan de slag zou kunnen gaan.' Beeld Tom Haartsen

Een reisverhaal, zo noemt Robbert Ammerlaan (72) het documentaire boek Zijn eigen land. Hij hoefde er alleen niet voor op pad. Een rondgang is het geworden, ruim 400 pagina's groot, door de streng geordende werkkamer van Harry Mulisch (1927-2010) aan de Leidsekade in Amsterdam, die sedert diens dood niet is veranderd.

In zijn voormalige woning is gedurende een halve eeuw een groot deel van het oeuvre ontstaan, als in een laboratorium. Aan de hand van notitieboeken, brieven, aanzetten, dagboeken en voorwerpen - fotoalbums, pijpen en een schedel - laat Ammerlaan zien, onder het rijkelijk citeren uit veelal ongepubliceerd en dikwijls persoonlijk materiaal, wat de grote onderwerpen waren in leven en werk van Mulisch. Daaronder vader Kurt en moeder Alice, vrouwen, piramiden, Venetië, Hitler en de hemel.

Na Het verschijnsel Schmelzer (1973) is dit het eerste boek van de oud-journalist Ammerlaan, die tussen 1999 en 2012 directeur-uitgever van De Bezige Bij was en in die hoedanigheid bevriend raakte met de schrijver. 'Harry zelf heeft mij enkele jaren voor zijn dood aangewezen als zijn biograaf', zegt Ammerlaan, op zijn werkkamer met uitzicht op het Spaarne in het centrum van Haarlem. De geboortestad van Harry Mulisch, die daar in 1995 tot ereburger werd uitgeroepen.

Na zijn pensionering op zijn 70ste, keerde Ammerlaan onverwacht terug als uitgever - niet bij De Bezige Bij, waar hij vanwege zijn leeftijd tegen zijn zin afscheid had moeten nemen, maar bij zijn in 2014 nieuw opgerichte uitgeverij Hollands Diep.

De afgelopen jaren heeft hij daarnaast ook gebruikt om te kunnen werken aan Zijn eigen land, het eerste deel van een tweeluik over de schrijver, dat over een jaar of vijf gevolgd zal worden door een meer biografische, analytischer studie. Die zal dieper ingaan op de persoon van Mulisch, het werk en de grote thema's daaruit.

Harry Mulisch in 1966. Beeld HH

'Aan Harry had ik destijds gevraagd om met mij mee te denken over een mogelijke biograaf. We hadden al een lijstje met kandidaten doorgenomen. De eerstvolgende keer dat het onderwerp ter sprake kwam, had Harry een vondst gedaan. Hij priemde met zijn vinger in mijn richting en zei: 'Jíj moet het doen!' En daar bleef hij bij. Zijn familie wist dat, en gaf mij ook het volle vertrouwen. Na zijn dood kreeg ik te horen: 'Ereplicht. Je moet het gaan doen.' Dus heb ik in 2013 het contract voor de biografie getekend.

'Toen ik de werkkamer betrad, waar ik als uitgever vaak was geweest, en alles in onaangeroerde staat aantrof, bekroop me de gedachte dat het mooi zou zijn om die schatkamer, dat laboratorium voor de lezer te openen. Dat is Zijn eigen land: uit de kasten en laden komt de kunstenaar tot ons, zo dichtbij als we hem bij leven niet konden naderen.

'Het mooiste deel uit dit boek is volgens mij de gecompliceerde verhouding tussen de zoon Harry, zijn Oostenrijks-Hongaarse vader die collaboreerde tijdens de oorlog, en zijn in Antwerpen geboren joodse moeder. Zijn ouders scheidden toen hij 9 jaar was. Zijn vader stierf in 1957, zijn moeder was toen al geëmigreerd naar Amerika, waar ze in 1996 zou overlijden.

Harry's moeder.

'Hoewel hij mooie, pregnante dingen over zijn ouders heeft geschreven, bagatelliseerde hij graag hun invloed op hem. Dat zijn moeder bij hem weg ging, deed hem niets, zei hij. 'Ik hield niet van mijn moeder, ik hield van mijn hond.' Hij dook weg voor zijn gevoelens, voor het drama in zijn jeugd. Hij kon het allemaal zelf wel af. Maar uit mijn boek blijkt dat hij zijn leven lang naar zijn ouders op zoek is geweest en een diep verlangen heeft gekoesterd om door hen gezien te worden.

'Bijna alle grote thema's uit zijn werk, en de grote onderwerpen in zijn leven, zijn met dat triumviraat verbonden - tot en met zijn voorliefde voor Venetië aan toe. Alle zomers moest hij daarnaartoe. Waarom? Omdat zijn ouders hun wittebroodsweken in Venetië hadden doorgebracht, en hij daar ook zou zijn geconcipieerd. En als Harry jaren na zijn vaders dood een vergruizelde bril van Kurt vindt, waar niets meer mee te beginnen valt, bewaart hij de glazen, want daar heeft zijn vader toch doorheen gekeken.

'Ik heb heel openhartige brieven aangetroffen van zijn moeder, die haar zoon naar eigen zeggen voor de tweede keer verliet, door een paar jaar na de scheiding te emigreren, maar die vanuit Californië opeens in een reeks buitengewone en ontroerende brieven tegen hem begint te praten. En in de papieren van Harry trof ik diverse aanzetten aan voor een boek over zijn moeder, de enige vrouw in de wereld die niet onder de indruk was van Harry Mulisch. Harry's latere vrouw Sjoerdje zei het zo: 'Eigenlijk leken moeder en zoon op elkaar: van buiten ijdel, van binnen zichzelf genoeg.' Als zij is gestorven, noteert hij dat ze hem voor de derde keer heeft verlaten. Hij laat een van zijn romanpersonages de huilbui krijgen waartoe hij zelf niet bij machte was.'

De brief van Harry Mulisch aan zijn ongeboren kind.

Tot de vondsten die Robbert Ammerlaan in het ongepubliceerde materiaal van Mulisch aantrof, behoort de brief die we hierbij afdrukken: 'Brief aan mijn ongeboren kind', geschreven in 1961. Een bewogen jaar. In het voorjaar gaat de dan 33-jarige Mulisch als verslaggever voor Elseviers Weekblad naar Jeruzalem om het proces tegen de dan pas gearresteerde oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann bij te wonen, in de Tweede Wereldoorlog de direct verantwoordelijke voor de organisatie van de uitroeiing van de Joden. Geen monster, maar een plichtsgetrouwe ambtenaar van het Derde Rijk, bemerkt Mulisch tot zijn verbazing.

Zijn observaties daar, en in het concentratiekamp Auschwitz dat hij later in dat jaar in Polen bezoekt, zullen leiden tot een van Mulisch' beste boeken, De zaak 40/61.

Ammerlaan: 'Voordat het proces in Jeruzalem eind augustus wordt hervat, is Mulisch in de zomer van 1961 terug aan de Leidsekade in Amsterdam, bij zijn toenmalige vriendin Ineke Verwayen, met wie hij tot 1967 een relatie had, en die mij voor dit boek buitengewoon behulpzaam is geweest.

Perskaarten van Harry Mulisch, onder andere voor het bijwonen van het proces tegen Eichmann in Jeruzalem.

'Daar in Amsterdam besluit Harry om nieuw leven te maken, om het in zijn woorden te zeggen; een antwoord op de vernietiging van zoveel leven waarvan hij verslag heeft gedaan. Het is eind augustus als hij terug moet naar Jeruzalem. Sinds een paar dagen weet hij dat zijn vriendin vier weken zwanger is. Dan schrijft hij de volgende brief:'

Robbert Ammerlaan: 'Dit is hoe deze geschiedenis zou aflopen: eind september gaan Harry en Ineke naar Krakau en Auschwitz. Op de terugweg verblijft het stel een paar dagen in Wenen. In het Prater maken ze een paar ritjes in de botsautootjes.

'Hier is het gebeurd', noteert Mulisch in 1986, onderaan de brief uit 1961. Daarmee doelt hij op een bloeding die Ineke kreeg, en die op 5 oktober leidde tot een miskraam.

Robbert Ammerlaan. Beeld Hollandse Hoogte

'Vierentwintig jaar nadien heeft hij deze aantekening toegevoegd, met een andere pen: 'De zaak 40/61 dus bezegeld door de dood van mijn ongeboren kind. (Zonder Eichmann had het geleefd.)'

'Deze notitie laat prachtig zien hoe Mulisch dacht. Hij wil de regisseur blijven, ook als er dingen gebeuren waar hij geen invloed op heeft. 'Zonder Eichmann had het geleefd': zonder Eichmann had hij Ineke namelijk niet meegenomen naar Auschwitz, en daarna naar de botsautootjes in het Prater in Wenen, waar iets is misgegaan. Jaren later heeft hij die verklaring willen toevoegen. Alsof zelfs die onvoorziene afloop van de zwangerschap weer iets betekent, wat hij heeft bedacht, en alsof hij het is die de geschiedenis schrijft en het laatste woord houdt.

'Deze bijzondere brief vond ik in een lade, gezeten aan het bureau van de schrijver. Prachtige uren heb ik daar doorgebracht. De eerste keer dat ik in die werkkamer ging zitten, heb ik me afgevraagd of ik gewoon op zijn stoel zou plaatsnemen.

'Op zijn bureau lag alles nog precies zo alsof hij meteen weer aan de slag zou kunnen gaan: zijn bril, pennen, notitieblokjes. Er overviel me een lichte ontroering. Uiteindelijk ben ik toch maar gaan zitten.'

Zijn eigen land
De Bezige Bij; 416pagina's; €39,99.
Verschijnt 30 oktober, de zesde sterfdag van Harry Mulisch.
Vanaf 3 november in de boekhandel.


Brief aan mijn ongeboren kind- kader

Het is vandaag 26 augustus 1961 en je bent naar schatting 5 millimeter groot en minus 1 maand oud. Je vertoeft in het paradijs.

Dat is jouw situatie.

De mijne is iets anders. Mag ik mij voorstellen? Ik heet Harry Mulisch, ben 1 meter 85 lang, plus 34 jaar en een maand oud, ik woon in Amsterdam, en ik zal je vader zijn. Buiten regent het en in de wereld is het een rotzooi. (...) Je mist niets. De hele zomer is het bovendien beroerd weer geweest. Titov draaide op maat om de aarde.

Op 8 augustus kregen wij het vermoeden dat je aan het gebeuren was geslagen, volgens een berekening die je later ook zult gaan beheersen, ben je op 29 juli gaande geworden. Daarmee sta je in een fraaie familietraditie, want het was mijn verjaardag. Je grootvader is op zijn verjaardag gestorven, jij bent op de mijne verwekt. Bovendien werd ik die dag precies zo oud als je grootvader was, toen hij mij verwekte. Het zou mooi zijn als ik nu bijvoorbeeld op jouw verjaardag stierf. Wij zijn mensen van de klok!

Ik ga hier voor jou de notities maken die ik zelf graag van mijn vader had willen hebben. Waar was ik tussen eind oktober 1926 en 29 juli 1927? Natuurlijk: in het paradijs - maar waar was het paradijs? En wat deed mijn vader? Waar hield hij zich mee bezig? Wat gebeurde er in die maandenlange periode van tegelijk te zijn en niet te zijn? Een van mijn oudste theorieën is die van de 'baarvader', tien jaar geleden uitgedrukt in mijn eerste boek: zoals het lichaam van het kind ontstaat in dat van de moeder, zo ontstaat zijn geest in die van de vader, door een onzichtbare navelstreng ermee verbonden. Als het 'waar' was, zouden zwangere weduwen alleen idioten ter wereld kunnen brengen - maar misschien is het bruikbaar.

Wat ik ga doen is hetzelfde als wanneer je moeder dag na dag zou bijhouden wat zij eet. Thee met beschuit, koffie, broodjes met vlees, koffie, een gebakje, een cotelet, aardappelen, sla, een glas wijn, kaas, koffie, een broodje tartaar, twee uitgeperste sinaasappelen. Dat 'ben' jij natuurlijk niet, maar het heeft wel iets met je te maken. Het is een voorwaarde. Vergeleken met mij heeft je moeder het overigens nogal makkelijk. Zij zit achter mij in een stoel en leest Anna Karenina, - intussen ben jij gaande. De tijd is in haar gevaren en doet het werk. Ik moet alles zelf doen.

Al ben je nog maar zo klein als de groene vliegjes die nu en dan door het open raam naar binnen vliegen, toch zal ik je maar dadelijk vertellen, dat ik voor mijzelf een doel heb met deze schrijverij. Ik wil de afstand tussen ons zo groot mogelijk maken. Nu is moeilijk uit te leggen waarom dit niet hardvochtig is, maar het omgekeerde. Met kleine afstanden tussen ouder en kind heb ik slechte ervaringen opgedaan. Ik wil je niet zien als 'mijn zoon' of 'mijn dochter', maar als ook een mens. Misschien zal ik er dan zelf een voor jou zijn.

Als je intussen mocht denken dat ik blijkbaar vreselijk met je in mijn maag zit (gelijk je moeder met je in haar buik), vergis je je lelijk. Ik heb twee maanden geleden tot je besloten. Dat is te zeggen, niet tot 'jou' natuurlijk, want ik weet niets van je, zelfs niet je geslacht - maar ik heb besloten een kind te krijgen, een vreemdeling in huis te nemen. En ik zal je krijgen zoals ik mijzelf heb gekregen en nog van dag tot dag krijg, soms met vreugde, soms met afkeer. En zo min als ik jou zal persen in het harnas 'mijn zoon', of 'mijn dochter', om vervolgens harnassigheden van je te verwachten, evenmin pers ik mijzelf in het harnas 'ik', om vervolgens van ijzer te worden. Geen geknars bij onze bewegingen! Geen olie nodig voor verroeste scharnieren.

Zondag 27 augustus:
Mijn situatie is als volgt. Vorige week schreef ik mijn voorlopig laatste Eichmann-artikel, ruimde mijn schrijftafel op en verwoestte, als na ieder boek, de stapels handschriften, varianten, notities, uittreksels, knipsels - wat geen ingang heeft gevonden in het werk, moet van het aardoppervlak verdwijnen. Omdat ik geen zin heb in vakantie, moest ik eindelijk tot een besluit komen over een nieuw projekt.

Eichmann heeft mij een half jaar van mijn leven gekost (wat minder is dan de meesten die met hem in aanraking zijn gekomen); het is een ervaring die ik niet meer weg kan denken. Verschillende plannen boden zich aan. In de eerste plaats natuurlijk een roman, waarvoor De zaak 40/61 een voorstudie was, - maar ook Het stenen bruidsbed is er al een voorstudie van geweest. Ik wilde eens iets totaal anders, ik kon al niet meer slapen 's nachts, tot mijn keel vol lijken. Al lang waren er ideeën voor essays, maar ik wilde een verhaal; ik begon aan een imaginaire reisbeschrijving te denken. Sinds mijn terugkeer uit Israël las ik reisbeschrijvingen van ontdekkers uit de twaalfde, dertiende en veertiende eeuw: Giovanni Piano Carpini, Willem van Rubroek, Odoric van Pordenone. Het had natuurlijk te maken met mijn eigen reis, maar meer nog met bepaalde veranderingen in mijzelf, een ontdekking waarmee jij zelf alles te maken hebt.

Het is de ontdekking van de werkelijkheid in haar onherroepelijkheid. De ontdekking dat twee maal twee vier is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden