Deze ex-terrorismeverdachte vertelt: ik werd gemarteld in de Verenigde Staten

Voor het eerst vertelt Ali al-Marri over de dertien jaar die hij in de VS gevangen zat en hoe hij werd behandeld in de nasleep van 9/11. 'Ik weet niet waarom ik stikte. De sokken? Mijn speeksel? Mijn tong?

Beeld Jiri Büller

Ali al-Marri kijkt naar de deur van zijn Amerikaanse cel die openzwaait. 'Pak je spullen', zegt de bewaker in de deuropening. 'We gaan.' Hij kijkt op. Al-Marri - donkere ogen, lange zwarte haren en een baard - zit al bijna anderhalf jaar vast in de VS, waar hij vanuit Qatar naartoe is gekomen om te studeren. Nu wordt hij verdacht van betrokkenheid bij de aanslagen van 11 september 2001.

Als-ie z'n spullen bij elkaar heeft geraapt, krijgt hij eerst boeien om zijn handen en voeten. Daarna ketenen bewakers zijn handen vast aan zijn middel. Hij krijgt een skibril op waarvan het glas zwart is gemaakt. Over zijn oren gaat een koptelefoon. Zo schuifelt hij achter zijn bewakers aan.

Het afgelopen jaar heeft hij in de gevangenis zitten wachten tot er iets gebeurt met zijn zaak. Op een formele aanklacht, een veroordeling, een straf. Soms werd hij verplaatst. Werd hij ineens in een andere cel gezet. Kon hij daar weer verder wachten.

Maar deze keer is het anders.

Buiten hoort hij de rotoren van een vliegtuig draaien. Hij gluurt langs de zijkant van z'n bril en dan ziet hij ze. Militairen. Foute boel, weet hij. In de gevangenis heeft hij nog nooit militairen gezien.

'Ben ik verklaard tot enemy combatant?', vraagt hij.

'Ja', zegt een militair.

Het is 23 juni 2003 en Ali al-Marri verdwijnt in het vliegtuig dat hem naar de militaire gevangenis zal brengen: de Navy Brig in South Carolina.

Vanaf nu gelden er andere regels.

Door zijn nieuwe status als enemy combatant oftewel vijandelijke strijder - president George W. Bush tekende de papieren - zal hij vanaf vandaag in een zwart gat verdwijnen. Bijna anderhalf jaar zal hij geen contact hebben met zijn advocaten. Zijn familie heeft geen idee waar hij is. En of hij überhaupt nog leeft.

Een week na de aanslagen van 11 september kreeg Bush van het Congres de volmacht om 'alle noodzakelijke en geschikte middelen in te zetten' in de strijd tegen terrorisme. Voor de zogeheten enemy combatants betekende dat, dat ze voor onbepaalde tijd en zonder proces vastgehouden mochten worden. De meeste vijandelijke strijders werden na 2001 vastgehouden op Guantánamo Bay.

Slechts drie werden er vastgezet op Amerikaans grondgebied. Ali al-Marri was één van hen.

Voor het eerst doet Ali Saleh Kahlah al-Marri (52) zijn verhaal. Hij is een Qatarese bankier die precies één dag voor 11 september 2001 met zijn vrouw en vijf kinderen naar de VS kwam om informatietechnologie te gaan studeren. Eerder haalde hij zijn bachelor in de VS.

Na de aanslagen werd hij opgepakt. Aanvankelijk werd hij gezien als een belangrijke getuige. Hij weigerde echter iets te zeggen en gaandeweg werden de beschuldigingen ernstiger. Leden van Al Qaida zouden - al dan niet na marteling - in Guantánamo Bay hebben gezegd dat hij banden met hen had: al-Marri hoorde bij een slapende cel van Al Qaida, wachtend op instructies.

Daarna behandelde de FBI hem jarenlang als een belangrijke terrorismeverdachte.

Al-Marri ontkent tot op de dag van vandaag dat hij iets met Al Qaida te maken had, al tekende hij wel een schuldbekentenis. Nu zit hij hier in een zaaltje in Amsterdam, en wil hij vertellen hoe hij is behandeld in de gevangenis. Hoe ze probeerden hem geestelijk te breken. En wat totale isolatie met hem deed. Hoe hij langzaam gedehumaniseerd werd. Op Amerikaans grondgebied.

Na de vlucht belandt al-Marri rond vier uur in zijn nieuwe cel, een ruimte van 2 bij 3,5 meter. Er is geen daglicht: het raam is dichtgeschilderd. 'Ik had geen idee of het dag of nacht was', zegt hij. In de hoek staat een metalen bed met gaten. De vloer is van beton.

In de logboeken van de militaire gevangenis staat dat al-Marri vraagt waar hij is, waarom hij hier is. In zijn hoofd gaat het alle kanten op. 'Ik hoorde ze schuiven met tafels', zegt hij. 'Ik dacht: deze lui laten er geen gras over groeien. Zo meteen komt de rechter en dan hangen ze me op, schieten ze me kapot.' Maar er gebeurt niets.

De camera's in zijn cel filmen continu, 24 uur per dag. Zijn gedrag wordt tot in detail bestudeerd: 'Alles wat al-Marri zegt of vraagt, moet worden opgeschreven', staat in de logboeken.

Zijn cel is stervenskoud, zegt hij. Een matras heeft hij niet. Hij slaapt met een anti-zelfmoorddeken: een korte blauwe lap.

Hij moet volledig worden geïsoleerd. 'Er mag niets tegen de enemy combatant worden gezegd', aldus het logboek. Naamkaartjes van bewakers worden afgeplakt. Hij krijgt niets te lezen.

'Op alles wat ik zei, alles wat ik vroeg, antwoordden de bewakers: 'Genoteerd'', vertelt al-Marri. 'Als ik om een dokter vroeg: genoteerd. Als ik tegen ze schreeuwde: genoteerd. Als ik eten wilde: genoteerd. Ik zei: wat bedoel je nu? Ja? Nee? Of ga naar de hel? Maar niemand antwoordde.'

Maandenlang gebeurt er niets. 'Ze deden niets, zeiden niets. Ik liep rondjes door mijn cel en probeerde mijn hersens bezig te houden. Bij iedere bewaker die langskwam, bedacht ik: wie is dit, wat betekent dit?'

Dat niemand met hem spreekt, blijft niet zonder gevolgen. Hij begint te praten met mensen die niet bestaan. 'Ik voerde hardop gesprekken. Soms deed ik alsof ik mijn vrouw sprak. Ik vroeg of onze zoon zijn huiswerk had gemaakt en dan gaf ik antwoord.' Maar hij wordt onzeker. 'Ik wilde niet dat de bewakers dachten dat ik gek begon te worden.' Hij verandert van strategie en praat alleen nog als bewakers binnenkomen: hij stelt hen vragen en antwoordt met zelfverzonnen stemmetjes. 'Soms maakte ik iemand zo kwaad dat hij iets terugzei. Dan had ik wat ik wilde.'

In de logboeken staat dat een leidinggevende van de Navy Brig langskomt.

'Heb ik rechten?', vraagt al-Marri.

'Nee', zegt de man.

Een tijd later stelt dezelfde leidinggevende blijkens het logboek: 'Er kunnen spelletjes gespeeld worden met de enemy combatant, zolang ze legaal zijn.'

Het is 12september 2003 als al-Marri in de verhoorkamer belandt.

Van tevoren scheren de bewakers zijn haar en baard af. In de documenten beschrijft Defensie het doel hiervan: 'Het aantasten van zijn zelfbeeld.'

'Ik zat op een stoel, vastgeketend aan de vloer', zegt al-Marri. 'Mijn handen zaten vast aan de ketting. De ondervrager zei: wie is Khalid Sheikh Mohammed? Toen ik niets wilde zeggen, begon de man te lachen en zei: weet je wel waar je bent?'

De volgende dag is er weer een verhoor. Ditmaal zijn er vijf mensen, inclusief ondervragers van de FBI. Ze vertellen hem dat hij geen proces krijgt. De bewakers zien dat al-Marri na afloop van het verhoor trilt. 'Hij was zichtbaar aangedaan', schrijven ze.

Telkens weigert hij zijn medewerking. Hij ontkent dat hij lid is van Al Qaida.

In de gevangenis verzet hij zich op alle mogelijke manieren. Hij gooit urine naar bewakers, zet zijn cel onder water, schuift poep onder de deur door, plast naar buiten, saboteert de camera, smeert eten in de ventilator, of weigert zijn dienblad terug te geven zodat ze bewapend binnen moeten stormen. Ook kleineert hij bewakers.

'Ik móést mijn hersenen bezighouden', zegt hij. 'Ik wist hoever ik kon gaan. Ik was constant bezig om tien stappen vooruit te denken. Sommige bewakers explodeerden bijna van woede.'

Het is zo verschrikkelijk koud in zijn cel dat al-Marri telkens vraagt om het afzetten van de airco. Volgens hem gebeurt er daarna niets. Hij zegt vaak op de ijskoude, betonnen vloer te slapen, omdat de pijn van het metalen bed nog erger is. 'Soms lag ik opgekruld als een worm op het beton, omdat het net op die plek iets warmer was', vertelt hij.

Een aanvraag van al-Marri voor een matras wordt afgekeurd. 'Het lijkt in zijn aard te zitten om veeleisend te zijn en te klagen', aldus de verslagen.

in december 2003 lijken de verhoren te veranderen: FBI-agent Ali Soufan loopt de gevangenis in. Hij is een van de weinige Arabisch-sprekende agenten bij de dienst, beroemd vanwege bekentenissen die hij afdwong bij terrorismeverdachten.

'Hij keek naar me en zei: dit is een gelovig man, wat zijn jullie aan het doen? In het Arabisch verontschuldigde hij zich tegenover mij. Hij zei: sorry, je weet hoe gek die Amerikanen soms zijn.'

Soufan laat zijn boeien verwijderen, zegt al-Marri. 'Hij vroeg: waar wil je zitten? Wil je een stoel, of zit je liever op het tapijt? Hij gaf me een diet coke, omhelsde me, noemde mij zijn broeder.'

In die tijd ziet hij 'voor het eerst in bijna zes maanden' weer daglicht, schrijven bewakers.

De dagen daarna blijft de man hem bezoeken. 'Hij gaf me pizza's, vijgen en Arabisch eten. Hij zei: zij geloven dat je een grote vis bent, maar ik denk dat jij een kleine vis bent. Ik zei niks, knikte, verzette me niet - ik wilde het eten.' Maar na een tijd zegt Soufan tegen hem dat ze moeten praten, aldus al-Marri. 'Hij zei dat het te lang begon te duren.'

Al-Marri moet een beslissing nemen, aldus een defensieverslag. Zijn ondervrager noemt alle namen van zijn broers en zussen. 'Was hij klaar om te praten of zou hij zijn familie in Saoedi-Arabië en Qatar laten lijden onder de gevolgen van zijn weigering?' Er wordt gedreigd dat de Saoedische en Qatarese autoriteiten zijn familie opjagen als hij niet meewerkt. Volgens de logboeken was Soufan op een van deze dagen in de verhoorkamer.

Al-Marri weigert.

De sfeer verandert, stelt al-Marri. 'Soufan zei dat hij mijn familie gevangen kon laten nemen, hen kon laten martelen. Hij dreigde dat hij mijn vrouw voor mijn ogen zou verkrachten, dat hij mijn kinderen in de cel naast me zou zetten zodat ik ze kon horen huilen. Hij kon me laten verdwijnen naar black sites waar ze met me konden doen wat ze wilden.'

Hij stelt dat hij niet weet naar welke informatie ze zochten. 'Soms zag ik de wanhoop, de vermoeidheid in hun ogen. Ze hadden niets.'

Al-Marri zegt dat hij zijn emoties onderdrukt. 'Ik gunde hen niet de voldoening om die te zien.'

Op een dag laat een ondervrager hem een foto zien. Hij zegt dat het zijn broer in Guantánamo is. 'Het duurde even voor ik hem herkende. Hij was mager, kaalgeschoren. Eerst dacht ik dat ze een spelletje met me speelden. Maar toen ik voorzichtig in zijn ogen keek, zag ik dat hij het was. Ik zei tegen mezelf: dit is niet echt, dit is Photoshop.'

Het is 11 maart 2004 als de ondervraging van al-Marri uit de hand loopt.

Hij zit vastgeketend aan de vloer op zijn stoel als de drie mannen binnenkomen. Onder hen is Ali Soufan, zegt al-Marri. De ondervragingskamer is ijskoud, nog kouder dan zijn cel. 'Ze zeiden: oké, je wil niet met ons praten, dan praten wij met jou. Ze lieten foto's zien van alles wat ze over me hadden: identiteitsbewijzen, mijn kinderen, mijn familie.'

Al-Marri houdt zijn hoofd naar beneden: hij wil niets zien.

'Eén ondervrager begon te praten, en om hem niet te horen, begon ik de Koran te reciteren. Hij praatte steeds harder, ik begon steeds harder te zingen. Ze schreeuwden dat ik mijn mond moest houden. Op een gegeven moment zag ik dat iemand gebaren dat dit niet werkte. Eén ondervrager liep naar buiten.'

Na een minuut was hij terug, zegt hij. 'In zijn handen had hij duct tape en een paar witte sportsokken. Ze plakten mijn mond dicht met tape.'

Het werkt niet: de tape raakt los doordat hij met zijn tong ertegen duwt.

Ze proberen het nog eens. 'Soufan duwde mijn kaken in om mijn mond te openen - hij wist precies wat hij moest doen. Daarna duwde hij de sokken erin. Hij schreeuwde: stop met zingen, je zult luisteren. Toen drukte hij mijn mond dicht - één hand onder mijn kin, de andere op mijn hoofd - terwijl de andere ondervrager mijn hoofd dichtbond met tape. Hij ging vier, vijf keer rond, horizontaal en verticaal.'

Al-Marri begint opnieuw te neuriën. Ze duwen zijn hoofd richting de foto's, schreeuwen dicht bij zijn gezicht, slaan met twee handen op zijn wangen, gaan op zijn schoot zitten: ze wíllen dat hij luistert. Met twee vingers duwen ze zijn kin omhoog.

'Ik ademde door mijn neus. Maar van het ene op het andere moment kreeg ik ineens geen lucht meer. Ik stikte. Het voelde alsof je onder water adem probeert te halen. Ik kon niets doen. Het enige wat ik wilde, was die sokken eruit halen. Maar mijn handen zaten vast.

'Ik weet niet waarin ik stikte. De sokken? Mijn speeksel? Mijn tong? Het was alsof ik aan het verdrinken was. Ik worstelde, mijn lichaam schokte. Ik probeerde mijn handen uit de boeien te trekken. Ik herinner me dat ik twee mannen rustig naast me zag zitten en dacht: ze laten het gewoon gebeuren.'

Hoe lang alles precies duurt, weet hij niet meer. Hij weet alleen dat hij op een gegeven moment niets meer waarneemt. 'Ik ben nooit dichter bij de dood geweest.'

Volgens documenten duurt het voorval 15 minuten, tot iemand de tape verwijdert. 'Ik begon te hoesten, gaf over.'

Zijn beschrijving wordt grotendeels ondersteund door documenten. Defensie wijkt alleen af over de sokken. 'Er is katoen of kleding gebruikt met vier tot vijf lagen duct tape', staat er, 'maar dit werd niet in zijn mond gestopt.' Waar de katoen wel voor wordt gebruikt, blijft onvermeld. Hij leek niet te stikken of kokhalzen, staat er, 'behalve een kort moment aan het einde'. Ze geven toe dat polsen en enkels vastgeketend waren.

Al-Marri zegt dat Soufan na het voorval dreigend zijn cel binnenstapt. 'Hij zei: als je niet meewerkt, dan verhogen we de druk.'

Nog dezelfde avond verschijnen nieuwe orders in de logboeken. 'Als de enemy combatant slaapt, moet hij elke 15 minuten worden gewekt', staat er. 'Verzeker je ervan dat hij leeft.' De bewakers moeten hem elk kwartier letterlijk zien bewegen. 'Doe zo nodig het licht aan in zijn cel.'

'Doe wat je moet doen', zegt al-Marri tegen hen. 'Maar ik ga niet elke 15 minuten wakker worden. Ik zal niet meewerken.'

'Elk kwartier klopten ze op mijn deur', vertelt hij. 'Ali, riepen ze, wakker worden. Ik raakte half in slaap, half bij bewustzijn. Na een tijd werd ik zo moe dat ik dingen begon te zien die er niet waren. Ik zag wormen uit de muren kruipen. Ik zag dingen bewegen door mijn cel. Schaduwen. Geesten. Ik wist dat het niet normaal was, maar ik zag ze.

'Het werd zo erg dat het me niets meer kon schelen wat ze met me deden. Daarop besloot ik wakker te blijven - zo lang mogelijk - zodat ik zo moe zou worden dat ik door alles heen kon slapen.' Volgens de logboeken bezoeken Soufan en twee andere ondervragers de gevangenis in die tijd.

Een paar dagen later wordt al-Marri na een verhoor twee uur lang alleen gelaten in de verhoorkamer, met foto's van zijn kinderen. 'See you in heaven', zegt hij tegen hen. Naar eigen zeggen is hij ervan overtuigd hier nooit meer uit te komen.

De verhoren gaan door tot juli 2004. Daarna komen de ondervragers niet meer terug.

De lange isolatie heeft impact op al-Marri, stelt een Amerikaanse psychiater die hem later in de gevangenis onderzoekt. Zo kan hij zich steeds minder concentreren en moet hij zichzelf volledig uitputten om in slaap te kunnen vallen. Door gebrek aan prikkels raakt hij overgevoelig voor geluiden. Het gezoem van een ventilator drijft hem tot waanzin. Ook denkt hij 's nachts een klok te horen tikken. Al-Marri vertelt de psychiater dat hij steeds minder voelt. 'Vroeger werd ik emotioneel', zegt hij. 'Nu denk ik niet meer aan buiten. Ik denk alleen nog aan de dingen van vandaag. Ik mis mijn huis niet meer en mijn gezin ook niet. Daar maak ik me zorgen over.' Volgens de psychiater is hij lange tijd blootgesteld aan hevige angsten en geloofde hij vaak dat hij hier nooit meer levend uit zou komen.

Na anderhalf jaar isolatie spreekt al-Marri voor het eerst een advocaat, maar het duurt dan nog jaren voor er beweging komt in zijn zaak. In 2009 tekent hij uiteindelijk een schuldbekentenis, in ruil voor strafvermindering, waarin hij onderschrijft dat hij contacten onderhield met Al Qaida, hen ondersteunde, trainingskampen bezocht in Pakistan en naar giftige stoffen zocht op zijn computer.

'Mijn advocaat wilde niet dat ik tekende', zegt hij. 'Hij liep de kamer uit. Ze hebben níéts, schreeuwde hij. Maar ik wilde zeker weten dat er een eind kwam aan mijn gevangenschap. Ik wilde mijn kinderen weer zien.' In totaal zit al-Marri dertien jaar vast, tot hij in 2015 vrijkomt en wordt uitgezet naar Qatar.

Verantwoording Het dossier van al-Marri

De Volkskrant kreeg het dossier over de Qatarees Ali al-Marri in handen van de Britse ngo Cage, een organisatie die zich inzet voor de rechten van terrorismeverdachten en de uitwassen van het antiterrorismebeleid wil laten zien. De organisatie publiceerde in 2003 een lijst met namen van gevangenen die onder meer door de Verenigde Staten in Guantánamo Bay werden vastgehouden. Cage heeft de documenten over al-Marri gedeeld met verschillende internationale media, waaronder CNN, Die Zeit, The Guardian en de Volkskrant.

De documenten werden verkregen van de Amerikaanse advocaat Andy Savage. Hij slaagde erin 35 duizend documenten mee te nemen uit de militaire gevangenis, nadat een rechter hem toegang had verleend tot het dossier over de detentie en behandeling van zijn cliënt.

De Volkskrant onderzocht de afgelopen anderhalve maand het dossier en sprak in totaal ruim zes uur met al-Marri in Amsterdam. Ook met zijn advocaat is een uitvoerig gesprek gevoerd. Daarnaast is drie deskundigen op het gebied van internationaal recht het dossier voorgelegd.

Cage-directeur Muhammad Rabbani zegt het belangrijk te vinden deze zaak naar buiten te brengen omdat onder de huidige Amerikaanse president Trump er een klimaat heerst waarbij martelen weer normaal lijkt te worden gevonden. 'Onze inspanning om bewijs voor martelen boven tafel te krijgen, is een waarschuwing aan degenen die martelden dat wij vastberaden zijn hen bekend te maken en voor de rechter te dagen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.