Deugen is niet alles 'DE GROT' VAN TIM KRABBÉ IS AANGENAAM ONDIEP

TIM KRABBÉ is de enige schrijver in Nederland die een boek kan publiceren dat De grot heet, zonder daarin met Plato te komen aanzetten....

Hoewel. Aangezien het Krabbé niet ontgaat in welk opzicht hij hier te lande een uitzondering is, kan hij ook op zijn vingers natellen dat zijn lezers de hele tijd op Plato zitten te wachten, en diens grotmythe toch gaan betrekken op De grot. Curieus als het mag klinken: door de wijsgeer niet te noemen, speelt Krabbé handig in op de verwachting die hij met de romantitel wekt, en gaat zijn grot zo losjes mogelijk een verbinding aan met het klassieke verhaal over het schimmenspel dat de onbewuste mens voor de werkelijkheid verslijt. Krabbé geeft ons het idee dat wijzelf zonodig die diepere betekenislaag willen aanbrengen. Weet hij veel. Hem zul je niet betrappen op geleerde verwijzingen. Zijn boek is gewoon spannend, toch? Ook wat dat betreft, is hij een ongewone verschijning: zijn spannend bedoelde verhalen zijn nog spannend ook.

Met eenzelfde slimheid als waarmee hij de titel op zijn boek plakte, componeerde Krabbé een verhaal over de clash tussen jeugddromen en midlifecrisis, en die tussen de geheimzinnige wetten van de geduldige Aarde en de banale van de jungle waarin de ongeduldige Mens zich staande moet houden. Ook hier geldt dat deze pompeuze bewoordingen slechts tersluiks in De grot worden gebezigd. Dat we niet denken met een pretentieus scribent van doen te hebben. Aan de soort gaat de wereld al ten onder. Nee, wij zijn het zelf die, in kennelijk dringende behoefte, het diepe van de interpretatie induiken. Krabbé wast zijn handen in onschuld, en huppelt voort naar zijn volgende vertelling. Alles wat op deze plek wordt beweerd, komt niet voor zijn rekening.

De grot is, zoveel mag duidelijk zijn, aangenaam ondiep. Krabbé heeft zich vermoedelijk in de voorgaande jaren afgevraagd wat een sullig zakenman als Johannes van Damme moet hebben bewogen zich met verboden spul in het levensgevaarlijke Singapore te begeven. Daar werd hij gepakt en onthoofd. Ook heeft de schrijver zich ingelezen omtrent de crimineel Klaas Bruinsma, die zich zo schaamteloos extravert als mafiabaas profileerde dat hij op zekere klaarlichte dag naast het Hilton in Amsterdam kon worden afgeknald.

Die twee gegevens heeft Krabbé gekoppeld. Hij verzon Egon Wachter, een Van Damme-achtige figuur die geld nodig heeft, en voor hij goed en wel beseft wat hij doet, met een koffer vol verboden waar op een parkeerterrein staat in een Aziatisch land, waar hem onthoofding wacht zodra hij wordt gesnapt. Ook bedacht hij Axel van de Graaf, een branieschopper die het tot penozekoning brengt en er niet om maalt dat zijn vuile zaken regelmatig dodelijke slachtoffers veroorzaken. Daar zijn het vuile zaken voor.

Van de Graaf en Wagter kennen elkaar sedert de jaren zestig. Als jongelingen gingen ze naar hetzelfde zomerkamp in de Belgische Ardennen. Axel was de stoere gozer die de bedeesde Egon inwijdde in de schokkende genietingen van het-met-meisjes-doen, van onmatig drankgebruik en van meer roken dan een betrekkelijk onschuldig sigaretje.

Egon wordt geoloog, maar ziet zijn inspanningen om hogerop te komen in zijn vak niet verwerkelijkt. Hij is beroepsmatig bezig met het onderzoeken van toen, van hoe de aardkorst is ontstaan en opgebouwd, zonder dat hij daarmee in het hier en nu slaagt en erkenning verwerft. Het ontbreekt hem zelfs aan pecunia om aan een interessante Amerikaanse expeditie in Brazilië deel te nemen. Wil hij zijn droom achterna, dan zal hij eerst een vuil zaakje voor zijn oude makker Axel dienen op te knappen. Met een geheime koffer reist hij af naar de doodenge dictatuur van Ratanakiri.

Zo is de opzet van het boek. Krabbé vergist zich één keer, als hij in een bijzin meldt dat de jongeren destijds in La Roche het graf van een jonggestorven Nederlandse dichter bezochten. Of is het betweterigheid van onderstaande lezer, te veronderstellen dat daarmee Jacques Perk wordt bedoeld, die in 1879 in La Roche resideerde in hetzelfde hotel als Oscar Wilde, doch die in 1881 te Amsterdam stierf om ter aarde besteld te worden op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in de Watergraafsmeer. Zal wel. Krabbé noemt immers geen naam, hij kijkt wel uit voor dikdoenerij. Denkelijk is het verstandiger te zeggen dat dit niet is gezegd. Geen fout van zijn kant; een hinderlijke hebbelijkheid van een lezer die dacht dat hij ook wat in te brengen had.

Zonder er met uitroeptekens, kapitalen of vette letters extra aandacht voor te vragen, strooit Krabbé met mooie zinnetjes die de stroevere en onhandige exempla wegpoetsen. Als Egon een ruim halfuur verwijderd is van het moment dat hij de koffer aan een onbekende moet overdragen op de parkeerplaats, staat er: 'Het lukte hem niet een gedachte te hebben.' Treffende verwoording van de paniek van iemand die op iets duisters heeft te wachten. De spanning, weet Krabbé als niet veel anderen, zit niet in de handelingen van het moment zelf. Ze wordt aangemaakt door het wachten dat eraan voorafgaat.

Dat duistere is iets ondeugends. Zo noem je dat althans zolang het om spelletjes of streken van kinderen gaat. De attractie van de ondeugd, van dat wat in de ogen van de goegemeente niet door de beugel kan, gaat echter nooit volkomen verloren. De braverik Wagter die zijn volwassen en echtelijke leven ingedut ziet als hem met een klap duidelijk wordt dat zijn houding het avontuur en de vervulling smoort, is meer dan ooit ontvankelijk voor de verlokkingen van de ondeugd. Die is genaamd Axel van de Graaf.

Op de vakantie in de Ardennen, lang geleden, heeft zich een verstolen moment voorgedaan waarop Egon aan de zuigkracht van Axel kon ontkomen. Hij bevond zich toen onder het oppervlak, waar de wetten van de jungle gelden. In de grotten van Hurennes stond hij zij aan zij met de Hilversumse Marjoke, en oog in oog met de wonderen van de oertijd.

Ze werden dra uit die beschutte plek verdreven. Marjoke vertrok later naar Amerika en werd Marcie, een echtgenote en moeder die als liefhebberij een winkeltje met oude stenen drijft. De klad komt in de zaak. Haar huwelijk vertoont barsten en kloven. Ze kan er alleen uitbreken als ze op ondeugdelijke wijze aan een smak geld komt. Voordat ze daartoe overgaat, bevangt haar de paniek van iemand die iets spannends te doen staat. Die roept Krabbé op met zinnetjes als: 'Ze at haast niets, en ze speelde haar lach.'

Door de spiegeling van de geschiedenissen van Egon en Marcie, en de keuze om de beschrijving van hun broze samenzijn in de grot voor het laatste hoofdstuk te bewaren, bouwt Krabbé op vederlichte wijze zijn spannende verhaal om tot een liefdesverhaal met tragische afloop. Er zit niks méér achter De grot dan er staat, begrijpen wij, en voelen ons met onze tics enigszins in ons hemd staan. Want er zit genoeg in.

Arjan Peters

Tim Krabbé: De grot.

Bert Bakker; 181 pagina's; ¿ 29,90.

ISBN 90 351 1758 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden