DERDE KLAS DORP OP WIELEN

NA VIER JAAR CORRESPONDENTSCHAP IN MOSKOU HIELD BART RIJS HET GEVOEL DAT HET & EACUTE;CHTE RUSLAND HEM ONTGLIPTE. NOG & EACUTE; & EACUTE;N KEER REISDE HIJ NAAR HET OOSTEN....

In het oranje stationslicht dat door de ruiten naar binnen schijnt, zoeken de passagiers zenuwachtig hun plaatsen. Ze roepen, duwen elkaar uit de weg met de bruuskheid van mensen voor wie een treinreis geen alledaagse zaak is. Wat als iemand hun plaats inneemt? Wat als ze in de verkeerde wagon zijn gestapt? Ze zetten hun bontmutsen af, worstelen zich uit hun jassen, en proppen immense vierkante tassen op de bagageplanken.

Dan gaat er een schok door de trein en terwijl de lichten langzaam voorbij beginnen te schuiven, kleden ze zich om in foetbolki en trenerki, het uniform van de Russische treinreiziger, een trainingspak van slobberig nylon. De passagiers nemen elkaar voorzichtig op; de komende dagen zijn we tot elkaar veroordeeld. Ik reis derde klas: geen coupés, alleen britsen, van elkaar gescheiden door schotten. De britsen zijn te kort om je te kunnen uitstrekken, te smal om je fatsoenlijk om te draaien, te laag om overeind te gaan zitten.

Ik had vier jaar in Moskou gewoond en geschreven over de intriges in het Kremlin, de oorlog in de Kaukasus, de corruptie en de hervormingen, maar toch knaagde het gevoel dat het echte Rusland me ontglipte. Voor ik vertrok, wilde ik nog één keer door het land reizen. Niet zoals de elite die per vliegtuig door de lucht schiet, maar met de gezinnen op familiebezoek, de vakantiegangers en de handelaars, de Ivans en de Katjas en de Sergejs die de roebels voor een retourtje derdeklas bij elkaar moeten schrapen. Russische revolutionairen, schrijvers en aristocraten die hun land de maat wilden nemen, hadden meer dan eens hetzelfde gedaan. Door de vuile raampjes speurden ze naar tekens, en als ze weer achter hun bureau zaten, was de trein met zijn passagiers onvermijdelijk de verzinnebeelding van Rusland geworden.

Als de nacht verbleekt, liggen de lichten van Moskou ver achter ons. Over het bos ligt een vers laagje sneeuw. Op de open plekken staan betonnen woondozen of scheve houten huisjes met kozijnen die lijken op kantwerk, omgeven door slordige groentetuinen. Dit is het traject van trein No. 1, de Rusland-expres, die van west naar oost door het hele land rijdt. De wagons zijn geschilderd in het nationale wit-rood-blauw. Uit de luidsprekers boven de britsen kondigt popmuziek uit de elektronische ritmebox de nieuwe dag aan.

Alsoe is op weg naar haar dochter, een treinreis van vijf dagen, en ze heeft het zich in een hoekje bij het raam gemakkelijk gemaakt. Ze is een verpleegster met een geverfd permanent en vlezige armen. Het is niet moeilijk voor te stellen hoe ze de zieken verzorgt met de mengeling van lompe manieren en tederheid die Russische vrouwen van een bepaalde leeftijd eigen is. Vroeger had ze elk jaar geld voor een gezamenlijke vakantie, nu heeft ze haar kleinkinderen vier jaar niet gezien. Haar generatie denkt met nostalgie terug aan de kneuterigheid van de Sovjet-dictatuur.

'Onder Brezjnev was het beter', zegt ze zonder aarzelen.

Ze is lang niet de enige die er zo over denkt: volgens de peilingen is de ijdele en half seniele Brezjnev de meest geliefde leider uit de Rus sische geschiedenis. 'Onder Brezjnev konden we een televisie kopen en was de koelkast altijd vol', zegt Alsoe.

'En toen kwam de democratie.' De verpleegster spreekt het woord democratie uit alsof ze 'zondvloed' zegt. 'Sinds de democratie moeten we voor alles en nog wat betalen.' In het nieuwe Rusland zal haar generatie zich nooit thuis voelen. Het is alsof ze zonder te verhuizen naar een ander land zijn geëmigreerd, waarvan ze de taal maar half verstaan en de gebruiken niet kennen. Zelfs haar eigen kleinkinderen zijn vreemden geworden voor Alsoe. 'Wij kijken de hele tijd terug, zij zijn anders, slimmer.'

'Anders? Op wat voor manier?', vraag ik.

'Die leven alleen voor zichzelf.'

De passagiers spreiden een Argoementy i Fakty uit over de tafeltjes tussen de britsen en stallen er hun proviand op uit: gebraden kippenpoten in een servetje, een zak met bleke tomaten, een homp roggebrood, theezakjes en een kartonnetje yoghurt. Als de reizigers elkaars eten hebben geproefd en geprezen, het krantenpapier vol vetvlekken zit en ze herinneringen hebben opgehaald aan feestmaaltijden van vroeger lijkt de wagon veranderd in een dorp op wielen waar iedereen iedereen kent.

Met de vermoeide blik van een lerares die weet dat ze geen orde kan houden, dwaalt de blik van de conductrice door de wagon. Ze huist in een hokje naast de metalen heetwaterkoker en behandelt ons alsof we stoute kinderen zijn.

'Kameraad passagier! Onmiddellijk die deur dicht!'

Elke halte klautert ze uit haar wagon en terwijl de passagiers hun benen strekken, slaat ze met een bijl de gele ijspegels van het onderstel af om te voorkomen dat de wc helemaal dichtvriest.

Als de trein na een minuut of twintig verder boemelt, dommelen we op onze britsen en staren naar de bossen van het eeuwige Rusland. Het is al donker als de trein de Oeral passeert: een paar glooiingen in plaats van de steile bergrug die iemand zich voorstelt bij de grens tussen twee continenten.

Ergens bezijden de spoorlijn, op het hoogste punt, staat een groen marmeren obelisk met de woorden azië europa.

'Poort van Azië', noemt Jekaterinenburg zichzelf. Geen mooie stad: een enorme schoorsteen braakt zwavelkleurige rook uit over ka rak terloze gebouwen. Op haar Dr. Martens baggert Irin a Denez j ki na door de moddersneeuw in de straten. Ze is wat je noemt een controversiële jonge schrijfster. Nog voor ze waren gedrukt, nomineerde een jury haar verhalen op www.proza.ru voor een nationale prijs. Toen ze voorlas in een Moskouse club, riep een man: 'Stop! Stoppen met die vuiligheid!'

'Er zou iets mis zijn als de ouderen het een goed boek zouden vinden', zegt ze nuchter.

De titel zou de strijdkreet van haar generatie kunnen zijn: 'Geef op!' Ze schrijft innemende verhalen over haarzelf en haar vrienden: Ljapa de repper; Denja die sinds Tsjetsjenië zwelgt in melancholie; haar beste vriendin Volkova, die rijke kerels aan de haak slaat en giechelend opbelt uit de disco om haar te vertellen hoeveel baks ze aan haar uitgeven. Niets schokkends. Ja, er wordt gevloekt, wiet gerookt en geneukt. Voor de Russen die zijn opgegroeid met de preutsheid van het sociaal-realisme, en anders wel met het hoogdravende moralisme van de dissidente literatuur, is dat al te veel. Zij is net twintig, van het sociaal-realisme weet ze minder dan van Roesski rok. Lenin is voor haar dat standbeeld waar je afspreekt met je vrienden.

Ze heeft een bar uitgezocht waar mtv staat te schetteren en duur importbier te koop is. Ik, de buitenlander, betaal.

'Veel verdienen met weinig werk, dat willen we', zegt ze. 'Mobiel tjes inkopen in Europa, en ze hier voor de dubbele prijs verkopen, zoiets. Wat moeten we met politiek? Politici zijn allemaal volgevreten en verkocht. We willen alleen plezier maken.'

Even na negenen piept haar mobieltje. Haar moeder. De schrijfster woont thuis ja, zoals het gros van de Russen van haar leeftijd. Een eigen flat is een onbereikbare luxe. Haar moeder maakt zich zorgen: dat ze nog niet thuis is op een doordeweekse dag als deze.

De tsjelnoki, de handelaars, zijn al honderd keer door de Siberische steppe heen en weer gereisd: een naargeestige vlakte waar soms lusteloos een rivier doorheen kronkelt. Boven hun britsen staan tassen met spullen made in China, die ze met een mager winstje verhandelen. Ze zijn opgeleid als lasser of ingenieur of chirurg, maar toen het Internationale Monetaire Fonds de wisselkoers met zijn leningen kunstmatig hoog hield, konden ze meer verdienen met de pendelhandel. Niet voor lang; sinds de roebelcrisis vier jaar geleden is het sappelen.

Een van de handelaars, een veertiger met een pokdalig gezicht, heeft zijn mond vol van mensenrechten. Hij heeft een harde stem en zwaait met zijn vinger: 'Het is een schending van de mensenrechten!' De regels van de spoorwegen, bedoelt hij. Je mag maar drie stuks bagage meenemen van bepaalde afmetingen. Straks komt de revisor met zijn rolmaat en dan moeten de tsjelnoki boetes betalen. Ze gaan voor elke reis op hun tassen zitten om ze samen te persen en omwikkelen ze met bruin plakband, maar het helpt niets.

'Een schending van de mensenrechten!'

'En de Tsjetsjeense mafia mag zijn gang gaan', zegt de handelaar op de brits er tegenover, het soort man dat de Sovjets op hun propagandaposters afbeelden: jong, gespierd, vierkante kaken. 'Onder tus sen staan wij Russen op het tweede plan.'

Dit keer zullen ze weigeren te betalen. Ze zullen zelfs geen biljet van 100 roebel in de zak van de revisor moffelen zodat hij hen met rust laat. Op hoge toon zullen ze zich op hun mensenrechten beroepen, en omdat er een buitenlander bij zit zal hij niks terugzeggen. Ze stoten elkaar aan als in het gangpad een blauw uniform met glimmende koperen knopen opduikt. Beteuterd kijken ze toe hoe de revisor doorloopt zonder hen een blik waardig te keuren. Daar gaat hun verzetje.

'Zijn er in Europa ook revisoren?', willen ze weten.

'Wel belastinginspecteurs.'

Daar moeten ze om lachen: wie is er nou zo dom belasting te betalen? Zij maken deel uit van het leger scharrelaars dat met een enorm doorzettingsvermogen en vindingrijkheid overleeft in de jungle van het wilde Russische kapitalisme. 'Wij Russen zijn goed in het overwinnen van problemen. Alleen komen er telkens weer nieuwe problemen bij', zegt de mensenrechtenkampioen. De staat? Van de staat verwacht hij niets; alleen dat mensen zoals hij met rust worden gelaten.

Het brein van Rusland, werd Akademgorodok genoemd. De instituten en de flats liggen verborgen in het woud langs de spoorlijn. Alleen de briljantste onderzoekers kregen er een aanstelling. In het Academiestadje waren de fondsen onuitputtelijk en konden wetenschappers er politieke opvattingen op na houden die hen ergens anders de kop zouden kosten - zolang er maar ontdekkingen werden gedaan. En dat deden ze: software voor satellietbesturing, geavanceerde laserscalpels, supermaïsvariëteiten, en een plan om de loop van de Siberische rivieren met kernexplosies te verleggen naar de woestijnen van Centraal-Azië.

'Het brein van Rusland? We zijn erachter gekomen dat niet het brein maar de maag het voornaamste orgaan is.' Aleksandr Koe drjavtsjov is een flegmatieke man met een bril met jampotglaasjes. Door de ondergrondse gangen van zijn kernfysica-instituut gaat hij voor naar een rommelige loods.

'Het resultaat van dertig jaar fundamenteel onderzoek.'

Er staat een gigantische oude thermoskan. Het is een elektronenversneller, en hij is te koop. Nadat Koedrjavtsjov directeur werd, stortte de Sovjet-Unie in, droogden de fondsen op, en was zijn personeel gedwongen supermaïs in hun groentetuinen te planten om aan eten te komen. Het instituut heeft zijn kennis in de uitverkoop moeten doen, het Aca demiestadje is een wetenschappelijke winkel van sinkel geworden. 'U kent dat gezegde toch wel', vraagt Koedrjavtsjov. 'Als je zo slim bent, waarom ben je dan zo arm?'

In een hal is een permanente tentoonstelling ingericht. 'Com mer cial suggestion: search for partner to organise sales', staat er bij de meeste vindingen. De sociëteit van de wetenschappers is verbouwd tot een restaurant waar de directie stroop om de mond smeert van buitenlandse kopers. De commercieel directeur van het Katalyse-instituut wisselt in het restaurant visitekaartjes uit met een Chinese zakenman.

'Ik houd erg van Russisch bier', zegt de Chinees. 'Gisteren heb ik 3 liter gedronken.'

'U houdt zeker ook erg van onze meisjes,' fleemt de Rus.

De vaste-stoffysici, wiskundigen, genetici en chemisch technologen leuren net als de treinhandelaars met hun waren. Bewon derens waardig snel hebben de wetenschappers geleerd genoeg geld te verdienen om zelf hun instituten draaiende te houden. Het holle gevoel dat er in Rusland niemand meer zit te wachten op het resultaat van hun inspanningen - dat blijft.

De Rusland-expres rijdt door de ene na de andere tijdzone. De meeste passagiers doen geen moeite meer om de gordijntjes open te schuiven, ze zijn het besef van tijd allang kwijt. De klok in het gangpad staat volgens spoorwegvoorschrift op Moskouse tijd en biedt geen enkel houvast. De temperatuur in de wagons is tropisch, het ruikt er als de kleedkamer van een gymzaal.

Sasja, Timofej en ik zijn dronken. Zelfs Natasja is dronken, en als vrouw krijgt die telkens maar een bodempje ingeschonken. Aan een knaapje hangt een jasje met op de epauletten de vier sterren van een luitenant. Al jaren tuurt Timofej in het Verre Oosten op een radarscherm naar de pulserende stipjes van Amerikaanse straaljagers. Drin ken is verboden in de trein, maar Timofej heeft van verlof een hele doos wodka meegenomen. Van de giftige blikken van de conductrice trekt hij zich niets aan.

Sasja dient bij de raketstrijdkrachten. Een tijd was hij gelegerd op de lanceerbasis waar Joeri Gagarin startte voor de eerste ruimtevlucht. Telkens als er een raket op weg ging naar de kosmos, rammelden de ramen van zijn barak in hun sponningen.

Natasja haalt een plastic doos met gekookte aardappelen tevoorschijn. Een borrelhapje. Ze trouwde in de tijd dat een jonge luitenant een gewilde partij was. Ze drinkt uit een mok met pin-ups in legergroene minirokjes, een cadeautje voor haar man. Giet je er hete thee in, dan staan ze plotseling alleen in hun netkousen.

Nog steeds zijn er in Rusland meer dan een miljoen man onder de wapenen; het leger is verpauperd, gedemoraliseerd en weigert halsstarrig in te krimpen. De trein zit vol officieren en soldaten op weg naar het Verre Oosten. Ook al lopen ze in trenerki, je herkent ze met een aan hun geschoren koppen, en anders wel aan de mengeling van cynisme en melancholie. In het gangpad kletsen ze via hun portofoons met hun kameraden in de wagons verderop.

'Natuurlijk verkoop ik een paar honderd liter benzine uit de militaire voorraad als ik de kans krijg', joelt Timofej, en schenkt nog eens bij. De officieren doen lacherig over de neergang; ze zijn eraan gewend geraakt. Timofej praat liever over de militaire piloten op zijn basis: stomdronken achter de stuurknuppel en tóch hun machines perfect aan de grond zetten.

'Dat zijn kerels!'

Als ik met een misselijk gevoel wakker word, is het licht. De officiersvrouw is verdwenen, Timofej heeft een ochtendborrel voor zich, en Sasja verdrijft de tijd met een pulpromannetje met de titel Nog is de oorlog niet voorbij. Het spoor loopt door de eindeloze taiga, de trein is het land van de goelag binnengereden.

Ergens anders zouden de kampen met de grond gelijk zijn gemaakt, of ingericht als museum; niet in Rusland. 'Opgericht op 23 januari 1938', staat er trots op het bord naast een houten gebouw met wit geverfde kozijnen, dat je voor een vakantiekolonie zou kunnen houden.

Dit is Resjoty: een onooglijk plaatsje waar lange-afstands treinen net lang genoeg stil staan om je op het perron te laten zakken. In het houten gebouw zetelt generaal-majoor Ana to li Ilitsj Koeratsj, die het bevel voert over 'penitentiaire instelling no. 238', een archipel van werkkampen die verspreid liggen in de taiga ten noorden van de spoorlijn. 'Executie zonder kogels', noemden de gevangenen de houtkap in de tijd van Stalin. Rond Resjoty hebben zich tienduizenden mensen uitgehongerd en doodgewerkt.

Generaal Koeratsj snapt niet waarom het vreemd zou zijn dat de werkkampen nog altijd open zijn. Westerse fijngevoeligheden! Er zijn in Rus land toch geen politieke gevangenen meer? Ze krijgen toch genoeg te eten? Ze worden toch door niemand geslagen? Nee, het 65-jarig jubileum in januari wordt een groots festijn, een gróóts festijn.

'Wat jullie in het Westen zien als vrijheid, heeft Rusland helemaal niet nodig', zegt hij. Wat Rusland volgens de generaal nodig heeft is eten. Het hoofd van i-238 is geen tegenspraak gewend. Hij leidt het grootste houtproducerende bedrijf van Rusland. Zijn woord is wet in een gebied vele malen groter dan Nederland.

Grootmoedig: 'Natuurlijk mag u alles bekijken.'

Van Resjoty loopt een spoorlijntje naar tien kampen diep in de taiga. In de voorste wagons van het dagelijkse boemeltje zitten bewakers en hun families; in de achterste, de ramen dichtgelast met stalen platen, een nieuwe lichting gevangenen. Bij de eerste brug staat een wachttoren: daar begint het gebied van de generaal. De taiga is hier al gekapt; er groeit schraal berkenbos met stammen bleek als botten.

Ik word ondergebracht in het gasthuis van het werkkamp. Terwijl ik gebraden gans eet en wodka drink met de officieren, zie ik een schim door de gang sluipen: een gevangene die de taak heeft te bedienen en hout te kappen voor de kachel.

Op de aangetrapte sneeuw staan de gevangenen in rotten van vijf te kleumen voor het ochtendappèl. Dadelijk moeten ze aan het werk. Al vriest het 40 graden, het kamp draait door (al ondertekent de generaal dan wel een order voor dubbele rantsoenen). '90 Pro cent keukenboksers', zegt een bewaker over de gevangenen. Ze zitten vast, vaak tien jaar of meer, omdat ze straalbezopen iemand hebben doodgemept. Er is een strafbarak, een winkelbarak met de naam 'Je familie wacht op je', en een barak met een tafeltennistafel en een biljart. Als beloning voor hard werk en goed gedrag mogen gevangenen daar een weekje uitpuffen.

De generaal heeft speciaal een locomotief gestuurd om me op te halen. Hij zit in zijn kantoor met de lijst met de houtproductiecijfers van de afgelopen maand. 'Nou, hadden de gevangenen blauwe plekken en zagen ze d'r mager uit?', triomfeert hij.

Anatoli Ilitsj wil laten merken dat hij geen gevoelloos mens is. Zijn ouders hebben onder Stalin zelf in het kamp gezeten. Toen ze vrij kwamen, hadden ze besloten in Siberië te blijven. En omdat het werkkamp de enige plaats was waar je werk kon vinden, werkten ze bij het kamp. Veel van zijn officieren hebben net zo'n familiegeschiedenis. Net als de mensen die ze moeten bewaken, zitten ze gevangen in de taiga. Vroeger mochten ze op hun vijftigste met pensioen en kregen ze een huisje of een flat in een warmere streek van Rusland. Nu zijn de flats te duur, de lonen miserabel, en kunnen ze niet weg.

De restauratiewagon is leeg. Liever dan het dure eten van de spoorwegen kopen de passagiers de warme pirogi gevuld met aardappel of kool waarmee baboesjka's tijdens de stops op het perron staan te venten. Olja bedient, Natasja werkt in de keuken. Ze zijn allebei achter in de twintig, maar Olja is even dik als Natasja dun is. Olja draagt een strakke spijkerbroek met glinsterende steentjes op de pijpen, Natasja heeft haar grijs met witte spoorweguniform ingekort tot een minirokje.

Vrouwen als Natasja en Olja hebben Rusland behoed voor de totale ineenstorting. Zoals zo veel Russische vrouwen zijn ze jong getrouwd en jong weer gescheiden, hebben ze opgroeiende kinderen, en hebben ze hun gezin ondanks de crisis draaiende gehouden.

Maar vandaag zijn ze een tikje baldadig: al zes dagen non-stop aan het werk, nog vijf te gaan. Ze hebben zichzelf getrakteerd op bonbons en glaasjes zoete Moldavische wijn en familiekiekjes op tafel uitgespreid. 'Waarom moeten wij altijd alleen zijn', pruilt Olja.

Natasja slaat een arm om mijn schouder. 'Ik heb de ideale man gevonden', giechelt ze.

Op haar achttiende was Olja op vakantie aan de Zwarte Zee ten huwelijk gevraagd door een rijke oude Bulgaar. Toen deed je zoiets niet, dat was in de tijd van de Sovjet-Unie.

'En nu?'

'Zou ik ja zeggen, als ie rijk genoeg was tenminste.'

Natasja poeiert een passagier af die iets wil drinken. De restauratie is even gesloten. Dansen! Olja wil dansen. Harder die muziek! Ze klimt boven op een tafeltje, drapeert een van de plastic planten die aan de wand hangt als een stola rond haar nek, en draait met haar heupen.

Natasja wil ook dansen, maar wel close. Verrukt rijden ze Irkoetsk binnen.

We hebben afgesproken bij de schrijversbond. Op de leestafel liggen oude jaargangen van de Literatoernaja Gazeta en overal staan potplanten met dikke, wasachtige bladeren. In het zaaltje waar hij me naar binnen loodst, staat een piano en langs de muren rijen bruin gebloemde leunstoelen. De schrijver heet Valentin Raspoetin. Hij heeft sinds de val van het communisme geen literatuur van betekenis meer afge leverd.

Toch is hij nog steeds beroemd, op zijn 65ste verjaardag publiceerde meer dan één Russische krant een lofzang op de schrijver. Ten tijde van de perestrojka had hij de nieuwe vrijheid gebruikt om te polemiseren in de kranten, vocht hij voor het behoud van het Bajkal-meer, en was hij door onbekenden in elkaar geslagen. Door de kgb, werd er gefluisterd. Na de omwenteling kwam de desillusie, en toen een beschaamd zwijgen.

Als Raspoetin spreekt over de 'verwestersing van de cultuur' en 'het gif van de televisie', en de platheid, over 'mensen die alleen denken aan kopen en verkopen', ligt er een misnoegd trekje om zijn lippen. In zijn tirade tegen de televisie klinkt de jaloezie door. Russen kijken liever soaps dan dat ze luisteren naar de oraties van een schrijver op leeftijd?

'Russen zijn anders dan westerlingen. Nee, niet beter, wel menselijker. Wij kunnen echt huilen, echt liefhebben. Daarin zijn we beter en zullen we altijd beter blijven. We moeten weer Russen worden.'

Het lijkt alsof de lucht in het zaaltje van de schrijversbond jarenlang niet heeft bewogen. Als we opstaan, breekt de arm van mijn leunstoel af.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden