Der Nederlanden: Gezellige spelletjes en de staatsruif

Encyclopedie van Nederland, deel 20 - De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima alweer een tijdje geleden. De opmerking viel niet bij iedereen in goede aarde. Als de Nederlander niet bestond, wie waren wij Nederlanders dan? Wat was onze identiteit? Lastige vragen. Welke zaken bepalen wie we zijn? Wát we zijn? Misschien is nationale identiteit, zo die al bestaat, een bonte verzameling puzzelstukjes, die gezamenlijk de idee van Nederland en de Nederlander vorm geven. Gerechten en tradities, geschiedenis, historische namen, curieuze gewoonten - de staatsruif en gezellige spelletjes. Deel 20 van een wekelijkse serie.

Illustratie: Ien van Laanen

Spelletjes, gezellige
Als de tekenen niet bedriegen, is het bordspel bezig met een heuse revival en keert het binnenkort krachtig terug op de gezellige eettafels van de Hollandse huiskamer - voor zover het daarvan ooit is verdwenen. In ouderwetse vorm, met een bord en pionnen, of in nieuwe gedaante: een iPad plat op tafel met daarop Mens-erger-je-niet, ganzenbord, Monopoly,Risk of Kolonisten van Catan.

Enig nadeel van laatstgenoemde speelmethode: het wordt onmogelijk om bij verlies met één machtige haal het spel van tafel te vegen en stampvoetend de kamer te verlaten. Te duur.
Enfin, Nederland wordt weer nóg Nederlandser en Geert mag meedoen.

Volgens Eduard van Looij van de Nederlandse spelletjesmaker Jumbo (Stratego, Pim Pam Pet, Mens-erger-je-niet) staan we aan de vooravond van een nieuwe bloeiperiode van het bordspel. 'Steeds meer ouders zien weer het belang van gezamenlijk een spel spelen. Ze zien hun kinderen gamen achter de computer, solo. Met samen spelen betrek je iedereen weer bij het gezin.'

En of dat nu gebeurt met een spel uit de ouderwetse doos, of op een iPad, dat maakt Van Looij niet zoveel uit. Net als andere spellenmakers is ook Jumbo zijn spellenarsenaal aan het digitaliseren.
Begin van de 17de eeuw: in Nederland is de strijd ontbrand tussen Arminianen en Gomaristen. W. J. Hofdijk in zijn Geschiedenis des Nederlandschen volks (1866): 'In herbergen en taveernen, bij kaarten of verkeerbord, rookende en drinkende, twistte men over het geloof; bij kolven of kaatsen geraakte men in heftige oneenigheid over de ware leer; en het vreedsaam ganzebord, dat geliefkoosde dobbelspel der burger huisgezinnen, was nu meermalen getuige van den strijd over de rechtzinnigheid, zoo warm, dat er de veêren afvlogen. Het plukhaire en elkander bier in het aangezicht werpen, het vuistvechten en bekkesnijden (...) werd er niet matiger door.'

Kolven en kaatsen, biergooien, harentrekken, op de vuist gaan en mesvechten: het volkse spel was gevarieerd maar ruw. Maar in de huiskamers van de 'burger huisgezinnen' lag het ganzebord op tafel. In de literatuur van de 18de en 19de eeuw, bij Betje Wolf, Justus van Effen, Jakob van Lennep en Lodewijk van Deijssel, wordt geganzebord dat het een lieve lust is.

Niet dat ganzeborden een typisch Nederlands spel is, ook Don Quichot speelde het al. Maar de veelvuldige vermelding van burgers die gezellig spelletjes doen, laat zien dat de Nederlander al eeuwenlang een homo ludens is. Of hij zich daarmee daadwerkelijk onderscheidt van andere volken is niet zeker, maar in elk geval geldt onder Nederlanders de huiskamertafel met daarop Mens-erger-je-niet of Monopoly als een oud-Hollands tafereel. Dus is het zo. Gordijnen dicht, schemerlamp aan, koffie erbij, koekje en laat de dobbelstenen rollen: het toppunt van gezelligheid.

Met de kinderen, of volwassenen onder elkaar. De grote spelletjeshits van de afgelopen decennia waren vooral spelletjes voor volwassenen: Risk, Triviant, Kolonisten van Catan.

Eigen marketingonderzoek van Jumbo, dat ook spelletjes exporteert, laat zien dat de spelletjesdichtheid in Nederland die in andere Europese landen overtreft. Dat heeft mogelijk te maken met het weer en de vroeg invallende duisternis, factoren die de mens naar binnen drijven. Naar een boek (Nederlanders behoren ook tot de grootste lezers ter wereld) of een spelletje.

Daarnaast zijn Nederlanders vroege eters: na de maaltijd resteert er voldoende tijd voor een potje Scrabble.

Dat ganzebord en ander onschuldig vermaak zo populair kon worden, had ook te maken met de protestantse afkeer van het kaartspel - geassocieerd met duivelse symbolen als 'de boer' en 'de nel' en met gokken - en het kroegdobbelen: verderfelijke activiteiten van heidenen en katholieken.

Bij het ganzeborden waren dobbelsteen en hokjes een leerzame metafoor voor het leven geworden: het lot, of liever de Heer, bepaalt onze levensgang, en wij hebben ons daarin maar te schikken, ook als de put nadert.

Spelletjes hebben altijd een didactiek belang gehad. Niet voor niets heet Mens-erger-je-niet, in 1908 bedacht in Duitsland, Mensch-ärgere-dich-nicht. Ook nadat de pion voor de zevende keer vlak voor de thuishaven van het bord is geslagen, wordt het kind geacht gelijkmoedig opnieuw te beginnen en níet te gaan slaan of met het bord te gooien.

Sinds de introductie van 'het meest gespeelde spel' in Nederland, in 1934, verkocht Jumbo ongeveer vier miljoen Mens-erger-je-niet-dozen. En nog altijd gaan er zo'n dertigduizend per jaar over de toonbank. Binnenkort dus ook over die van Apple/iTunes.

Staatsruif, de
Volgens Wakkerpedia, 'site voor wakkere Nederlanders', opgezet door Retecool.nl, is de staatsruif 'de girorekening van Wouter Bos die Het Volk mag spekken. Hieruit kunnen allerlei subsidieclubjes, ambtenaren en politici weer lekker vreten.'

Subsidie, aldus Wakkerpedia, is 'het gratis weggeven van belastingcenten waarmee linkse hobbies zoals kunst worden betaald en waarmee straatterroristen worden geknuffeld.'

De site is kennelijk al eventjes niet meer bijgewerkt; Wouter Bos knuffelt tegenwoordig vooral zijn vrouw en kinderen, en in de 'linkse hobby's' worden door het nieuwe rechtse kabinet flink gesneden, opdat geen enkele hobbyist straks de staatsruif meer 'leeg vreet'. Kunst en cultuur worden 'stevig aangepakt'. Bij verstrekking van subsidies, aldus het regeerakkoord, wordt voortaan eerst gekeken naar de mogelijkheden eigen inkomsten te verwerven.

De bezuiniging van 200 miljoen euro op de rijkscultuursubsidies is historisch hoog. Historisch is ook de bijklank die het woord subsidie de afgelopen jaren heeft gekregen, althans als het om cultuur, milieu of ontwikkelingssamenwerking gaat. Het is de bijklank van smoezelig, schimmig, van misbruik en over de heg flikkeren, van werkschuw tuig dat te beroerd is op tijd zijn nest uit te komen om op een fatsoenlijke manier een eerlijke boterham te verdienen.

Landbouwsubsidies of subsidies voor de plaatselijke voetbalclub hebben die bijklank niet; dat zijn rechtse hobby's. Over subsidies voor onderwijs en wetenschappen maakt evenmin iemand zich druk. Maar dus wel over subsidies voor kunst en cultuur (900 miljoen euro in 2010, ongeveer 0,6 procent van het overheidsbudget).

Vroeger had je mecenassen, rijke burgers die een deel van hun vermogen in de kunsten stopten. Haarlem dankt er het Teylers Museum aan, het oudste museum van Nederland van laken- en zijdefabrikant Pieter Teyler, die zijn collectie ruim 200 jaar geleden naliet aan een stichting, zodat het publiek ervan kon genieten. In de jaren erna deed de rijkssubsidie zijn intrede.

Sinds de jaren vijftig was de politiek tamelijk eensgezind over de noodzaak van het subsidiëren van kunst en cultuur. De overheid betaalde, maar bemoeide zich nergens mee, was de gangbare opvatting, die ook wel het 'Thorbecke-adagium' werd genoemd. 'De kunst is geen regeringszaak, in zooverre de regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst', had de liberaal in 1862 gezegd. Simpel vertaald: de minister moet geld geven en verder zijn bek houden.

Sinds een paar jaar ligt die stelling onder vuur, met de voorgenomen bezuinigingen van het kabinet-Rutte als apotheose. Nieuwe mecenassen of sponsors moeten de ontstane tekorten maar opvullen, als ze daar zin in hebben; en anders maar niet.

Subsidies worden doorgaans verdedigd met de stelling dat het te subsidiëren goed verdienstelijk is: het gaat om merit goods, zaken die belangrijk zijn voor een samenleving. Maar toch ook weer niet zo belangrijk dat de consument niet uit zichzelf bereid is er flink voor te betalen. Dat maakt het belang ervan zo willekeurig en elke discussie erover stroperig, wat nog wordt versterkt door de wazige termen waarmee het belang van kunst vaak wordt verdedigd; dan gaat het over bezieling, verbinding, over spiegels die worden voorgehouden en tot nadenken stemmen. Ga je bezuinigen, dan krijg je 'kaalslag'.
De onlangs overleden econoom Jan Pen legde in 1980 in zijn populaire werk Kijk, economie het fenomeen subsidie mokkend uit: 'Het zwakste verhaal komt er op neer, dat het te subsidiëren artikel broodnodig is. Zwak, omdat brood ook niet gesubsidieerd wordt. Het argument wordt vaak toegepast op de kunst. Helaas gaat het niet op. Als mensen schilderijen net zo nodig vonden als oliebollen hoefde de overheid niet bij te passen en konden de schilders hun geld verdienen op de manier van warme bakkers. Sommige schilders slagen daar ook in, maar 't is een minderheid. En speciaal op de uitvoerende kunst (muziek, toneel, ballet) wordt veel geld bijgelegd. Zo heel broodnodig vindt het publiek deze uitvoeringen blijkbaar niet, en daar wringt juist de schoen.'

In 2006 vroeg dagblad Trouw zijn lezers wat ze het mooiste schilderij van Nederland vonden. Winnaar werd Johannes Vermeer, op de tweede plaats stond Rembrandt, derde was Van Gogh. Schilders die het zonder een cent subsidie toch nog ver hebben geschopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden