Der Nederlanden ; ; Fiets, de Kaasschaaf, de

fiets, de Nederland is het enige land ter wereld met meer fietsen (18 miljoen) dan inwoners (16,5 miljoen). Van alle Nederlanders heeft 84 procent één of meerdere fietsen....

De fiets behoort tot onze ‘nationale habitus’, een term die voor het eerst werd gebruikt door de socioloog Norbert Elias. Op 11 juni, ter gelegenheid van haar benoeming tot bijzonder hoogleraar sociale wetenschappen aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, definieerde Giselinde Kuipers nationale habitus zo: ‘De aangeleerde praktijken, gebruiken, gevoelens en standaarden die zozeer deel van onszelf zijn geworden, dat ze vanzelfsprekend en natuurlijk voelen’, de nationale habitus is onze cultureel en sociaal bepaalde ‘tweede natuur’. Kuipers oratie had de titel De fiets van Hare Majesteit – over nationale habitus en de sociologische vergelijking’.

De fiets behoort dus tot onze tweede natuur, en dat onderscheidt ons van de bewoners van omringende landen. Kuipers: ‘De fiets, als dagelijks vervoermiddel, niet alleen voor studenten of milieubewuste types, maar ook voor mannen in pakken, voor de minister en zelfs voor de koningin, stopt bij de Nederlandse grens.’

In Frankrijk hebben ze al meer dan honderd jaar de Tour de France voor fietsers, maar als ze die ronde van start willen laten gaan in een echt fietsland, is er maar één kandidaat. Vandaag is het weer eens zover: in Rotterdam wordt de proloog van de Tour verreden.

Rotterdam is jammer genoeg in de Nederlandse verhoudingen weer geen echte fietsstad. Wat dat betreft zat de Giro van 2002 goed. Die startte in Groningen, waar 37 procent van alle verplaatsingen per fiets gaan. Groningen is daarmee ook de fietshoofdstad van de wereld, op de voet gevolgd door Zwolle (36 procent). De internationale concurrentie komt van Munster (ook 36 procent), Kopenhagen (32) en Ferrara (30). Amsterdam scoort 28 procent.

Helaas weten we niet zeker waar het woord ‘fiets’ eigenlijk vandaan komt. Volgens het Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries zou het kunnen dat het om klanknabootsing gaat: ‘fts, zo is hij weg’. Fiets zou ook een afleiding kunnen zijn van het Franse vélocipède. In Wageningen woonde rond 1880 de rijwielhandelaar E.C. Viets, en er schijnt in Engeland een fietsenfabrikant Fitz te zijn geweest.

Kortom, we weten het niet.

In Nederland begon na WO I de opmars van het ingenieuze vehikel, en al snel viel het buitenlanders op dat hier zoveel fietsers waren. De Duitse Anne-Katrin Ebert schreef enkele jaren geleden een proefschrift over de fietsmatige verschillen tussen Duitsland en Nederland, Ein Ding der Nation: Das Fahrrad in Deutschland und den Niederlanden, 1880-1940. Ebert wist wel waar ze stopte: tijdens de Tweede Wereldoorlog confisqueerde de Duitse bezetter duizenden fietsen, wat leiders van het naoorlogse verzet ertoe bracht nog decennialang dialogen met Duitse toeristen te openen met: ‘Zuerst mein Fahrrad zurück.’

De positie van het rijwiel was in Nederland van meet af aan anders dan in Duitsland. Hier was de fiets het vervoermiddel van de gegoede burgerij, in Duitsland fietsten vooral de arbeiders.

Kuipers: ‘Een belangrijke reden voor de brede acceptatie van de fiets is dat Nederland een homogene en sterk geïntegreerde natie is, door de hogere middenklasse gedomineerd, met weinig machtsafstand tussen klassen. Daardoor is er weinig ostentatief statusvertoon (...). De elite kon zich door de geringe afstand tot andere klassen weinig pronkgedrag permitteren.’

Gewoon fietsen dus, geen poespas. ‘De fiets is een goedkoop, sober, simpel voertuig, waarbij de berijder al het werk zelf doet. Fietsen is ook nauwelijks te combineren met lichamelijke statusornamenten zoals stijlvolle kleding. En de fiets werd niet alleen het vervoermiddel van de middenstander of de arbeider die zich niet meer kon permitteren, maar ook van de hogere middenklasse, en van de notabelen. Sterker nog: comfortabeler alternatieven als de brommer gelden als déclassé.’

De fietsende koningin Juliana reflecteert de Nederlandse statuspolitiek: doe maar gewoon, ook al ben je niet gewoon. In de jaren twintig van de vorige eeuw kwam de vader van cabaretier Wim Kan, minister van Binnenlandse Zaken Jan Kan, op Prinsjesdag met de fiets naar de Ridderzaal, de ministerssteek onder de snelbinders, de sabel aan de stang gebonden. Niemand keek er raar van op, maar toen Kan op de fiets een bezoek wilde afleggen aan de in Nederland verblijvende afgezette Duitse keizer, werd hem dat afgeraden. De keizer zou een minister op de fiets opvatten als een gebrek aan decorum.

Demissionair minister van Sociale Zaken Piet Hein Donner komt al jarenlang elke dag op zijn Gazelle naar het werk. Ook toen hem dit om veiligheidsredenen omverstandig leek. Volgens Donner waren er meer gezagsdragers vermoord in een auto dan op de fiets. Overigens werd Donners fiets al tweemaal gestolen – één keer uit de bewaakte fietsenstalling van het ministerie van Justitie.

Landschap, afstanden en klimaat werken in het voordeel van de fiets. Nederland is, op enkele heuveltjes na, zo plat als een dubbeltje. Dat fietst lekker, zelfs op een versnellingsloze omafiets, in Amerika tegenwoordig populair onder de naam Dutch bike. Bovendien heeft Nederland de perfecte maten voor de fiets en zijn veel steden zeer compact: alles is hier gemakkelijk per fiets bereikbaar. Zuidwesterstormen daargelaten, leent het klimaat zich ook goed voor fietsen: niet te warm, niet te koud.

Die randvoorwaarden stimuleerden het fietsgebruik, en dat leidde, zegt Kuipers, weer tot ‘een steeds dichter netwerk van instituties en conventies rondom de fiets, van stedenbouwkundige standaarden en juridische regelgeving tot een uitgaansleven georganiseerd rond fietsbare afstanden.’

De fiets als deel van de nationale habitus: Kuipers: ‘Je neemt gewoon de fiets. Iedereen fietst. Je zou niet weten hoe het anders moet. In steden is de eenheid van afstand de fietsminuut. De wordingsgeschiedenis is vergeten – want fietsen is een tweede natuur geworden.’

De geweldige singer-songwriter Daniel Lohues in Op Fietse: ‘A’k hier zo fietse en ’t weijt nie slim dan giet ’t haost vanzulf/ Wie dut mij wat, wie dut mij wat, wie dut mij wat vandage/ ’k Heb de banden vol met wind, nee ik heb ja niks te klagen.’

kaasschaaf, de Dat wordt weer rommelen in onbekende Franse keukenlaatjes, de komende weken, op zoek naar de kaasschaaf. Je zult hem niet vinden. Fransen doen niet aan kaasschaven; die pakken hun Opinel uit de broekzak, snijden een flinke homp van hun Gaperin d’Auvergne en spoelen het geheel weg met een flinke slok rode wijn. Plakjes kaas, van die dunne waar je bijna doorheen kunt kijken, kennen ze niet.

De kaasschaaf is het krenterige zusje van de schraperige flessenlikker en móet dus wel zijn bedacht door Nederland, het zuinigste land van alle landen, het land waar moeder op zaterdagochtend de aanbiedingsfolders van de supermarkten doorpluist en vader even later op de fiets zes verschillende winkels afwerkt, want in winkel 1 zijn de braadworsten in de aanbieding en in winkel 2 het wc-papier; het land dat spreekwoorden bedenkt als ‘zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen’, en dat het langst van alle landen vasthield aan de gouden standaard.

Mis! De kaasschaaf is een Noorse uitvinding. Hij werd in 1923 bedacht door Thor Bjørklund, timmerman van beroep, en vader van acht hongerige kinderen die hem letterlijk de kaas van het brood aten. Bjørklund bouwde zijn houtschaaf om tot kaasschaaf en vroeg er in 1925 patent op aan.

In 1978 ging de Noorse kaasschavenfabriek van Bjørklund zaken doen met het Nederlandse kaasgereedschappenbedrijf Boska uit Bodegraven. Samen ontwikkelden ze verschillende kaasschaven; een kaasschaaf zonder blad, voor jonge kaas (want voor een gewone is jonge kaas te zacht) en een kaasschaaf met ribbeltjes, waarmee je zowel jonge als oude kaas kunt schaven. Boska kreeg in 2004 een Communication Award voor zijn wereldwijde promotie van de kaasschaaf. Met het bedrijf van de Noorse kaasschaafuitvinder is het slechter afgelopen. Thor Bjørklund og Sonner uit Lillehammer moest in september vorig jaar faillissement aanvragen.

Wel typisch Nederlands: de kaasschaafmethode. Bezuinigen ‘met de kaasschaafmethode’ houdt in dat je geen heldere keuzes maakt, maar van elk onderdeel in een bedrijf een beetje afhaalt, zodat niemand zich gekwetst hoeft te voelen en je iedereen te vriend houdt. De kaasschaafmethode is een volle dochter van het Nederlandse compromisdenken (zie ook: poldermodel)

MVV NED. Centrum voor volkscultuur

Uw Reacties en Tips
‘Met veel interesse lees ik de artikelen in de zaterdagkrant over de Nederlandse identiteit. Maar de belangrijkste markeerder van identiteit wordt over het hoofd gezien, namelijk de taal. De Nederlandse taal drukt het beste een volksaard uit door middel van zijn uitgebreide woordenschat, zijn gezegdes en spreekwoorden, zijn volksvertellingen, sprookjes en grappen. Als ik de Volkskrant opensla of door de stad fiets, zie ik hoe langer hoe meer Engels; in advertenties, op reclameborden, op vrachtwagens, busjes of bij de spoorwegen. Steeds vaker hoor ik ‘yes’ in plaats van ‘ja’, ‘kids’ in plaats van ‘kinderen’, ‘shit’ in plaats van ‘verdorie’ en ‘fuck’ in plaats van ‘rot op’. Nog een paar jaar en Nederland zal volkomen verengelst zijn en daarmee zal de Nederlandse identiteit teloor zijn gegaan. Máxima zal dan gelijk hebben gekregen. Gelukkig hebben we de Friezen nog.’

(Han Schook)

‘Typisch voor Nederland: het Rooms-Katholieke volksdeel zegt: op vakantie gaan, het protestants-christelijke volksdeel zegt: met vakantie gaan. Zo ook: op de eerste plaats en in de eerste plaats. Waarschijnlijk heeft dit iets met de bijbelvertaling te maken?’

(Jaap van der Kooij)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden