Der Nederlanden: Echte Nederlandse gezelligheid en storm

Encyclopedie van Nederland, deel 22: De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima alweer een tijdje geleden. De opmerking viel niet bij iedereen in goede aarde. Als de Nederlander niet bestond, wie waren wij Nederlanders dan? Wat was onze identiteit? Lastige vragen. Welke zaken bepalen wie we zijn? Wát we zijn? Misschien is nationale identiteit, zo die al bestaat, een bonte verzameling puzzelstukjes, die gezamenlijk de idee van Nederland en de Nederlander vorm geven. Gerechten en tradities, geschiedenis, historische namen, curieuze gewoonten - gezelligheid kent geen tijd, terwijl buiten de zuidwester buldert. Deel 22 van een wekelijkse serie.

Illustratie: Ien van Laanen

Gezelligheid, Nederlandse
Eerst maar even een onjuistheid rechtzetten en de daaraan gekoppelde mythe ontkrachten.

De onjuistheid is dat 'gezellig' een typisch Nederlands woord is dat zich in geen enkele andere taal laat omzetten. Dat hoor je vaak beweren, meestal met nauwelijks verholen trots; de impliciete boodschap is dat ze in het buitenland niet alleen dat woord niet kennen, maar ook het hele begrip niet; dat wij dus eigenlijk als enige volkje ter wereld weten wat gezelligheid is.
Dat is de mythe.

Het woord gezellig is uitstekend te vertalen. In het Duits is het gemütlich, in het Frans agréable, in het Engels cosy, in het Italiaans accogliente . En hoezo weten ze over de grens niet wat gezelligheid is? Rij op zondag naar België, ga een willekeurig restaurant in en kijk hoe oma om 1 uur 's middags aan een grote schuimende pint zit met haar knoestige Vlaamse kleinzoon; de Belgische zondagse familielunch is ontzettend gezellig. Bel rond etenstijd aan bij de eerste de beste Marokkaan of Molukker en hij schuift meteen gezellig een stoel voor je bij.

Bel rond hetzelfde tijdstip aan bij de gemiddelde Nederlander en je krijgt van je onrustig naar de klok kijkende gastheer een kopje koffie, een rottig klein koekje en heel misschien nog een glas lauwe witte wijn, tot je tegen zessen definitief de deur wordt uitgekeken. Gezelligheid kent wel tijd.

Zo beschouwd kun je gerust stellen dat er geen ongezelliger land bestaat dan Nederland. Toch is 'gezellig' in Nederland een sleutelbegrip, zegt antropoloog Henk Driessen. 'Een cultureel stopwoord bijna, het vliegt je om de oren. Het is ook een woord dat immigranten zich heel snel eigen maken: als je het woord 'gezellig' gebruikt, hoor je erbij.' Driessen deed in 1995 onderzoek naar de Nederlandse gezelligheid. 'Het feit dat mensen zo vaak beweren dat 'gezellig' onvertaalbaar is, is heel interessant. Het zegt veel over hoe Nederlanders naar zichzelf kijken. In de perceptie van Nederlanders is gezelligheid ontzettend belangrijk.'

Als mensen de Nederlandse gezelligheid roemen, bedoelen ze meestal dingen als: gezellig met zijn allen naar het voetbal kijken wanneer Oranje speelt, gezellig achter ome Piet aan in de polonaise, gezellig rond de tafel ganzenborden met het hele gezin (zie ook: spelletjes, gezellige), en natuurlijk de gezellige zaterdagse televisieavond, in de vorige eeuw uitgevonden door Mies Bouwman en Willem Ruis.

Nederlandse gezelligheid hangt samen met huiselijkheid. Antropoloog Driessen ziet de hang naar huiselijkheid van Nederlanders - nergens anders in Europa is die zo sterk - als een erfenis van de Gouden Eeuw. 'Toen is de burgerij opgekomen, het huis centraal komen te staan en de vrouw de spil van het gezin geworden.'

Ook Ineke Strouken van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur wijst op de huiselijkheid van Nederlanders. 'De schilderijen van gegoede gezinnen uit de 17de en 18de eeuw hebben hieraan bijgedragen', schrijft ze in haar boek Dit zijn wij dat deze week verschijnt, over Nederlandse tradities: 'Jan Steen schilderde in 1668 bijvoorbeeld het Vrolijk Huisgezin, een schilderij dat zich bevindt in het Rijksmuseum. De kamer ziet er licht en gezellig uit. Iedereen maakt plezier. Twee jongens maken muziek en moeder en grootmoeder zingen. Vader heft het glas. De andere kinderen roken een pijpje en ook de kleintjes zijn al aan de wijn. Maar schijn bedriegt. In werkelijkheid woonden de meeste mensen in kleine, donkere huizen, met weinig comfort. In de winter was het steenkoud en het zal er ook niet altijd fris hebben geroken.

'In de 19de eeuw krijgt de inrichting van de woning een huiselijker aanzien. De kamers worden aangekleed met gordijnen en kleden. Met allerlei spulletjes, zoals pendules, tafelkleden en schilderijtjes, probeerde men het gezellig te maken. Vooral de intrede van de kachel bracht verandering in het dagelijks leven. De ontwikkeling naar een huiselijker leven is ook zichtbaar in het verschijnsel 'woonkamer', een kamer waarin de gezinsleden gingen zitten als ze niet aan het koken, eten, werken of slapen waren. De ideale plek om met de hele familie spelletjes te doen.'

De laatste decennia is die huiselijkheid uitgebreid naar de openbare sfeer, volgens antropoloog Driessen. Mensen versieren niet meer alleen hun huis, maar ook de straat. 'De sociale ruimte wordt gedomesticeerd. Ook de rosse buurten hebben in Nederland iets gezelligs; je kunt er bijna een kopje koffie drinken.'

Aan de Nederlandse gezelligheid kleven waarden als burgerlijkheid, burgertruttigheid. En een zekere bekrompenheid, zegt Driessen. 'Ik wil daar verder geen oordeel over vellen; ik constateer slechts. Het samenzijn, de 'sociabiliteit', heeft in Nederland ook een heel zuinige kant. Inderdaad dat ene koekje bij de koffie.' Een ander, evenmin erg gezellig kantje van gezelligheid: 'Het is ook een uitsluitingsmechanisme. Als je niet gezellig kunt meedoen, lig je eruit.'
Noord- en Zuidwesterstorm Nederland is geen land van windstilte: in De Bilt is het gemiddeld 5 procent van de tijd windstil, langs de kust minder dan 1 procent. Bijna nooit dus. En tussen oktober en maart kunt je het helemaal schudden: dat is ons stormseizoen.
Natuurkundig gezien is een storm de omzetting van zonne-energie in windenergie, onder invloed van de zwaartekracht. Het is goed dat te beseffen, als je er tegenin zwoegt, op je fietsje.

Storm, de
Stormen horen bij ons klimaat en ons klimaat hoort bij onze ligging: aan de Atlantische Oceaan, waar de koude lucht uit het Noorden botst op de warme uit het Zuiden, zodat lagedrukgebieden ontstaan en depressies. Het gevolg zijn windstromingen die boven zee weinig weerstand ondervinden en zodoende in volle kracht onze kust bereiken.

Met windkracht 8 ('stormachtige wind', windsnelheid gedurende minimaal tien minuten 62-74 kilometer p/u), windkracht 9 ('storm', 75-90 km, kinderen waaien om), windkracht 10 ('zware storm', 90-103 km, volwassenen waaien om), windkracht 11 ('zeer zware storm', 104-117 km, grote schade aan gebouwen) of zelfs windkracht 12 ('orkaan', chaos).

Stormen komen bij ons vanaf de oceaan aangedenderd door Het Kanaal (zuidwesterstorm), of ze draaien vanaf de oceaan noordelijk om de Britse eilanden heen (noordwesterstorm). De zuidwesterstorm komt vaker voor, maar de noordwesterstorm is het gevaarlijkst.
De zuidwester scheert langs de kust, de noordwester botst er loodrecht tegenop. Daarbij stuwt hij het water van de Noordzee omhoog, wat door de trechtervorm van die zee leidt tot een 'stormvloed': hoog water, hoge golven, druk op de dijken. De grote rampen en dijkdoorbraken uit het verleden (de Sint-Elisabethsvloed van 1421, de stormvloed van 1682, de 'Kerstvloed' van 1717, de stormvloed van 1916, de Watersnood van 1953) ontstonden allemaal uit de fatale combinatie van hoog water en een harde noordwester.
Stormen zijn onvoorspelbaar en doen zich zeer onregelmatig voor. Er gaan genoeg stormseizoenen voorbij zonder zware storm. Sinds 1901 werd ons land welgeteld 46 keer getroffen door een zware storm (windkracht 10), 11 keer door een zeer zware storm (windkracht 11) en éénmaal, op 6 september 1944, door een orkaan. Op die dag werden in Vlissingen windsnelheden van 122 km gemeten.

Het jaar 1928 kende drie zware stormen in één week. In de top-10 van zware en zeer zware stormen van het KNMI sinds 1970 staat de bijna-orkaan van 25 januari 1990 (zeventien doden) bovenaan. Een maand later was het alweer raak, op 26 februari 1990 (no. 7 op de ranglijst). Tussen 13 november 1972 (no. 4) en 24 december 1977 (no. 9) stormde het vijf keer hevig, (ook nog op 2 april 1973 (no. 3), 16 januari 1974 (no. 10) en 3 januari 1976 (no. 2)). Maar na de storm van 1 februari 1983 (no. 8) bleef het bijna zeven jaar rustig en na het stormachtige begin van 1990 zelfs ruim twaalf jaar, tot 27 oktober 2002 (no. 6).

Hoewel sommige klimaatsceptici anders willen doen geloven, zijn er volgens het KNMI geen aanwijzingen dat het aantal stormen in Nederland toeneemt onder invloed van de opwarming van de aarde. Er lijkt zich sinds 1962 eerder een lichte afname voor te doen.
Een combinatie van stormvloed en storm zoals die zich in 1953 voordeed, komt statistisch gezien éénmaal per 500 jaar voor. De inrichting van de Nederlandse kustverdeding is gebaseerd op een stormvloed die het water nog een meter hoger opstuwt dan bij de Watersnood het geval was. Dat komt eens per tienduizend jaar voor.
Tenminste, voor zover we weten. Klimaatwetenschappers, ook bij het KNMI, doen onderzoek naar zogenoemde 'over-extreme' stormen. Die zouden kunnen ontstaan uit een samensmelting van depressies die zich zou kunnen voordoen onder invloed van de klimaatverandering. Een dergelijke superdepressie zou tot een storm kunnen leiden die windkracht 12 ver overtreft. De kans is klein, maar niet verwaarloosbaar klein: alle hens aan dek, zuidwester op en zandzakken voor de deur.

Met medewerking van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur.

dernederlanden@volkskrant.nl

uw reacties en tips
Van het lemma over 'De Staatsruif' (Der Nederlanden, 9 oktober) is de conclusie dat Johannes Vermeer, Van Gogh en Rembrandt het 'zonder een cent subsidie toch nog ver hebben geschopt'. Laten we toch niet vergeten dat Rembrandt berooid is geëindigd, Van Gogh het alleen kon redden door subsidie van zijn broer en Vermeer na het instorten van de kunstmarkt van ellende is gestorven. In de woorden van zijn weduwe: 'Dientengevolge en ook vanwege de belasting van zijn kinderen, terwijl hij van zichzelf geheel niet over middelen beschikte, raakte hij zozeer in razernij en verval, dat hij in één of anderhalve dag van een gezonde toestand overging in de dood.'
(Jerome Symons)

Met veel plezier lees ik elke week uw rubriek. In het lemma over gezellige spelletjes verbond u de naam 'Mens-erger-je-niet' aan het Nederlandse streven naar gelijkmatigheid en het leren incasseren van tegenslag. Kennelijk heeft dat in België geen prioriteit. Hier brengt de firma Jumbo Mens-erger-je-niet op de markt onder de naam 'Paardjesspel/Les petites chevaux'. Wat dat zegt over België weet ik niet. Misschien is gelijkmatigheid hier aangeboren, of ergert de Belg zich minder snel.
(Sabine van Loon)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.