Der Nederlanden: Avondvierdaagse, de;Jenever (genever)

De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima. Daar werden veel Nederlanders kwaad om. Er is echt wel een Nederlandse identiteit, zeiden ze....

avondvierdaagse, de

In het land van Suriname (holadiee, holadioo)/ Liep een veldmuis voor de ramen (holadiee, holadioo)

Waar liep die veldmuis naar te kijken (holadiee, holadioo)/ Naar een olifant die stond te zeiken (Holadiee, Holadioo)

Waar is die veldmuis nou gebleven (holadiee, holadioo)/ Met de zeikstroom meegedreven (holadiee, holadioo)

Het avondvierdaagselied schalt deze weken volop door de paden en de lanen. In Alkmaar (NH), Goor (Ov) en Tiendeveen (Dr) is de avondvierdaagse zojuist afgelopen, in Culemborg (Gld) en Alblasserdam (ZH) begint hij over een paar weken. Je herkent het avondvierdaagselied aan zijn strakke rijmschema en een niet al te ingewikkelde verhaallijn. Het bevat bij voorkeur één of meerdere vieze woordjes. Van belang is verder dat het lied goed in een loopritme is in te voegen, een rustig marstempo dat zowel door de F-jes van de voetbalvereniging als door juffrouw De Vries van groep acht kan worden volgehouden.

De meeste avondvierdaagseliedjes worden door de hele meute tegelijk gezongen; degenen die voorop lopen houden daarbij een ander tempo aan dan de achterste deelnemers.

Er zijn ook liedjes waarbij sprake is van een voorzinger, waarna de groep de voorgezongen frase herhaalt:

Voorzinger: ‘Daar hoog op de berreg’

Allen: ‘Daar hoog op de berreg’

Voorzinger: ‘Daar woont een oud wijhijf’

Allen: ‘Daar woont een oud wijhijf’

Voorzinger: ‘Die maakt voor een kwartje’

Allen: ‘Die maakt voor een kwartje’

Voorzinger: ‘Je piemeltje stijf’

Allen: ‘Je piemeltje stijf’

Voorzinger plus allen: ‘En van je hela hela hela holala, hela hela hela holala...’

Bovenstaande liedjes zijn al wat ouder maar ze doen het nog best, net als ‘één twee, in de maat/ anders wordt de juffrouw kwaad/ maar de juffrouw wordt niet kwaad/ want ze is van prikkeldraad’. Het oer-avondvierdaagseliedje blijft Potje met vet’. Tegenwoordig nemen veel kinderen een iPod mee, mogelijk om zich af te sluiten van hun ouders waarvan er steeds meer gezellig meewandelen.

Hoogtepunt – tevens dieptepunt – van de avondvierdaagse is de laatste avond, met het defilé dat om onduidelijke redenen altijd enorm uitloopt. Alle straten in de stad zijn afgezet, dus wie per ongeluk even niet in de gaten had dat het alweer zover is, komt er voorlopig niet meer doorheen. De plaatselijke fanfare- en harmonieorkesten musiceren of hun leven ervan afhangt. Dorpsgekken haken ontregelend aan, met een eigen mal petje op. Langs de kant van de weg staan rijen ouders, opa’s, oma’s en bekenden urenlang te wachten tot ze hun favoriete kind zware zakken snoep om de nek kunnen hangen, waarna het wankelend en steeds misselijker zijn weg vervolgt.

De avondvierdaagse ontstond tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanaf 1909 organiseerde de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding wandelmarsen. Die werden in 1940 door de Duitsers verboden vanwege het samenscholingskarakter. In een paar plaatsen in het Gooi werd toen besloten ’s avonds te gaan wandelen. Ook dat werd na twee keer verboden, maar het verschijnsel ‘avondvierdaagse’ was geboren.

Tegenwoordig worden in vrijwel elke plaats in Nederland elk jaar avondvierdaagsen gehouden, waarbij vier dagen een afstand van vijf, tien en soms vijftien kilometer wordt gelopen. Dat gebeurt doorgaans onder de vlag van één van de twee nog bestaande wandelsportbonden: de NWB en de KNBLO-NL.

Bij de KNBLO-NL wordt de avondvierdaagse ook wel ‘avond4daagse’ genoemd, en heten kinderen ‘kidz’ (zie ook www.avond4daagse.nl).

Jenever Sinds twee jaar is jenever (of genever, genièvre) ‘een geografisch beschermde aanduiding’: een door EU-regels beschermd streekproduct. Het moet afkomstig zijn uit Nederland, België, de Duitse deelstaten Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen of de Franse departementen Nord of Pas-de-Calais.

Leuk voor de Fransen en de Duitsers, maar jenever is en blijft een typisch Nederlands en in mindere mate Vlaams gedistilleerd. Een sigaar en een borrel behoorden ooit tot de inwijdingsrituelen voor de 18-jarige. We drinken er nog altijd een kleine liter per persoon per jaar van.

In veel gevallen is jenever eigenlijk weinig anders dan suikerbietendrank. Het belangrijkste bestanddeel is uit suikermelasse gestookte ethylalcohol, behalve wanneer er expliciet melding wordt gemaakt van graanjenever. Voor de aanduiding ‘oude jenever’ moet minimaal 15 procent ‘moutwijn’ zijn toegevoegd. In oude jenever moet de jeneverbessmaak te proeven zijn.

Voor moutwijn wordt gerst tot mout gebrand, vervolgens aangevuld met water, maïs en rogge en dan driemaal gedistilleerd, tot je moutwijn hebt met een promillage van 46,5 procent.

De klassieke jenever was een gedistilleerde moutwijn. Maar tegenwoordig kan een jonge jenever zomaar volledig bestaan uit met jeneverbes gearomatiseerde ethylalcohol en water. Met een alcoholpercentage van minimaal 35 procent en maximaal 10 procent suiker per liter kan het jonge jenevervignet erop. Er kan moutwijn in zitten, maximaal 15 procent, maar dat hoeft niet. Zonder moutwijn is jenever wodka.

Voor de oude moutwijnjenever kun je nog terecht bij het eigen merk van het jenevermuseum in Schiedam, Old Schiedam, een op eikenhoutenvaten gerijpte ‘single malt genever’. ‘Korenwijn’ bevat nog 51 procent uit moutwijn en bevat louter graangestookte ethylalcohol.

Omdat bijna alle voor jenever gebruikte moutwijn afkomstig is van één fabrikant, Filliers in België, en water en ethylalcohol ook weinig onderscheidend zijn, bepalen alleen de gebruikte kruidenmelanges nog het smaakverschil: behalve de jeneverbes worden kruiden of aroma’s als alsem, koriander, karwij, sint-janskruid en angelicawortel.

Jenever is oud. Mogelijk stamt het uit de jaren van de grote pestepidemie, 1347-1350, toen er geneeskrachtige gaven werden toegekend aan de jeneverbes. In Een Constelijck Distileer Boeck van Philippus Hermanni uit 1552 is al sprake van ‘geneverbessenwater’. Maar pas in de Gouden Eeuw kwam er schot in. Toen vulden de grote steden zich met distilleerderijen. Lucas Bols, de oudste nog bestaande stokerij ter wereld, begon in 1664 aan de Amsterdamse Rozengracht in ‘Het Lootsje’ met de productie van jenever. Dat was zo succesvol, dat Bols een van de grote aandeelhouders in de VOC werd.

Nadat het stoken binnen de stadsgrenzen werd verboden, verhuisden de fabrikanten naar plaatsen er net buiten. Zo werd Weesp de jeneversatelliet van Amsterdam, en Schiedam die van Rotterdam. Schiedam, naar de stokerijen ook wel het ‘Zwarte Nazareth’ genoemd, is dé Nederlandse jeneverstad. Schiedamse namen als Nolet (1691), De Kuyper (1692) en Wenneker (1812) zijn nog altijd actief. In 1881 waren er in Schiedam 392 jeneverbranderijen (nu nog 4). Een lompenproletariaat spekte de beurzen van de jeneveraristocratie en bleef zelf overeind met het eigen product.

De grote plas confectiejenever is mogelijk de oorzaak van de dalende consumptie en het afkalvende imago. Kon de jenever zich voor de Tweede Wereldoorlog op de mondiale exportmarkten meten met wodka, whisky, bourbon en rum, dat is allang niet meer zo. Er is buiten Nederland en België nog één land waar jenever een nationale drank is: Ghana. Dat heeft nog te maken met de Nederlandse slavenhandel op de Goudkust in de 17de en 18de eeuw.

Kleine jeneverstokerijen proberen de jenever weer een individueler en eigenzinniger imago te bezorgen. Voor de betere jenevers moet je daarom bij Van Wees (‘De Ooievaar’) in Amsterdam zijn, bij distilleerderij Schermer in Hoorn, de jonge stokerij Zuidam in Baarle Nassau of bij Rutte & Zn uit Dordrecht. Ook de ‘Balegemse jenever’ van de Vlaamse jeneverstokerij Van Damme – ook een beschermd merk – is niet te versmaden.

De firma Rutte kwam in het Calvijnjaar 2009 met een speciale Calvijnjenever. Er heeft altijd een warme band bestaan tussen calvinistisch Nederland en de jeneverfles. In menig huisgezin kwam na het kerkbezoek de fles op tafel. Met name gereformeerde politici zijn nog altijd grote liefhebbers. Mannen als Aantjes, Boersma en de tot de PvdA bekeerde mannenbroeders Vredeling, Duisenberg en Pronk spuugden er niet in. De grote roerganger Abraham Kuyper verordonneerde al in 1880 dat ‘bij de chocoladeketel en de water- en melkkaraf geen geslacht van kloeke calvinisten wordt gekweekt’.

Benamingen: pikketanissie, hassebassie, jonkie, jajem, jonge klare, borrel. Naast het bierglas: kopstoot. In het bierglas: duikboot.

En neem er zelf ook een.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden