Denkers van de bezorgdheid

Het woord filosoof zou gezuiverd moeten worden door een filter dat veel schijnbetekenissen tegenhoudt. Er zijn politiek filosofen, taalfilosofen, cultuurfilosofen, literatuurfilosofen, landschapsfilosofen en zelfs filosofen van het bewustzijn, wat me een bijna-tautologie lijkt....

De boeken waarin die ideeworden uitgeschreven zijn in feite grote essays, in de slechtste gevallen een eindeloos aangelengde column. Ik houd er na lezing in het algemeen weinig gedachten aan over, laat staan, de grootste hoop, verontrustende gedachten. Zoals ik dat wel doe aan essays, waarin denken zich op schitterende wijze definitief in de taal vastlegt en de wijze van verwoording de kracht van de gedachte uitmaakt.

Carel Peeters werd zo'n vier jaar geleden als literair redacteur van Vrij Nederland vervangen door iemand anders. Daarmee kwam, vrij hardhandig en ondoordacht, een einde aan zijn langdurige loopbaan als literair criticus. Peeters bleef meewerken; hij koos voor meer essayistische bijdragen. Dat was geen schokkende overgang: het literair-kritisch werk van Peeters had altijd een sterk essayistisch karakter gehad. Hij was allerminst een pure boekbespreker. Peeters opende de rubriek 'Dt de sie', een speling met 'fin de sie'. Het 'dt' is het begin van deze eeuw. Die essays waren filosofisch van karakter. Ook dat was geen schokkende overgang: een filosofisch element, in elk geval een sterk denkkarakter, een neiging naar veralgemening, een inpassen in de tijdgeest, bepaalde mede de aard van zijn literaire kritieken, waarin vaak over het boek heen of eronder door werd gedacht.

Achtenzestig van die essays heeft hij nu bijeengebracht in het boek De denkersclub. Dat doet joliger stukken vermoeden dan er in het boek staan. Peeters ziet de laatste jaren het aantal 'publieke intellectuelen' sterk toenemen, 'het lijkt wel een offensief van een denkersclub die de macht van televisie en mediacratie wil breken'. Het werk van die intellectuelen is ook, volgens Peeters, een reactie op 'de onstuitbare vluchtigheid en oppervlakkigheid'. Het gesuggereerde clubverband doet ook een gelijkheid, althans verbondenheid veronderstellen.

Het is jammer dat Peeters geen afsluitend essay heeft geschreven: daarin hadden wellicht gemeenschappelijke trekken van de leden van de denkersclub aangewezen kunnen worden. We hadden een beeld van het denken van de laatste jaren kunnen krijgen. Als ik, mede op grond van wat Peeters over hen schrijft, een algemene naam zou moeten geven, dan zou ik deze filosofen de denkers van de bezorgdheid willen noemen. Ik krijg ook de indruk dat hoe bezorgder en ernstiger ze zijn - over de commercialisering van alles, over het posthumane, het post-post-moderne, over de cybernetische wereld -, hoe beter Peeters ze vindt.

Joyeus denken is aan hem niet besteed, joyeusheid in het algemeen trouwens niet. Hij is zeer ernstig, zo ernstig dat als hij een rijtje schrijvers uit de 'Orwell-school' noemt - Simon Leys, Jan Blokker, Karel van het Reve, Timothy Garton Ash, Rudy Kousbroek, Frederic Raphael -, hij achter hun namen schrijft: 'Ze zijn onafhankelijk, ze zijn sceptisch zonder zuur te zijn, ze hebben ideeover van alles, maar geen al te grote.' Wie zo zwaar tilt, vindt alles te licht.

De essays zijn bijna alle rond of meer boeken geschreven. De opbouw is veelal deze: een persoonlijke essayistische of als men wil filosofische inleiding op het thema van het boek, een kleine bespreking van het boek en een uitlui die weer een klein essay'tje in algemene zin is. Vaak worden tegen- of medestanders van de besproken denker kort of heel kort (alleen met hun naam) in het betoog betrokken. Het zal velen, onder wie mijzelf, niet gegeven zijn alle besproken boeken te hebben gelezen. Daardoor kun je de mening over het boek en de ideeerover nogal eens nauwelijks volgen, zeker als Peeters mee gaat polemiseren. Het effect is dat hij het jongste lid van de denkersclub is en de lezer buiten vergeefs zal wachten om door de ballotage van de besloten club te komen.

Hoeveel van de clubleden zijn filosoof? Velen noemen zich zo of worden door Peeters zo gekwalificeerd. Het meeste van het geschrevene en hier besprokene is echter, dunkt mij, niet veel meer (minder ook niet) dan de interpretatie van tijdsverschijnselen, een naar mijn smaak vrij literaire interpretatie ook. Essayistiek, dat is het, met zelden, als veelal bij niet zo scherpe essayistiek, de loden want onvermijdelijke en ondraaglijke last van het gelijk, of door de visie of door de verwoording ervan. Ik vind het 'eeuwenoude' pessimisme van bijvoorbeeld Schopenhauer onmetelijk veel indringender dan de pessimistische of veel afschrijvende tijdvisies, tijdverbeeldingen voor mijn part, van vooral Amerikaanse denkers.

Uit wat Peeters aan de boeken signaleert, kan men opmaken dat ze vaak vrij concreet zijn, moeten zijn, maar bij Peeters is daarvan weinig te merken. Hij abstraheert zelf graag, waarmee hij de visies of bedenksels tot filosofieomschept. Hij wordt zo de stichter van de denkersclub. Het is soms moeilijk zich bij zijn denken iets voor te stellen, bij een passage als deze bijvoorbeeld:

'De opmars van de computer en het ''leven in cyberspace'' zal een herwaardering van de werkelijkheid tot gevolg hebben. Wanneer de computers het leven gaan bepalen en de mens in het posthumane stadium terechtkomt, zal de menselijke maat hem terugroepen. Internet is een grote vernieuwing, maar niet zo groot als de uitvinding van het wiel of de boekdrukkunst.'

Dat is wat ik eens 'denken in te veelvoud' hoorde noemen. Kousbroek of Karel van het Reve mogen geen grote ideehebben, ze hebben wel op de enkelvoudigste wijze schitterende en prikkelende gedachten verwoord, die zich bij de lezer kunnen uitkristalliseren tot filosofie. Een ander voorbeeld, het begin van het essay 'De belabberde status van de mens':

'De status van de mensen is niet altijd even vanzelfsprekend geweest. Waren ze de belangrijkste soort op aarde, of slechts een van de soorten en hoefden ze zich niets te verbeelden? Waren ze slechts Gods werktuigen, of hadden ze zelf ook nog iets in de melk te brokkelen? Waren ze de baas over de aarde, of was de aarde, als voedingsbodem van hun leven, eigenlijk het belangrijkste?'

Ik weet echt niet wat ik na lezing van de eerste zin met al die vragen moet beginnen. Ik vraag mij af - wat ik op meer plaatsen in het boek heb moeten doen: waar gaat het eigenlijk over? Het best is Peeters als hij concreet is en ook nog schijnbaar met de losse hand schrijft. Hij is het concreetst als hij negatief is (nogal wat denken is ook schuim). Dan schrijft hij ook zijn beste stukken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden