Den Haag

Onlangs herlas ik een gedicht van mezelf, 'Zeemansliedje': Toen ik klein was/ droeg ik een matrozenpakje/ mijn moeder nam me mee/ naar de vijver in het bos/ daar aan een touwtje/ liet ik mijn zeilboot varen/ de bomen ruisten/ de wind kwam van zee/ nu is het vele havens later/ en mijn moeder dood/ nooit vond ik meer/ zo'n veilige ree.

Ik heb een foto van dit tafereeltje dat zich voor de oorlog afspeelde in het Haagse Bos, mijn moeder gehurkt aan de vijverrand en ik met mijn bootje aan een touw. Daarna werd ik te oud voor een matrozenpakje, 'jongens- of meisjespakje dat op de kleding van een matroos lijkt' (Van Dale) en heb ik nooit meer een jongetje van 8, 9 jaar in zeemanskledij zien rondlopen. Tijdens de oorlog kwam ik in Epe terecht. Boerenjongetjes, nauw met de aarde verbonden, droegen geen matrozenpakjes.

Na de oorlog kwam ik in Amsterdam, waar de ­jongetjes geen matrozenpakjes door hun moeder kregen aangemeten. In tegenstelling tot Den Haag is de zee ver weg in Amsterdam. Als de wind er al van zee komt, moet hij eerst een flinke afstand over land afleggen en eenmaal in de hoofdstad aangekomen is hij de zee vergeten.

In het boek De man in zijn hemd (Balans, 1996) van Marieke Cobelens en Nicolaas Klei, ja, dezelfde als de vinoloog, lees ik: 'Om bij de basis van het matrozenpakje te beginnen, op tekeningen is te zien dat de bemanning decennia lang meestal gekleed was in een gestreepte trui met wijde hals - nu nog bestaand in de vorm van modieuze nakomelingen - of ruimzittend hemd met open boord waaromheen losjes een halsdoek. Langzamerhand, vanaf ongeveer 1828, is die open boord met dasje gestandaardiseerd tot volwassen variaties op het matrozenpakje dat bijna vanaf diezelfde tijd door keurige jongetjes wordt gedragen. Een matroos in het uniform dat in 1846 werd gedragen (...) ziet eruit als hét voorbeeld voor generaties moeders die zoontje-lief in een matrozenpakje kleden en als de mooie Tadzio op wie Von Aschenbach verliefd werd in Dood in Venetië.'

Ooit was ik, zaliger nagedachtenis, zo'n keurig jongetje dat in zijn matrozenpakje met de door mijn moedertjelief vertrouwde toneelcriticus J.W. Hofstra door de Haagse duinen fietste. Hij liet me ongerept, maar was er dichtbij.

Soms verlang ik terug naar het licht van Den Haag, naar de zee die voortklotst in eindeloze deining, naar de vijver in het Haagse Bos, in een tijd dat alles nog onschuldig was. Jaren geleden legden de twee Hagenezen Nooteboom en Campert bloemen neer bij het beeldje van Hendrik Hagenaar (Mr. Eduard Elias, chroniqueur van het Haagse leven). In Veertig jaar Cursief (Bonaventura, 1967) schrijft hij : 'Eén bank staat er bij de vijver van het Haagse Bos (...). Wanneer ge er een plaatje van zoudt zien, dan zoudt ge zeggen: zo'n plekje van rozengeur en maneschijn, van vogelgetjilp en geuren van heesters met een treurwilg erbij, en een bruine beuk, komt alleen op ansichtkaarten voor... Maar de bank staat er heus.'

En ik zit er weer even, in mijn matrozenpakje, en iets te vertederd over mijzelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.