Den Haag doet er steeds minder toe

Hans Boutellier is ervan overtuigd dat we op zoek moeten naar nieuwe democratische vormen. Hij ziet een samenleving vol netwerkjes voor zich....

Prof. dr. Hans Boutellier: ‘Wat me opvalt is dat positief getoonzette begrippen een andere betekenis krijgen. Ik zag in NRC Handelsblad een onderzoekje naar de aanhang van Wilders. Het trof me enorm dat onder die aanhang solidariteit ervaren wordt als een vorm van diefstal: ik moet betalen voor hen. Aanvankelijk was solidariteit de uitdrukking van saamhorigheid, nu lijkt het een ander woord voor onrechtvaardigheid.

‘Het begrip vooruitgang lijkt tegenwoordig vooral geassocieerd te worden met chaos. Vooruitgang? Liever niet, zeg. Waar moet dat in godsnaam naartoe? Laten we houden wat we hebben.’

De vraag was wat de weerslag op de democratie zou kunnen zijn van de cultuur van ontevredenheid en wrok die zich lijkt te hebben ingevreten in de Nederlandse samenleving. Een donkere inkleuring, antwoordt de sociaal-psycholoog, van termen die we normaal gesproken een waardevolle betekenis toekennen. Het begrip democratie behoort zeker tot dit rijtje, zegt Boutellier.

‘Democratie heeft ook een donkere kleur gekregen. Voor heel veel mensen is het bijna niet meer voor te stellen dat er medeburgers zijn die werken voor het algemeen belang. Er is persoonlijk gewin; iets als ‘algemeen belang’ bestaat niet.

‘In een democratie ben je het algemeen belang aan het inrichten. Nu wordt dat in belangrijke mate niet meer als zodanig onderkend. Ervoor in de plaats gekomen, zo lijkt het, is een permanente argwaan tegen wat die politici eigenlijk bezielt.’

De sociologe Louise Fresco schreef in haar column in NRC Handelsblad: ‘We moeten oppassen dat er in Nederland niet iets onuitwisbaars gebeurt. Dat niet zomaar, on our watch, een fataal somberheidsvirus zich in ons bewustzijn nestelt.’ Moeten we daar inderdaad voor oppassen?

‘Ik zie dat gevaar. We lijken heel erg in een sfeer van klagen en cultuurpessimisme terecht te zijn gekomen. Uiteindelijk is dat niet gezond voor een samenleving. We moeten toch vooruit.

‘Ik gebruik graag het woord vitaliteit. Dat heeft een samenleving nodig om te gedijen. Lebensbejahung, dat dreigen we te verliezen.’

Prof. dr. Hans Boutellier (56) mag dan hoogleraar zijn aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en directeur van het sociaal-wetenschappelijk onderzoeksinstituut Verwey-Jonker in Utrecht, hij zegt van zichzelf dat hij niet zozeer een onderzoeker is.

Hij zoekt hoorbaar naar verbanden en verklaringen. Hij veronderstelt, hij interpreteert. ‘Geïnformeerd beschouwen, dat is wat ik probeer te doen.’

Kortom, een ideaal klankbord voor een gesprek over het onbehagen, de moraal en de democratie.

Publieke moraal is al heel lang zijn onderwerp. Dat kwam zo. Hij studeerde psychologie, er hoorde een stage bij. Hij belandde als ‘assistent-groepsleider’ in de heropvoedingsinrichting Op de Berg in Amersfoort.

Jongens, dat was nog eens een schokkende ervaring.

Hij was vervuld van Foucault, de postmoderne, Franse denker die in de jaren zeventig zeer en vogue was aan de universiteiten. Bij Foucault kon je leren hoe mensen met een afwijking als het ware gedresseerd werden, gedisciplineerd.

‘Het waren de hoogtijdagen van het ik-tijdperk. Als die jongens die in die inrichtingen zaten zich nu maar emotioneel konden uiten, zouden ze vast nog redelijk goed terechtkomen. Dat was zo’n beetje het theoretische frame.’

Maar dan de praktijk: ‘Ik hoorde daar scheldwoorden, die ik nog nooit van m’n leven had gehoord. Er liep een psycholoog rond, een boom van kerel. Schreeuwden die jongens: ‘Hé vetnek, met je appeltaartensmoel.’

‘Ik kwam in aanraking met een cultuur waarvan ik me afvroeg: bestaat dit echt? Ik was groen, ja, ik was totaal groen. Braaf opgevoed, in Haarlem. Vader was gemeenteambtenaar. Een keurig netjes middenklassemilieu.

‘Ik vond het buitengewoon schokkend. Er zaten daar jongens voor moord. Of omdat ze een mes in een rug hadden geplaatst. Ik dacht: Foucault? Disciplinering? Tja, hoe reëel is dat eigenlijk?

‘Ik gaf de gozer die voor moord zat een hand. Hij keek me aan. Geen uitdrukking op zijn gezicht, geen enkele beweging. Stond je daar als lulletje lampekatoen.

‘Zo kwam ik er heel snel achter dat zo’n instelling niet draait om de institutionele regels, maar om strijd. Ontplooiing was een leidende gedachte van de instelling. Maar aan dat spelletje deden die jongens natuurlijk niet mee. Of ze deden juist heel erg mee, maar dan als volkomen berekening. Zei zo’n jongen: ‘Ik voel me vervreemd van me zus.’ Perfecte tekst.

Hoe leidde dat tot levenslange belangstelling voor publieke moraal?

‘Dat kwam doordat het in Op de Berg taboe was te praten over de vraag waarom die jongens daar eigenlijk zaten. De hele delictgeschiedenis was gewoon onbespreekbaar. Dat was het eerste moment waarop ik dacht: we zitten in onze samenleving met het grote probleem dat we niet kunnen, niet durven te formuleren wat we wel of niet goed vinden. ‘De vraag die ik mezelf stelde was: hoe kunnen we nog een soort van gemeenschappelijkheid vinden in een tijd waarin iedereen van God los is? Wat zijn nog de gedeelde waarden?

‘Wat die jongens hadden gedaan vonden we kennelijk niet goed; anders zaten ze niet in die inrichting. Klaarblijkelijk leefden we dus niet in een wereld zonder moraal. Maar het benoemen daarvan, lag al gauw in de sfeer van het taboe.’

Dertien jaar later, in 1993 verscheen zijn veelgeprezen proefschrift over de morele betekenis van criminaliteit. ‘Mijn conclusie was dat in onze moderne cultuur eigenlijk de enige grondslag voor publieke, algemeen gedeelde moraal bestond uit de afwijzing van wreedheid en leed. Een soort basismoraal.’

Hebben we die nog?

‘Nou ja, het is er gewoon slecht mee gesteld. Toen ik promoveerde, was mijn stelling: we hebben hoe minimalistisch ook, wel degelijk een vitale moraal.

‘Inmiddels denk ik dat het een moraal is die uiteindelijk tekort schiet. Of anders gezegd: als meegevoel met de slachtoffers van geweld en achterstelling nog de enige basis is van moraal in het openbare leven, moet je die smalle moraal wel verdomd goed onderhouden. Dat komt niet vanzelf goed.’

Hebt u niet het woord beschavingsval gebruikt?

‘Ja, ja, het zijn woorden waarmee je moet uitkijken. Je hebt naast het recht de wereld van de vanzelfsprekendheden, de mores, de gewoonten. Dat domein, van de vanzelfsprekendheid waarmee je elkaar bijvoorbeeld een hand geeft, is enorm aan erosie onderhevig. En dat noem ik de beschavingsval. Het zit in heel kleine dingen. Ik noem eens wat. Ik rijd over een fietspad. Van de andere kant komen een paar meisjes aan, een jaar of zestien, zo te zien absoluut geen lower class. Die bezetten het fietspad. Tot mijn stomme verbazing begint een van die meisjes met: ‘Hé, klootzak’.

Zelf vind ik het ingaan van de bus het ergste. Je moet vechten. Ze dringen zich vanuit beide flanken van de rij wachtenden naar voren.

‘Ik heb een instapstrategie voor de trein. Ik reis eerste klas, maar die zit vaak vol studenten, je moet er als de kippen bij zijn om een zitplaats te veroveren.’

Dan merkt hij op: ‘Het is treurig, vooral ook dat je er zelf aan meedoet. Maar ik wil waken voor een verhaal dat alleen maar vertelt hoe erg het is. Ik wil ook graag de duidende kant naar voren halen.’

We moesten ervanaf, zegt hij, maar het bouwwerk van de zuilen met zijn normen en gedragsregels zorgde heel lang voor hechte maatschappelijke samenhang. Met de ontzuiling verdampte het dwingende publieke systeem. Daar kwam eind vorige eeuw het neoliberalisme nog eens overheen.

Boutellier: ‘Ik heb de jaren negentig verschrikkelijke jaren gevonden. Die vreselijke commercialiseringsslag, de ongebreidelde hebzucht. Die twee bewegingen op elkaar gestapeld hebben naar mijn idee een enorme eroderende werking gehad op wat we beschaving noemen.’

Maar waarom is het uitgelopen op wrok, op bitterheid, jegens alles en iedereen dat maar even voor de voeten loopt?

‘Het leidt tot wrok en woede – het is allemaal maar interpretatie, hoor – omdat het steeds moeilijker is geworden om je identiteit te formuleren. Wat ben ik nog? Ik ben geen socialist meer, ik ben geen katholiek meer, ik ben erachter gekomen dat consument zijn eigenlijk niks is, dus wat ben ik?

‘Naar mijn idee is dat de diepe crisis. Ik kan tegenwoordig alles worden. Maar wat moet ik zijn? Dat is een enorme opgave geworden.’

Ter Braak schreef in 1937 over de rancune als cultuurstroom, over de rancuneuze ‘die wrokt omdat hij in de wrok althans de lust van de permanente ontevredenheid beleeft’.’

‘O, dat is weer helemaal van toepassing. Wrok als lustbeleving.

‘Er is een schitterend boekje van Peter Sloterdijk, Woede en tijd heet het, waarin hij de thymos blootlegt. Het is de wil er te zijn. Met direct daarachter de angst er niet te zijn, hetgeen ertoe leidt dat men bijna letterlijk om zich heen gaat slaan.

‘Wat erbij is gekomen, is het internet met zijn weblogs. Het geeft een enorme overload aan impulsen. Je kunt roepen wat je wilt – het is letterlijk aan de gang, de meest gore en idiote teksten gaan over het scherm. Het geeft de suggestie dat je iemand bent. Terwijl tegelijkertijd eigenlijk niemand luistert. Het is hard roepen in een ruimte waar geen enkele weerkaatsing plaatsvindt. Ik vind het heel triest. Het is een drama. Het enige plezier dat je eraan overhoudt, is dat je ontevreden kunt zijn zonder ophouden.

‘Nederland was een land van communities, van gemeenschappelijkheid. Wat ik hoop, is dat als antwoord op het onbehagen op lokaal niveau lossere vormen van gemeenschappelijkheid gaan ontstaan. Communities light wordt dat genoemd. Vind ik wel een mooi begrip.’

De Britse historicus Tony Judd schrijft: ‘We hebben geen idee wat voor wereld onze kinderen van de onze zullen erven. Hij zal in elk geval niet op een geruststellende wijze op die van ons lijken.’ Kom dan nog maar eens aan met Lebensbejahung.

‘Mijn stelling is dat in de wereld die we nu als chaotisch ervaren meer ordening besloten ligt dan we geneigd zijn te zien. Ik heb heel lang gedacht: de netwerkmaatschappij is niet veel meer dan een modieuze term. Daar ben ik van teruggekomen.

‘Ik heb een fantastisch boek gelezen, Linked heet het, van een van de meest vooraanstaande netwerkdeskundigen, László Barabási, een Amerikaan van Hongaarse afkomst – top, echt top. Dat soort mensen kan een boek schrijven waar de wiskunde in de voetnoten zit en dat jij en ik ook kunnen lezen.

‘Die Barabási laat zien hoe sterk geordend netwerken kunnen zijn. Zelfs zo sterk dat hij er wiskundige formules op kan toepassen. Ik probeer in mijn volgende boek dat denken toe te passen op de huidige samenleving.’

Gaat het uiteindelijk niet om politici die verbeelding weer toelaten?

‘Eerlijk gezegd geloof ik niet dat de democratie het moet hebben van hervormingen binnen het oude bestel. Ik geloof niet in zaken als referenda en districtenstelsel. Het zal de samenleving niet raken.

‘Ik denk dat we moeten zoeken naar nieuwe democratische vormen, hoe moeilijk dat ook zal zijn. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat we naar een samenleving gaan van netwerken.

‘Think networks, zegt Barbási. Het kan van alles zijn, zangverenigingen, buurtcomités, scholen, de horeca, overal waar op een of andere manier aan samenhang wordt gedaan.

‘Ik geef een voorbeeld. Het Sloterparkbad in Amsterdam moest een paar jaar geleden worden gesloten, omdat jongens daar verschrikkelijk liepen te kloten. Dramatisch, dat een publieke voorziening gesloten moet worden, omdat men de orde niet kan handhaven. Er zijn nieuwe regels opgesteld, er zijn afspraken gemaakt met de politie, een deel van die jongens heeft een hesje gekregen waarop in grote letters ‘SERVICE’ staat en die lopen daar de bink te spelen en leeftijdgenoten te corrigeren. Perfect toch? Dat is zo’n netwerk dat ik bedoel, namelijk binnen klein verband opnieuw de vorm vinden waarmee je een situatie geordend krijgt.

‘Je kunt er gemakkelijk heel cynisch over doen, maar daar houd ik niet van.’

Als ik het goed begrijp zegt u: laat Den Haag. Er zal vast een kloof zijn tussen de burger en zijn overheid. Maar eigenlijk is dat niet zo interessant.

‘Dat is ook niet interessant. Nieuwe vormen van democratie zitten naar mijn idee veel meer in die netwerken die met elkaar afspraken gaan maken, elkaar gaan helpen. Idealiter gesproken. Ze zullen elkaar tegenwerken, er zullen conflicten zijn. Maar intussen ontwikkelt zich van alles.’

Waarom is Den Haag niet van belang? Hebben burgers geen last van de kloof? Jan Marijnissen zei in zijn Thorbeckelezing dat niet de burger ongeïnteresseerd is, maar dat de politiek zich heeft afgewend.

‘Dat is een enorme overschatting van wat de politiek vermag. In de SP leeft nog heel sterk het idee dat de nationale politiek de ordening kan realiseren. Dat is een misverstand.

‘Ik geloof niet dat mensen zoveel last hebben van die kloof. Ja, waar ze last van hebben, is dat ze niet meer weten wat te doen met hun stem. Ik geloof dat vijftig procent het nog niet weet. Niet iedere twijfelaar zal het zich bewust zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat het voortkomt uit het feit dat Den Haag er steeds minder toe doet.

‘Politiek die nog een groot ideologisch geladen verhaal wil vertellen, heeft geen betekenis meer. Zo van: wij socialisten, wij weten dat het deze en die kant op moet met de maatschappij of wij, katholieken, wij zullen u, burger, zeggen hoe een deugdzaam leven eruit ziet, in dat type groot verhaal geloof ik echt niet meer.’

Gelooft u niet in inspirerend leiderschap?

‘Jawel, maar daar hoort iets anders bij. De politiek zou het verbindende verhaal kunnen zijn, tussen al die kleinere verhalen. Maar bij vergezichten heb ik grote bedenkingen. Het kan zijn dat mensen ernaar verlangen, maar het is jammer voor ze, het gaat niet werken.

‘Wat moet gebeuren, wat ik ook eerlijk zie gebeuren is dat gemeenschappelijke verhalen worden ontwikkeld, nieuwe gemeenschappelijke verhalen die je het gevoel geven: ik ben hier thuis, ik maak hier deel van uit.’

Ik weet weer wat ik ben?

‘Precies. Ik weet weer wat ik ben.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden