Demon

Damon Albarn weet zich nog altijd amper raad met de jaren negentig, waarin hij wereldberoemd werd. Wat hij wel weet: kunstenaar Damien Hirst is schuldig aan het ineenstorten van de Britpop.

Het water gutst van de goed verzorgde planten op het ruime balkonterras. Het regent in West-Londen. 'Je zou het hier eens moeten zien als de zon schijnt', zegt Damon Albarn terwijl hij zijn gast rondleidt in zijn studio-annex appartement aan de Latimer Road. Hij wijst naar de kluwen van snelwegen waarop het balkon zicht heeft. 'Die Westway, de toegangspoort naar Londen, inspireert me elke keer weer als ik ernaar kijk.'


Albarn (46) woont en werkt al zo'n twintig jaar in het nog altijd trendy deel van West-Londen. Hij vierde hier zijn eerste successen met de band Blur, midden jaren negentig naast Oasis de belangrijkste vertegenwoordigers van de Britpop-hausse, en volgens Albarn 'de laatste muziektrend waarmee een generatie is opgegroeid'. Hij had hier de in de tabloids veelbesproken romance met een andere sleutelfiguur uit de Londense popscene van die jaren, Elastica-zangeres Justine Frischmann. Maar ook na de breuk tussen het tweetal, bezongen op het Blur-album 13 (1999), is hij er blijven hangen.


'Ik kan overal makkelijk aarden, ik ben veel en vaak lang in West-Afrika en IJsland geweest, maar hier vind ik uiteindelijk toch het gemakkelijkst mijn rustige thuis.'


Een vaste werkplaats is iets dat hij nodig heeft, net als een zekere regelmaat. Elke dag van negen tot vijf werken en in het weekend tijd vrijmaken voor zijn gezin. 'Ja, zo saai ben ik inmiddels.' Om er lachend aan toe te voegen: 'En dan maak ik ook nog zo'n slome plaat.'


Nou ja, sloom? Anders, kunnen we beter zeggen. Everyday Robots, Albarns eerste echte solo-album (het met demo's gevulde Democrazy uit 2003 niet meegerekend) is niet de plaat met vrolijke la-la-la-meezingers waar fans van Blur misschien op hoopten. Evenmin is het een vervolg op de met hiphop en dance gelardeerde popcocktails die Albarn met zijn band Gorillaz uitserveerde.


Everyday Robots is een zeer ingetogen liedjesplaat. 'Traag en melancholiek', vindt Albarn zelf. 'Allemaal de schuld van Richard Russell.'


Russell is in het dagelijks leven de man achter het platenlabel XL-Recordings, waarop onder meer de platen van Adele, The Prodigy en Thom Yorke verschenen. Maar Russell is zelf ook muzikaal behendig met elektronica - samen met Albarn werkte hij bijvoorbeeld al aan het laatste album van soulveteraan Bobby Womack (The Bravest Man In The Universe, 2012).


'We zitten hier vaak samen, als we net naar de sportschool zijn geweest. Dan pakt hij zijn elektronische speeltjes en begin ik wel eens wat piano te spelen.' Een combinatie die klopt, zolang de heren het niet te wild maken. Als het tempo rustig blijft, de piano-akkoorden in mineur blijven en Albarn ingetogen, wat dromerig zijn teksten zingt, dan komen er, zo zegt de zanger trots, 'vaak mooie liedjes tot stand'.


Liedjes die soms gaan over de moeizame maar onvermijdelijke relatie tussen mens en techniek, maar ook vaak over Albarn zelf. En dan met name over zijn kinderjaren.


'Ik was 45 toen ik met Russell aan dit project begon. Ik mag best zeggen dat ik het tot dan toe aardig gerooid had. Grote successen met Blur en Gorillaz, mooie reacties op moeilijkere opera-producties als Monkey en Dr. Dee. Eigenlijk leek alles wel te lukken. Maar echt iets over mezelf had ik nog niet gemaakt.'


Daar was nu de gelegenheid voor, dacht Albarn, al aanrommelend met Russell. 'Die rustige muziek nodigde uit tot een persoonlijker aanpak. En als ik dan toch een soloplaat ging maken, moest-ie ook maar over mezelf gaan.'


Weliswaar gingen de liedjes van Blur vaak ook over de zanger - het album 13 was zelfs helemaal autobiografisch. 'Maar zo diep in mijn jeugd heb ik nooit meer teruggekeken', zegt hij.


Het meest expliciet doet Albarn dat in het liedje Hollow Ponds, waarin hij terugblikt op de hete zomer van 1976, doorgebracht in Leytonstone, Oost-Londen. In een eerder dit jaar door de BBC uitgezonden documentaire, was te zien hoe Albarn zichtbaar ontroerd raakte toen hij na jaren weer naar deze plek terugkeerde.


'Daar ben ik het gelukkigst geweest, toen ik 8 jaar oud was. Even later verhuisden we naar het landerige Essex, vlak bij Colchester, daar kon ik maar moeilijk aarden.'


Albarn steekt van wal over de aanpassingsproblemen die hij als jongetje had. Zijn ouders waren actief in de creatieve sector, 'een soort bohemiens'. Ze lieten hem al op zijn 9de met een vriendje meereizen naar Istanbul, maar toen hij terugkwam, moest hij zien te aarden in het 'oerconservatieve Essex waar iedere kleurling gewantrouwd werd'.


Op school werd hij gepest. 'Best logisch. Kwam ik daar met de Turkse zon nog in mijn gezicht gebrand, kralenkettinkje om, als jongetje uit het grote Londen. Die klasgenootjes moesten me niet, ik was een alien voor ze en zocht heil in de muzieklokalen.'


De herinneringen aan de zomer van 1976, toen hij samen met jongens en meisjes van alle nationaliteiten in Londense wateren poedelde, zou hij jaren met zich meedragen, om ze pas in Hollow Ponds te verwoorden in een liedje.


Relativerend: 'Ik moet het allemaal niet rampzaliger voorstellen dan het was. In Essex had ik nauwelijks vrienden, maar kwam ik wel die jongens tegen met wie ik uiteindelijk de wereld over zou gaan en stadions zou vullen.'


Vooral de ontmoeting met gitarist Graham Coxon, de gitarist van Blur, noemt Albarn bepalend. 'Als ik in Leytonstone gebleven was, had ik ook vast wat in de muziek gedaan. Maar zonder Coxon was Blur niet geworden wat het was.'


Benoemen wat Blur dan precies zo succesvol maakte, blijkt voor Albarn echter niet zo gemakkelijk. 'Begin jaren negentig overheersten Nirvana en Amerikaanse grunge. Wij zochten het meer in melodisch sterke pop uit onze Britse traditie. En zo waren er meer bands. Er was blijkbaar ineens behoefte aan.'


Je had Blur, Oasis, Suede, Elastica, Pulp en nog wat minder bekende bands die samen een nieuwe Britpop hausse genereerden, de grootste sinds de jaren zestig. Al snel ontstond er een grote wedijver tussen Blur en Oasis. 'En toen ging het ook mis.'


De media zetten de twee bands tegenover elkaar alsof het om rivaliserende voetbalclubs ging. De middle-class buitenlui van Blur tegenover de working class lads van stadsschoffies Oasis - een onderverdeling die volgens Albarn alvast niet klopte. 'Ik kwam niet uit Essex, maar uit Londen. Hoe vaak ik dat ook riep, niemand die het wilde horen, dat zou de mythe maar ontkrachten.'


Het beroemdste en succesvolste album van Blur, Parklife, verscheen twintig jaar geleden en bevat Girls And Boys en Parklife, hits waarmee een complete generatie Britten is opgegroeid. Maar zijn nieuwe plaat staat los van dit jubileum. 'Everyday Robots gaat meer over de jaren ervoor en erna. Mogelijk ook omdat ik me nog altijd geen raad weet met die tijd.'


Klinkt een beetje dramatisch. Maar, zo expliceert Albarn, het was natuurlijk allemaal erg opwindend. Zeker als je in de twintig bent en als ster behandeld wordt. 'Het probleem waar iedereen toen toch tegenaan liep, was hoe weer met beide benen op de grond te komen.' Het hielp ook niet echt, zegt Albarn, dat de Britpop-manie samenviel met een opleving in de Britse kunst, de stormachtige opkomst van Young British Artists. En met de hype rond Cool Brittania, de hernieuwde Britse trots die ontstond na aanhoudende economische groei en, later, de verkiezing van Tony Blair als relatief jonge en moderne premier.


Britpop had sterren voortgebracht als de bandleden van Blur en Oasis, Brit Art bracht de superster Damien Hirst voort, de kunstenaar bekend van opgezette haaien en doorgezaagde koeien, die op zijn 23ste doorbrak met de door hem georganiseerde tentoonstelling Freeze en daarmee tevens de kunst van de Young British Artist op de kaart zette. Albarn en Hirst kennen elkaar al sinds de jaren tachtig, ze zaten op dezelfde Londense kunstacademie Goldsmiths.


Albarn stelt dat Hirst zeer inspirerend was. 'Hij prikkelde ons, leerde ons echt anders te kijken naar wat we wilden met onze muziek. Ik vond het aanvankelijk ook spannend hoe hij die kunstwereld naar zijn hand zette.' Maar, verzucht Albarn, eigenlijk is Hirst schuldig aan het ineenstorten van de Britpop.


Pardon? Dat is nogal een beschuldiging aan het adres van de man die in 1995 nog de videoclip voor Blurs Country House maakte. Maar Albarn meent het. 'Uiteindelijk draait alles in het universum van Damien om geld. En daar zijn ook steeds meer muzikanten in gaan geloven. Zoveel talent en kwaliteit is uit de muziek verdwenen na krankzinnige krachtmetigen om grote successen, ratraces om nummer-1-noteringen, terwijl het zou moeten gaan om de muziek. En ja, het voorbeeld werd gegeven door Mister Hirst.'


We keken allemaal naar hem op, expliceert Albarn zijn beschuldiging. 'Wij muzikanten konden niet goed omgaan met alle aandacht en het snelle succes, maar ik hoopte ergens dat Damien dat wel kon. Naar hem werd ook echt geluisterd, veel meer dan naar ons. Iedereen was steeds benieuwd wat zijn volgende stap zou zijn. Ik ook. Maar er kwam niks meer. Ik vond dat echt teleurstellend, maar misschien had ik Damien wel te hoog zitten.'


Dieptepunt voor Albarn was de met diamanten ingelegde schedel For The Love Of God (2007). 'Wat ik al jaren vreesde, werd toen keihard ingepeperd: mijn held van weleer is volledig de weg kwijtgeraakt in een wereld van luxe en glamour.'


Albarn zelf heeft ook moeilijke perioden gekend. Hij gebruikte lange tijd met een zekere regelmaat heroïne en had begin deze eeuw moeite met het vertrek van zijn vriend Graham Coxon uit Blur. 'We zijn weer goed samen, gelukkig. Maar ik heb nog zo veel andere plannen, dat ik echt niet weet of dat Blur-album er nog komt.' Voorlopig richt hij zich op Everyday Robots, waarmee hij nu op tournee is. 'Grote band en alle vrijheid om weer eens een wat onbekender Blur-liedje te spelen, of een nieuwe versie van een Gorillaz-nummer. Mogelijkheden genoeg.'


Weet je, zegt hij, terwijl hij de laatste van de twee sigaretten die hij voor het gesprek op tafel klaarlegde, opsteekt: 'Ik zou best met meer trots over die Britpop tijd willen spreken, maar uiteindelijk heeft dat hele Cool Brittannia, Hirst met zijn geldzucht en die op succes gerichte cultuurwereld, vooral verstikkend gewerkt. Het heeft jaren geduurd voordat ik daar een beetje van kon loskomen. Maar droevig is het wel. Er was echt meer uit te halen geweest.'


Damon Albarn speelt vanavond op het Down In The Rabbit Hole Festival in Beuningen.

Extra: The Child of Lov

De studio van Damon Albarn in West-Londen heeft ook een gastenverblijf. Iemand die er eind 2012 verbleef is Martijn Teerlinck, ook wel bekend als The Child Of Lov, de Amsterdamse muzikant die eind vorig jaar overleed. Albarn: 'Hij logeerde hier een tijdje toen we aan het nummer One Day werkten. Ik vond het een enorm bevlogen jongen, met veel ideeën. De samenwerking verliep soepel. Verdrietig dat hij zo plotseling is gestorven, er was vast nog veel meer moois uit hem gekomen.' One Day staat op het vorig jaar verschenen album van The Child Of Lov. Toevallig verscheen er deze week van dit nummer een videoclip.

Extra: Beknopte discografie van Damon Albarn

Blur: Leisure


(hit: There Is No Other Way, 1991)


Blur: Parklife


(hit: Girls And Boys, 1994)


Blur: The Great Escape


(hit: Country House, 1995)


Blur: Blur


(hit: Song 2, 1997)


Blur: Thirteen


(hit: Tender, 1999)


Met diverse Afrikaanse muzikanten: Mali Music (2002)


Gorillaz: Gorillaz


(hit: Clint Eastwood, 2001)


Gorillaz: Demon Days


(hit: Feel Good Inc. 2005)


The Good The Bad And The Queen: The Good The Bad And The Queen (2007)


Monkey - Journey Through The West (Opera, 2008)


Gorillaz: Plastic Beach


(hit: Stylo , met Bobby Womack, 2010)


Dr. Dee (Opera, 2012)


Damon Albarn: Everyday Robots (2014)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden