Demagogie

De Utrechtse Hogeschool biedt vanaf het volgende schooljaar de afstudeerrichting Vervanging van Dierproeven aan. Na een opleiding met instructie in weefselkweek en veel theoretische proefdierkunde - omdat de opleiding proefdiervrij is - moeten de afgestudeerden op universiteiten en in onderzoekscentra alternatieven gaan ontwikkelen voor dierproeven....

Huub Schellekens

Hij schept daarmee het beeld van een onverschillige wetenschap die door zijn school wel even het goede pad op zal worden geholpen. Dat is een cliché-beeld. De wetenschap doet al alles wat mogelijk is om dierproeven te beperken.

Onderzoekers doen alleen experimenten in dieren als door die proeven belangrijke wetenschappelijke informatie kan worden verkregen. En bij de proeven moet het welzijn van de dieren zo min mogelijk worden aangetast.

Of een dierproef gedaan mag worden, wordt bovendien niet afgewogen door de betrokken onderzoekers, maar door een ethische commissie, waarvan een aantal leden en de voorzitter van buiten de wetenschappelijke instelling moeten komen. Bijzondere handelingen met dieren hebben een vergunning van de overheid nodig.

Ondanks al deze procedures, blijft de maatschappelijke argwaan bestaan. Die wordt voor een belangrijk deel gevoed door organisaties als de Dierenbescherming en Proefdiervrij, die principieel elke proef met dieren afwijzen. Het ledenaantal van die organisaties geeft veel politieke macht.

Maar diezelfde politiek wordt ook geconfronteerd met kiezers die vragen om veilige medicijnen en oplossingen voor problemen als SARS, vogelpest, gekkekoeienziekte, en zo meer. Vragen die alleen met dierproeven kunnen worden beantwoord.

De meeste dierproeven worden gedaan om de wetenschap verder te brengen of om de veiligheid van nieuwe medicijnen vast te stellen. De laatste decennia zijn de mogelijkheden om een bepaald probleem aan te pakken sterk vermeerderd. In de reageerbuis kan veel meer dan vroeger en het aantal proefdierexperimenten is dan ook aanzienlijk afgenomen.

Wat er aan proefdierwerk is overgebleven, betreft steeds problemen die alleen in het hele dier zijn te onderzoeken. Daarvoor is geen alternatief.

Wat nog wél rest om door alternatieven te worden vervangen, is het onderzoek naar de veiligheid van geneesmiddelen. Daarbij worden vooral muizen, ratten en honden wisselende perioden behandeld om de bijwerkingen van een middel vast te stellen. Theoretisch zou daarvan op den duur veel meer in cellen of via computersimulatie moeten kunnen worden gedaan. In de praktijk blijken nieuwe methoden meestal niet in plaats van het onderzoek in dieren te komen, maar als extra testen op veiligheid.

Het probleem is dat de voorspellende waarde van die vervangende testen nooit met honderd procent zekerheid kan worden vastgesteld. De twijfel blijft en dat is niet acceptabel voor de farmaceutische industrie. Zeker in de VS wordt die met miljardenclaims geconfronteerd als een nieuw medicijn onverwachte, vermijdbare bijwerkingen vertoont.

Je kunt dus alternatieven ontwikkelen tot je een ons weegt. Het probleem ligt bij een maatschappij die niet bereid is bepaalde risico's te accepteren; het ligt niet bij een tekort aan kennis van of inspanning voor alternatieven. Claims dat meer alternatieven veel proefdierleed kunnen voorkomen zijn weinig meer dan propaganda.

Dat is een slechte basis voor een opleiding. Wie bovendien als de Hogeschool Utrecht de opleiding laat openen met een manifestatie waarbij de bevrijding van proefdieren wordt verbeeld, geeft tevens de indruk een ideologie te doceren in plaats van een vak.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden