De zeugen van Jan Overesch in Raalte hebben alle ruimte voor natuurlijk gedrag. In ­augustus kreeg hij de jaarlijkse Modderpoelprijs van Wakker Dier uitgereikt, voor de mooiste modderpoel.

Beschouwing Nederland Varkensland

Deel twee van de serie Nederland Varkensland: Wat het varken ervan vindt

De zeugen van Jan Overesch in Raalte hebben alle ruimte voor natuurlijk gedrag. In ­augustus kreeg hij de jaarlijkse Modderpoelprijs van Wakker Dier uitgereikt, voor de mooiste modderpoel. Beeld Marcel van den Bergh

Modderpoelen, speelgoed, buitenruimte: biologische varkens hebben het fijn. Maar kunnen varkens in de reguliere industrie zich ook prettig voelen? 

Twee pientere oogjes kijken de boer en zijn bezoeker onderzoekend aan vanuit de modderpoel aan de rand van het grasland. Daarna komt het logge varken langzaam omhoog, strekt de poten en schudt zich uit als een natte hond – de modderspetters vliegen in het rond – om vervolgens weer verzaligd in de zwarte modder weg te zakken.

Zelfs een leek kan zien: dit is puur varkensgeluk.

De 110 zeugen van Jan Overesch (70) in Raalte hebben een grote, open stal met veel stro, waar ze in en uit kunnen lopen naar het weiland met waterplas die aan de zijkanten is veranderd in een modderpoel. Sommige dames liggen te maffen in het enorme strobed dat het rechterdeel van de stal beslaat, andere snuffelen in het linkerdeel rond in de buurt van de (gemechaniseerde) voerbakken.

En weer een andere groep is dus buiten aan het spelen. ‘Sommige varkens slapen ook buiten, vooral als het warm is’, zegt de biologische varkensboer. De slaapvoorkeuren verschillen per dier, net zoals de ene mens de rustieke camping opzoekt en de ander het luxe hotel.

In augustus kreeg Overesch de jaarlijkse Modderpoelprijs van Wakker Dier uitgereikt, voor de mooiste modderpoel van Nederland. ‘Schaduw, modder en verkoeling – precies wat de varkens wensen’, aldus de dierenwelzijnsorganisatie. De modder is bovendien goed voor de huid en helpt bij de bestrijding van parasieten en de genezing van wondjes.

Dierenwelzijn houdt al decennia de gemoederen bezig in de Nederlandse varkenshouderij. In mei bezetten ruim honderd actievoerders van Meat the Victims een varkensbedrijf in Boxtel om de misstanden in de ‘industriële veesector’ aan de kaak te stellen en openbaar te maken; woensdag werden 67 van hen door de politierechter veroordeeld tot een boete van 300 euro wegens lokaalvredebreuk. Ze vinden het dierenmisbruik om duizenden varkens opeengepakt in een stal te houden. De sector reageerde verontwaardigd: ‘We lopen in Nederland voorop met dierenwelzijn.’

Maar hoe zie je of een varken gelukkig is? ‘Dat zie je aan de ogen en oren, aan haar gezichtsuitdrukking en manier van lopen’, zegt Overesch. ‘Het is net als bij honden en katten: een baasje ziet het snel genoeg als zijn huisdier zich niet goed voelt.’

Slimme, sociale dieren

Varkens zijn slimme, sociale, aanhankelijke en onderzoekende dieren met een goed geheugen. Ze hebben meer cognitieve vaardigheden dan bijvoorbeeld honden. Een klassiek voorbeeld is de joystickbediening: uit een Deens onderzoek bleek dat je varkens kunt leren om te gaan met een stuurknuppeltje om zelf de temperatuur in de stal te regelen. Door ze te belonen met snoepjes hadden ze het binnen een paar dagen door.

‘Het is dat ze zo log worden, anders zou je aan een varken een beter huisdier hebben dan een hond’, grapt Karel de Greef van de Wageningen Universiteit, die veel onderzoek doet naar diergedrag. ‘Maar juist door dat hoge intelligentieniveau kunnen varkens behoorlijk lijden onder slechte en eentonige leefomstandigheden. Daarom zijn afleiding, speeltjes en uitdagingen in de stal zo belangrijk voor hun welzijn.’

Voor biologische varkenshouders liggen de eisen voor dierenwelzijn hoger dan bij reguliere bedrijven: de varkens hebben meer ruimte (2,3 vierkante meter in plaats van 0,8 tot 1 vierkante meter), stro in de stal en ze moeten naar buiten kunnen. ‘Maar dat betekent niet automatisch dat varkens in reguliere stallen zich nooit senang zouden kunnen voelen’, zegt WUR-onderzoeker De Greef. 

Het maakt volgens hem ook niet uit of varkens met honderd, duizend of vijfduizend dieren in de stal zitten. Het dierenwelzijn zit hem vooral in de omstandigheden: hoeveel ruimte hebben ze, hoe is de stal ingericht, hebben ze voldoende afleiding? ‘Dierenactivisten zeggen vaak: die dieren zitten hutjemutje in de stal, dat kan niet goed zijn’, aldus De Greef. ‘Maar een megastal vol dieren zegt weinig tot niets over dierenwelzijn.’

Hij publiceerde tien jaar geleden met collega’s het onderzoeksrapport Wat wil het varken? Van behoefte naar stalontwerp. De gedragsonderzoekers formuleerden tien basisbehoeften. Een greep daaruit: de varkens moeten als sociale dieren in een groep leven, als zindelijke dieren veilig ergens kunnen poepen en pissen, als onderzoekende dieren de omgeving kunnen verkennen en kunnen wroeten, ongestoord kunnen eten en drinken, rustig ergens kunnen liggen, zichzelf kunnen verzorgen (schuren langs een wand), voldoende beweging hebben.

In samenwerking met LTO Nederland en de Dierenbescherming werd zelfs de ‘Comfort Class-stal’ voor vleesvarkens ontworpen, waarvan een modelstal op het Praktijkcentrum Varkenshouderij in Raalte kwam te staan. De varkens kregen veel ruimte, stro, speeltjes, natuurlijk licht en buitenlucht in een verder simpele stal, die een tussenvorm was tussen een biologische en reguliere stal.

De Comfort Class-stal heeft het in de praktijk nooit gehaald – te duur voor reguliere varkenshouders die zoveel mogelijk dieren willen houden tegen zo laag mogelijke kosten – en is een stille dood gestorven. Maar het experiment leverde wel enkele puzzelstukjes voor het Beter Leven- en het Varken van Morgen-keurmerk, waarmee in elk geval de allerergste misstanden in de veesector werden aangepakt. Zo is de wettelijke norm voor vleesvarkens minimaal 0,8 vierkante meter per dier, terwijl een Beter Leven 1 ster-varken een hele vierkante meter leefruimte krijgt. Ook moeten Beter Leven-varkens meer afleiding krijgen (‘speeltjes’ tegen de verveling).

Ruimtegebrek beperkt welzijn

‘Ruimtegebrek is nog steeds de belangrijkste factor die het welzijn van varkens beperkt’, zegt De Greef. ‘Varkenshouders willen de dieren niet meer ruimte geven, want dat kost hen 20 procent omzet. Ook die ene vierkante meter van Beter Leven is een compromis tussen markt en maatschappij. De Dierenbescherming had verder willen gaan.’

Onderzoeker De Greef meent dat met het Beter Leven-keurmerk ‘een behoorlijke sprong voorwaarts’ is gemaakt in dierenwelzijn, al kan het natuurlijk altijd beter. Maar is die ene vierkante meter ruimte wel genoeg voor een varken om zich plezierig te voelen? ‘Dat is ook afhankelijk van de groepsgrootte en inrichting van het hok’, aldus De Greef. ‘Vier vierkante meter voor vier varkens is veel te krap, maar dertig voor dertig varkens kan voldoende zijn. Het gaat vooral om de indeling: je moet een goede afscheiding kunnen maken tussen de plekken voor eten, slapen en mesten.’

Nagenoeg al het varkensvlees dat in Nederland wordt verkocht en geconsumeerd, heeft inmiddels het keurmerk Beter Leven 1 ster, van varkens die een vierkante meter leefruimte hebben. Maar de binnenlandse consumptie maakt maar 40 procent uit van de totale productie. Het merendeel van de varkens verdwijnt levend of in stukken naar het buitenland. En die 60 procent van de productie voldoet slechts aan de (lagere) wettelijke norm van 0,8 vierkante meter, die iets hoger is dan het Europese gemiddelde en veel hoger dan het gemiddelde op wereldschaal. Tel je zegeningen, vindt de varkenssector. 

Varkens in Nood vindt de welzijnseisen van Beter Leven onvoldoende. Volgens de actiegroep is de ruimte te karig en is het ook slecht gesteld met het wettelijk verplichte ‘afleidingsmateriaal’ in de stallen, ook wel ‘verrijkingsmateriaal’ genoemd: de speeltjes tegen de verveling.

‘Varkens zijn nieuwsgierige dieren met een enorme behoefte aan wroeten en onderzoeken’, zegt directeur Hans Baaij. ‘Wie het gangbare verrijkingsmateriaal ziet dat in de stallen hangt – kettingen met harde plastic bal of blok hout, stukjes pvc-buis die om een stang zitten – kan niet anders dan huilen vanwege de enorme, uitzichtloze verveling die er het gevolg van moet zijn.’

Stro, hooi of houtzaagsel werken veel beter om varkens bezig te houden. Vorig jaar maakte Wageningen Universiteit in een speciale brochure nog eens duidelijk waaraan het afleidingsmateriaal voor varkens moet voldoen: het moet wroetbaar, bijtbaar, eetbaar en afbreekbaar zijn.

Varkens hebben dat nodig, want verveling en stress veroorzaken frustraties, aldus Baaij, waardoor ze gestoord gedrag gaan vertonen, zoals het bijten aan oren en staarten van hokgenoten. Om die reden laten veel varkenshouders de krulstaartjes van biggen al op zeer jonge leeftijd couperen. Die omstreden en pijnlijke praktijk staat al jaren ter discussie. Begin september kondigde landbouwminister Carola Schouten een verbod aan in uiterlijk 2030.

Staartbijten

Op de biologische boerderij van Jan Overesch lopen alle varkens nog vrolijk rond met hun krulstaart. Staartbijten doen zijn varkens niet – wat overigens niet geldt voor alle biologische varkensbedrijven. ‘Het heeft te maken met veel ruimte en veel stro om in te wroeten; ze eten het ook wel op’, zegt hij in de zeugenstal, terwijl enkele nieuwsgierige en opdringerige zeugen aan onze laarzen knabbelen of met hun lijven langs onze in overall gestoken benen schuren. ‘En met goed voer, denk ik, drie keer per dag. Je moet de dieren wel tevreden houden.’

Beeld Marcel van den Bergh

De zeugen die moeten biggen – dat gebeurt twee keer per jaar – verkassen naar een van de 39 ‘kraamkamers’: vier stuks per hok met uitloopruimte, via rubberen of plastic windflappen, naar buiten. In de kraamkamers is het een en al pril geluk: krioelende roze biggetjes op een grote hoop naast de trotse moeder. Sommige kleintjes, nauwelijks drie weken oud, wagen zich al voorzichtig naar buiten.

Overesch had een reguliere varkenshouderij, met negen zeugen per hok. Maar begin deze eeuw heeft hij de overgang gemaakt – met de akkerbouw was hij in de jaren negentig al biologisch gegaan. ‘Dit is toch veel mooier zo: iedereen heeft meer ruimte’, zegt hij. ‘Weet je wat het is? Niet alleen de dieren hebben het fijner, het is ook fijner voor de boer. Je doet het werk weer met genoegen. Daar kom je pas achter als je het doet.’

Behalve 110 zeugen heeft hij ook 700 tot 800 biggen en vleesvarkens (die na circa 230 dagen naar de slachterij vertrekken). De vleesvarkens mogen geen gebruik maken van de modderpoel, daar is het bad niet groot genoeg voor. Maar aan hun hok grenst wel een buitenruimte, zoals de biologische richtlijnen voorschrijven, die bij warm weer wordt beneveld.

Daardoor liggen sommige dieren met hun modderige vacht gedeeltelijk in een plas water, en dat ziet er best een beetje raar uit, alsof ze verwaarloosd zijn. Dierenactivisten zouden er zo een kritisch filmpje van kunnen maken. Overesch lacht. ‘Dat vinden ze gewoon fijn, en ze kunnen ook naar binnen als ze willen. Maar het klopt: je moet dat wel weten. Onlangs had ik een groep kritische bezoekers op de boerderij en die riepen meteen: is dit nou dierenwelzijn?’

Rekbaar begrip

Dierenwelzijn is een rekbaar begrip, wil hij maar zeggen, en ook afhankelijk van perceptie. Sommige actievoerders in Boxtel moesten huilen bij het zien van dode biggetjes, sommige verdrukt onder de moeder. Maar ook bij biologische varkenshouder Overesch is ‘doodliggen’ de belangrijkste oorzaak van biggensterfte. Die bedraagt circa 10 procent, wel iets minder dan in de reguliere varkenshouderij.

Hamvraag blijft: kunnen varkens zich ook senang voelen in de gangbare varkenshouderij, met duizenden dieren in de stal? Want voorlopig vertegenwoordigt de biologische varkenshouderij nog maar 1 procent van de sector. Volgens de POV, de belangenorganisatie van de varkenshouders, kan het. Ook de reguliere boeren hebben dierenwelzijn hoog in het vaandel.

Onderzoeker De Greef houdt een slag om de arm. Het gaat niet om de aantallen, maar om de omstandigheden, zegt hij. ‘Je moet een balans vinden tussen lijden en geluk – dan heb je het over de ethiek van de landbouw, dat is razend complex. Daarover heeft iedereen uiteenlopende meningen.’

Zelfs Varkens in Nood zweert heel grote stallen met veel varkens niet bij voorbaat af. ‘Er is altijd een strijd tussen ideaal en haalbaarheid’, zegt directeur Baaij. ‘Maar als schaalvergroting leidt tot meer dierenwelzijn, zoals meer ruimte en een betere luchtkwaliteit, dan zijn we daar niet per se tegen. We zijn er ook niet voor, maar je moet praktisch zijn. Ooit was er het plan om in Zaandam enorme stallen vol voorzieningen voor 300 duizend varkens te bouwen. Dan redeneer ik: liever 300 duizend dieren met een beter leven dan 300.’

Biologische varkensboer Overesch is sceptisch over het varkensgeluk in de gangbare veehouderij. ‘De vraag is niet of het kan, maar of we het moeten willen’, zegt hij. ‘We moeten eens af van die wedloop naar steeds meer, steeds groter, steeds efficiënter, steeds goedkoper. Nederland hoeft de wereld niet te voeden. Ik geloof in kleinschalige kringlooplandbouw, waarbij de varkens met hun mest in dienst staan van de akkerbouw, net als vijftig jaar geleden. Waarom zouden wij als klein land varkensvlees aan China moeten leveren en daarvoor ook nog eens veevoer uit Zuid-Amerika halen?’

Het is de maand van de waarheid voor de varkenshouder. Wie aangeeft te stoppen, krijgt geld (‘warme sanering’). Wie doorgaat, wacht een onbestemde toekomst. In een serie verhalen onderzoekt de Volkskrant Nederland varkensland. Vandaag deel 2: Wat het varken ervan vindt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden