Column

'De zwijnen hadden er part noch deel aan. Ze waren domweg even met teveel'

Het is een goed mastjaar. Tien jaar geleden was dat niet zo. Op de Veluwe woedde toen een oorlog tussen jagers en ecologen over de zwijnenstand. Columnist Lidy Nicolasen ging mee op zwijnenjacht.

Wilde zwijnen op de Veluwe.Beeld anp

Een paar dagen voordat de regen in wolkbreuken naar beneden kwam en er een Indian summer in leek te zitten, wandelde ik met mijn zussen op de Mookerheide. De grond lag bezaaid met eikels, beukennootjes en kastanjes. Laat voor de tijd van het jaar, maar ook tekens van een top mastjaar. 'De zwijnen zullen zich niet laten zien deze winter', zei ik. Dan maar niet, reageerden mijn zussen, bang dat ik weer zou beginnen over dat slechte mastjaar van tien jaar geleden.

De beuk droeg geen nootjes toen, de eikels waren door de hete zomer verschrompeld en het gras was verdroogd. De zwijnen leden honger. Ze kwamen massaal het bos uit op zoek naar eten. Ze ploegden bermen en akkers om, hielden huis in boerenschuren en liepen zich te pletter in het verkeer.

Op de Veluwe woedde een oorlog tussen jagers en ecologen. De een verweet de ander de zwijnenstand kunstmatig hoog te houden om terug te kunnen naar de vermaledijde drijfjacht. De zwijnen hadden er part noch deel aan. Ze waren domweg even met teveel.

Op zwijnenjacht op de Veluwe
Aan de hand van een jager - Spek was zijn naam - ging ik in de donkere nacht begin november mee op zwijnenjacht op de Veluwe. De eerste nacht liet geen zwijn zich zien. Spek had trouwens zijn geweer thuis gelaten. Het was een proefzit, bleek naderhand. Ik kon best stilzitten, was gebleken, maar wilde ik nog eens aanschuiven in de jagerskooi, dan in een andere jas dan de krakende waxcoat. Toch een soort jagersjas, dacht ik.

De tweede keer zat ik doodstil naast hem in een jas die deze winter een tophit wordt. Zo'n gevaarte dat tot de voeten reikt en zo wijd is dat Spek er gemakkelijk bij had gekund. Maar aan dat soort dingen durfde ik nauwelijks te denken, laat staan over te spreken. Ik ademde maar net.

'De maan zit in een pak watten', schreef ik toen. Ik schreef niet over de muis die voor mijn neus op en neer wandelde langs de randen van het kijkgat. Als er thuis op het vloerkleed een muis zijn snorharen poetst, spring ik gillend op een stoel. Die nacht knipoogde ik, onzichtbaar, onhoorbaar, de muis trok zich er niets van aan.

Het was te donker om stiekem op mijn horloge te kijken. De smartphone was er nog niet en zou vanwege de felle lichtbundel bovendien Speks ongenoegen hebben gewekt. Toen ik na lange uren naast me eindelijk hoorde ademen en bewegen, begreep ik dat ook aan deze nacht in de jagerskooi een einde was gekomen. Geen varken had zich laten zien. Ook de derde nacht niet. Pas de vierde nacht was het raak.

Ik was in afwachting van de muizen (er kwamen er steeds meer) toen Spek zijn vinger opstak. Het afgesproken teken. Ik hoorde het kraken van een tak, gevolgd door luidruchtig snuiven. Het zwijn achtte de kust veilig, want weldra slobberde het de uigestrooide eikels en maïskorrels op. Het was een keiler, een jong mannetje, zag Spek, hij liet zijn geweer zakken. Er waren al genoeg keilers afgeschoten. Het duurde even voordat ik het dier in het donker kon onderscheiden. Toen ging het op de vlucht voor een zeug en haar jong, die veel meer lawaai maakten.

Het schot naast me klonk als een scherpe tik. Spek wist precies waar hij het dier had geraakt. We vonden het op zeventig meter van de lokplaats. Het was een jaarling, te groot voor big, te klein voor zeug. Een overloper. Ik hielp Spek het dier naar de rand van het bos te slepen, waar zijn auto stond. Ik kreeg een zaklantaarn om bij te schijnen. Geroutineerd sneed hij het dier open en verwijderde de ingewanden, die hij een eindje het bos in bracht. Voer voor kleine zoogdieren, vogels en insecten. De galblaas belandde ook in het bos, de lever in een emmer. De dode overloper tilden we in de achterbak.

Zwaailichten
Toen we terugreden naar de bewoonde wereld, stuitten we op zwaailichten. 'Zwijnen', zei Spek. Hij kreeg gelijk. Twee motorrijders waren op overstekende zwijnen geklapt. De motorrijders kwamen met de schrik vrij. De zwijnen niet. Langs de weg lag een big, op slag gedood. Op het asfalt jammerde het moederdier. Spek knielde naast haar neer, pakte zijn mes en stak het met een snelle beweging in haar hart. Het varken gilde. De politieagenten draaiden zich om.

De nacht had niet dramatischer kunnen eindigen.

Lidy Nicolasen is verslaggeefster van de Volkskrant. Ze schrijft wekelijks een column voor Volkskrant.nl.

Beeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden