De zwam en de vermorzelde idylle

'Als je héél erg milieuvriendelijk bent, moet je jezelf ophangen'. Waarom zijn wij zo paddestoelvijandig? Hoe filosoof-antropoloog Ton Lemaire Nederland de rug toekeerde en nu ook het paradijs ontvlucht....

Op paddestoelen van geluk gezeten Hebben wij lucht als brood gegeten Hebben wij zon als wijn gedronken Hebben wij kruimels van stilte vergaard Tot een witglanzende bruiloftstaart.

Paul Rodenko

ONDER DE afwas openbaart zich het paradijs. Boven het dal is de vitrage van regendruppels onmerkbaar weggeschoven. Dampen trekken op uit de glooiing van grasland dat omzoomd is door druipend geboomte. Tot ver in de diepte reiken de veertien hectare heuvelland waarvan cultuurfilosoof en antropoloog Ton Lemaire zich eigenaar mag noemen, sinds hij de stilte van de Dordogne zocht. Voor Nederlandse begrippen is hij ongeveer grootgrondbezitter. Een grootgrondbezitter die zijn Marx nooit definitief zal verloochenen. Kapitalisme is voor hem de ondergang van de wereld.

'Aangezien ik socialistische principes heb geneer ik me eigenlijk een beetje voor zo'n grote lap grond', zegt hij, als een lopende-bandwerker de vaat drogend die vriendin Ellen heeft uitgestald na een vegetarische lunch. Gierst met moes van pompoenen hoorden bij het menu. Met een salade van ecologisch geteelde witlof uit eigen tuin. Zelfverbouwd voedsel geeft de bewoners van de enigszins vervallen hoeve het gevoel van verbondenheid met de schepping. De uitjes komen boven, de bessenstruiken botten uit, een hommel zoemt bij de perelaar. Ver weg is de bevolkingsexplosie; is de kloof tussen arm en rijk. Hier is als aperitief een pittig notenelixer van eigen stook voorhanden. Ecoboeren is een kunst.

De 'onoplosbaarheid van het mondiale milieuprobleem' weerhoudt de 54-jarige Lemaire niet van 'een zo verantwoord mogelijk natuurbeheer. Dus probeer ik zo verstandig mogelijk bomen te kappen die we nodig hebben voor onze houtkachel.'

Zeker, ook hout is milieuvervuilend, maar niet zo erg als gas. Wel eerst goed drogen. 'Trouwens, als je héél erg milieuvriendelijk bent moet je jezelf eigenlijk ophangen.' Lemaire schrikt van zijn eigen woorden. 'Hoho, ik wil niet hebben dat zo'n uit de context gerukte uitspraak als kop boven het artikel komt te staan.' Kranten zijn tot alles in staat, heeft hij gemerkt. 'Wat ik bedoel te zeggen is: menselijk leven is nu eenmaal vervuilend. Dat is onontkoombaar. Maar wij proberen hier met z'n tweeën zo consequent mogelijk héél dicht bij de natuur te leven.'

Het toilet dient met een emmer water te worden doorgespoeld. Een motorzaag behoort niet tot de agrarische uitrusting. Hout moet met de hand op kachelmaat worden gezaagd. Boeren in de buurt vinden dat maar mal. Les Hollandais bewaren hun ingemaakte fruit in koelkasten die het niet meer doen! En ze rapen overgebleven maïskolven die op naburige velden na de oogst zijn blijven liggen!

Wel drie, vier maanden per jaar is Lemaire druk met de brandstofvoorziening. Ietwat zorgelijk dwaalt zijn blik over de helling met madeliefjes waar hij het gras met lede ogen ziet groeien tot er onherroepelijk de zeis overheen moet. De zeis, dat is afzien. Maar een motormaaier onverteerbaar voor de wetenschapper. Om de herrie alleen al.

Nederland, dat is lawaai, bioindustrie, vervuiling, onleefbaarheid. Zes jaar geleden verruilden Ton Lemaire en zijn vriendin de Hollandse hectiek voor de lieflijk gelegen boerderij Théveny, een half uur rijden van Périgueux. Daar is geen huis in de omtrek te bekennen. Daar heeft Lemaire zijn stress afgelegd, zoals een vlinder zijn cocon verliest. Voor zover het boerenbestaan dat toelaat, verricht hij zijn intellectuele arbeid onder een plafond met een bloemetjesbehang.

Jongste project: de rehabilitatie van de paddestoel.

Het paddestoelbewustzijn als antwoord op de verstoorde symbiose tussen mens en natuur.

Bij zijn afscheidsrede voor de Katholieke Universiteit van Nijmegen in 1990 beleed de populaire docent cultuurfilosofie zijn droefenis over 'de barbaarse Europese beschaving' die geen grenzen lijkt te kennen in het ontwikkelen van begeerten. Een beschaving die volgens Lemaire vernuft prefereert boven wijsheid. De eenling die misschien nog de weg kan wijzen in dat labyrint, zal naar zijn oordeel slechts een roepende in de woestijn blijken.

'Het is meer dan ooit moeilijk om Europeaan te zijn', besloot Lemaire zijn essay Twijfel aan Europa.

Bij een Renault 4 met een sleetse versnellingsbak staat hij zijn bezoek op te wachten voor het stationnetje van St. Astier, de schrijver van filosofische bestsellers als Filosofie van het landschap ('wordt binnenkort na 25 jaar herdrukt'), Over de waarde van kulturen en De Indiaan in ons bewustzijn. Een broodmagere, wat ascetisch ogende verschijning met de alpinopet van een agrariër uit de Périgord. Onlangs verscheen een opvallende publicatie van Ton Lemaire: Godenspijs of duivelsbrood - Op het spoor van de vliegenzwam. Volgens het voorwoord ook 'een poging om een wetenschappelijk antwoord te geven op de ogenschijnlijk kinderlijke vraag waarom kabouters bij paddestoelen wonen'.

Als kind al drong Lemaire door in het rijk van de dikke boleten, stuifzwammen en elfenbankjes. De filosoof wil graag praten over de in onze cultuur zo veronachtzaamde paddestoel, mits hij niet wordt gefotografeerd. Hij levert zelf wel een kiekje. Angst om minder serieus te worden genomen als lezers hem pakweg kippemest zien kruien in zijn eigen biotoop? Hij ontkent het ernstig. Het beeld van een armoeiïge zonderling is alleen zo gauw gevestigd. 'Ik schaam me er niet voor dat ik met mijn handen werk. Daar ben ik zelfs trots op. Maar ik heb niet als een heremiet gebroken met de beschaving, want dan had ik geen radio en geen telefoon. Ik sta er nog met een been in, zij het op afstand.'

Het 'ogenschijnlijk buitenissige onderwerp' paddestoel moet men in het verlengde zien van Lemaires vroegere werk. Het is, verheldert hij, een pleidooi voor de erkenning van die vergeten dimensie van onze verhouding tot de plantenwereld. Neem de vliegenzwam. De giftigheid ervan, beklemtoond in elk paddestoelengidsje, moeten we volgens Lemaire met een korreltje zout nemen. Want anders zouden sjamanen, toverpriesters bij Siberische volken, immers geen hap zwam door hun keel hebben gekregen. Sterker: in de oude wereld geraakte een beetje sjamaan in extase dank zij comsumptie van de vliegenzwam. Zodoende kon hij communiceren met de wereld van de geesten. Dat mag wel eens gezegd, nu de band tussen mens en plant losser lijkt te zijn geworden dan ooit.

Lemaire schrijft: onder invloed van joods-christelijke invloeden heeft de Europese geest gebroken met het sjamanisme. En daarmee met de 'planten der goden' die in de archaïsche natuurverhouding een belangrijke rol speelden. Betreurt Lemaire dat? Ja en nee. Elke cultuur maakt nu eenmaal keuzes waar zowel goede als slechte kanten aan zitten. 'Wat we nu in de milieucrisis zien is dat onze rationaliteit elke verwantschap met de natuur uitsluit. Terwijl het sjamanisme de mens juist niet buiten kosmische samenhang en natuur plaatst.'

In kringen van radicale ecologen en de New Age-beweging is er een herwaardering op gang gekomen van de sjamaan als kenner van de menselijke geest bij uitstek. 'Nee ik heb geen enkele behoefte om te dwepen met de New Age-beweging', zegt Lemaire er haastig bij. 'Ik vind het alleen onverstandig om het volledig te verwerpen en je te blijven verschansen in je rationalisme.'

De zwam als blinde vlek in de kennis van historici en antropologen! Daar ligt een zekere paddestoelvijandigheid aan ten grondslag, constateert Lemaire in zijn cultuur-historisch onderzoek. Mycofobie. Nederlanders zijn domweg mycofoob. Neem alleen al namen als heksenboleet, satansboleet, spokenbrood, stinkzwam. Of het Zuidlimburgse joedevleis en tatervleis; minder subtiele verwijzing naar joden en zigeuners. De echte mycofiel moet daarentegen in Oost- en West-Europa worden gezocht. Lemaire stuitte op Tsjoekten, Joekagieren en Toengoezen als vliegenzwameters bij uitstek.

Tegenwoordig schijnen de Siberische Korjaken de voorkeur te geven aan de bewustzijnsveruimende paddestoel 'omdat je er geen hoofdpijn van krijgt en van wodka wel'. In het seizoen van zwammenschaarste biedt de urine van de vliegenzwamgebruiker soelaas.

Het drinken van die urine kan de uitwerking van de paddestoel zelfs tot vijf maal toe rekken. Deze wetenschap dankt Lemaire aan de Amerikaanse etnomycologie-pionier Wasson, een bankier die paddestoelen aanvankelijk doodgriezelig vond, maar wiens enthousiaste bevindingen in een eigen bibliotheek-ruimte van de Harvard-Universiteit rusten. Met zijn wetenschappelijke benadering van fungilore (volkse kennis van fungi, zwammen) heeft Ton Lemaire die uit een winterslaap gewekt.

Zo weten we dank zij hem dat men zich in Midden-Amerika enkele dagen voor het gebruik van 'kleine heiligen', zoals Psilocybe-paddestoelen in Mexico bekend staan, dient te onthouden van seksuele omgang. En weten we dat naast min of meer prettige hallucinaties een groter uithoudingsvermogen het gevolg kan zijn; dat Indiase veda's de lof van soma zongen, het sap uit een vergoddelijkte plant die, jawel, de Amanita Muscaria (vliegenzam) bleek te wezen.

Een filosoof-antropoloog ('ik ben van huis uit meer vogelkenner dan paddestoelenman') die zich met zijn volle gewicht op paddestoelen stort, is dat met permissie niet zoiets als een hoogleraar tandheelkunde die de rol van de Driekusman op de volksmuziek gaat onderzoeken? Concreet gevraagd: loopt Ton Lemaire het risico in wetenschappelijke kring nu als de professor Prikkebeen van de Périgord worden geboekstaafd?

'Dat gevaar loop ik, ja. Jammer voor ze. Ik heb al uit een bepaalde bespreking van mijn boek wederom gemerkt dat Nederlanders niet in paddestoelen geïnteresseerd zijn. Het is een thematiek waar ze geen greep op hebben. Dan schrijft men bijvoorbeeld dat ik zou dwepen met het sjamanisme, wat absoluut niet het geval is. Men leest het niet goed en onwelwillend'.

Er is in Nederland nog nooit wat geschreven over het raakvlak van de paddestoel met de cultuurgeschiedenis, behalve door een paar amateurs. Dus doe ik als antropoloog in zekere zin pionierswerk, zoals Wasson dat in Amerika heeft gedaan. Maar sommige mensen zijn in staat een boek kapot te maken op grond van een detail. Koot en Bie hebben twintig jaar geleden de Engelsman Allegro terecht belachelijk gemaakt die op een nogal speculatieve manier het christendom herleidt tot een paddestoelcultus. Daar heb ik me ook bewust van gedistantieerd. En wat zie je? Dan gooit zo'n recensent je tóch op een hoop met zo'n Allegro. Daar kan ik me ontzettend kwaad over maken. Dan voel je je zo miskend eigenlijk.'

Geeft Lemaire de paddestoel de plaats die hem in de cultuurgeschiedenis toekomt?

Terwijl uit de badkamer het raspen op een ouderwets wasbord opklinkt - een wasmachine ontbreekt in huize Lemaire - betoogt de auteur dat zijn werk in het kader van onze milieucrisis moet worden geplaatst: bezinning op vervlogen culturen 'waarin mensen paddestoelen en planten op een heel andere manier hebben beleefd dan wij'.

Als lekkernij won de paddestoel ooit aan smakelijkheid wanneer hij eerst door vrouwen werd gekauwd alvorens de Siberische man hem opat. De vraag is: hoe empirisch is Lemaires onderzoek? Heeft hij de vliegenzwam op zijn menu staan teneinde tot de ziel ervan door te dringen?

'Ik heb hem zelf wel gegeten', bevestigt hij. 'Drie keer. Er is toen weinig tot niks gebeurd, helaas. Het enige wat ik voelde was dat ik een beetje opgewonden werd. Misselijk vooral. Kijk, de kracht van de paddestoel zit in het vlies van de hoed. Ik heb de fout gemaakt om hem niet eerst te drogen. Het jaar daarop wilde ik het opnieuw proberen, maar toen is die paddestoel niet meer opgekomen.'

Hij zwijgt een tikje bedremmeld.

Geen schaterlach staat op doorbreken. Wel heeft filosoof Lemaire een adviesje paraat: paddestoelen ('van de zesduizend soorten in Europa zijn er maar tien tot twaalf dodelijk giftig') kunnen de geest verruimen mits consumptie 'gepaard gaat met een andere natuurverhouding; en mits je dat doet in een bos of in een gesteldheid waarin je dus als het ware een transformatie ondergaan hebt. New Age-kringen hebben dat begrepen'. Lemaire juicht het toe dat in menig studenten-kweekbakje in Amsterdam de Psilocybe cubensis zijn kopje opsteekt. Dan weet je tenminste wat je hebt en met een pil is dat nog maar de vraag. 'Als het maar geen modieuze zucht wordt naar een psychedelisch arcadië. Mijn boek is geen propaganda voor paddestoelen-consumptie.'

Hij praat gedreven, soms op het getourmenteerde af. De onderzoeker voelt zichzelf een buitenbeentje in de Europese cultuur met haar 'allesvernietigigende consumptiedwang'. Als kind al ging Ton Lemaire gebukt onder het leed dat de westerse beschaving de Indianen van Amerika heeft aangedaan. In Frankrijk poogt hij als kritisch denker 'een beetje als een Indiaan te leven, weg van de burgerlijke maatschappij die zo ver afstaat van het pantheïstisch natuurgevoel'. Eén met de kosmos. Een oude droom.

Op zijn baan in Nijmegen was hij afgeknapt. Hij raakte overspannen, werd afgekeurd. Begon na zijn echtscheiding een nieuw leven. Met een studente.

'Toen ik uit Nederland weg kon was ik ontzettend opgelucht. Maar ook uitgerangeerd. Het gevoel dat je er niet meer bij hoort. In mijn filosoferen stond ik nooit los van mijn eigen leven. Filosofie is niet anders dan doorgaan met vragen waar anderen ophouden. Tegen mijn studenten zei ik: filosofie gaat uiteindelijk over jezelf. En ik voelde me beklemd op de doodlopende weg van de milieuverwoestende economie, de bureaucratisering van de universiteit, de geluidshinder.

'Ik had een boerderijtje in Brabant waar straaljagers over donderden. Daarnaast was er de meeste zure regen van Nederland. En door ruilverkaveling werd het landschap verpest. Ik heb in een milieugroep geprotesteerd tegen de aanleg van een snelweg. Dat hielp geen donder. Ik voelde me verantwoordelijk voor die neergaande spiraal. Ik was steeds meer aan het verzuren, onttrok me aan vergaderingen, werd steeds prikkelbaarder en pessimistischer. Een vicieuze cirkel.'

Als kind wilde hij ontdekkingsreiziger worden. Zijn vader was stationschef. In het dorp waar hij opgroeide ging hij om met boerenjongens, al zag zijn moeder hem liever met de hogere standen verkeren. Nu is hij teleurgesteld over de afstandelijke houding van Franse boeren uit de buurt. 'Ook al wroet ik met mijn handen in de grond, je merkt een grote kloof. We hebben toch de stadsmentaliteit. En ze begrijpen hier niet dat we geen televisie hebben. Terwijl we ons leven wel moeten afschermen voor dat permanente bombardement van stompzinnige reclame, van nieuws dat je alleen maar ontregelt en ziek van ellende maakt.'

Toch zijn de banden met het geboorteland allerminst doorgesneden. Een paar keer per jaar bezoekt Ton Lemaire Nederland 'om me vol te zuigen in boekhandels'. Soms geeft hij er een lezing. 'Ik zou er niet meer kunnen wonen, maar intellectueel ben ik op Nederland aangewezen. Juist als je in de diaspora zit, merk je wat het is om Nederlander te zijn. Er zijn hier misschien wel gelijkgestemden, maar hoe vind je die? Ik zou een advertentie kunnen plaatsen, ja. Die mensen zitten op grote afstand. Dan moet je de auto gebruiken en dat willen we juist zo min mogelijk.'

Behalve op eigen voedselproduktie verlaat Lemaire zich op een overjarige schrijfmachine. De internet-rage gaat aan hem voorbij. In het eldorado van de paté de foie gras nuttigt hij hooguit vlees in een restaurant; in de Périgord is de vegetarische keuken immers een onbekend fenomeen. Onoverkomelijker is de geluidsoverlast. Er loopt een drukke vliegtuigroute over Lemaires utopia. Ook heb je straaljagers, helikopters. 'Het ergste is het geknal door schietoefeningen van de politieschool verderop.'

Dan zijn er kettingzagen. Tractoren. Ze melden zich nu even niet, doch voor Ton Lemaire was de idylle vier jaar geleden al definitief verstoord. 'Dat ging gepaard met een verschrikkelijke crisis. Ik heb hier staan janken van verdriet, maar het is niet anders: we gaan hier weg. Je merkt hoe afgestompt andere mensen zijn, maar voor mij is de stilte ontzettend belangrijk. Lawaai is voor mij een van de redenen waarom ik uit Nederland ben weggevlucht. Ik heb hypergevoelige oren, ik heb ook een uitermate gevoelig zenuwstelsel. Stel dat hier een stinkende vuilnisbelt zou liggen: die zou het uitzicht net zo goed bederven.'

De Pyreneën worden het. Het nieuwe Walden. Niet hoog, want in de bergen kondigt de echo van autogeronk zich doorgaans al van verre aan. Meer aan de voet ervan.

Is Ton Lemaires idylle een illusie? 'Ach, het is sowieso geen volledige idylle. Het is hard werken. Met z'n tweeën werken we zeven tot acht uur per dag om alles in stand te houden. Nergens op de wereld is er een paradijs, in Alaska misschien.' Hij heeft nog een paar jaar in Lapland rondgekeken. Maar daar daalt de zure regen van West-Europa neer; zijn er tienduizenden rendieren afgeslacht die door straling van Tsjernobyl waren besmet. Tenslotte was er de illusie dat hij de arbeidersklasse via zijn boeken kon bereiken.

Onverwacht is er jongensachtige blijheid: wanneer Lemaire op zolder een privé-verzameling werktuigen uit de oudheid toont. Bijlen en speerpunten uit het neolithicum, prehistorische stenen waarmee huiden werden gekrabd. Met trots laat hij zijn bijenkorven zien, de bezoeker krijgt een potje honing mee. Verrukt staat Lemaire stil bij het spoor van een das aan de voet van de helling waar nu al de spinorchis bloeit.

'Nederlanders die hier op bezoek komen maken op mij stuk voor stuk een gejaagde indruk', zegt Lemaire. 'Allemaal stress. Maagpijn heb ik van de stress gehad. En van lawaai'. We wandelen in het stille bos, waar herdershond Noëlla aarde besnuffelt die door wilde varkens is omgewroet. Middagzon tovert tienduizenden kristallen op regenloof. In de herst komt Lemaire hier oude vrouwtjes tegen die boleten zoeken, Périgordiaanse lekkernij. Hoe geluidgevoelig is de paddestoel eigenlijk?

Het was maar een vraag. De wetenschap blijft het antwoord schuldig. Aan tafel had hij er om gelachen. Voor het eerst. We weten dat planten gevoelig zijn voor muziek. Die houden van klassiek. Niet van harde pop. Daar wordt Lemaire ook horendol van; de gedachte aan een feestje met harde popmuziek alléén al. Hij kijkt gewond, alsof de politieschool van St. Astier elk moment met een donderende klap de aarde kan doen barsten .

'Schrijf nou niet dat we tegen feestjes zijn', zegt Ellen zacht. 'Ik hou best wel van een feestje, hoor'.

Ton Lemaire: Godenspijs of Duivelsbrood - Op het spoor van de vliegenzwam.

AMBO;¿ 39,90.

ISBN 90 263 13926.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden