De zorg voor de oude binnenstad

AMSTERDAMMERS klagen al als de Dam in een paar maanden tijd opnieuw wordt bestraat, maar een kleine eeuw geleden ging dat wel anders....

Van 1911 tot 1925 bleef de bouwput op de Dam tussen de schuttingen bestaan. Daarna kwam er een tijdelijk plantsoentje. Maar pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg het Middendam-terrein met de bouw van een nieuw nationaal monument zijn eindbestemming.

De herinrichting van de Dam was destijds onderdeel van een veel omvangrijker stedenbouwkundig vernieuwingsproject. Dat begon met de bouw van het Centraal Station aan het IJ (1889) en eindigde met de demping van het Rokin in de jaren dertig. In de tussenliggende decennia werden grote delen van de oude binnenstad op de schop genomen, grachten gedempt, doorbraken in de grachtengordel tot stand gebracht en werd zelfs een poging ondernomen van het Damrak, het Rokin en later de verbrede Vijzelstraat en -gracht een boulevard te maken die kon wedijveren met avenues en boulevards die in Parijs door Haussmann waren aangelegd.

Berlage, die in zijn latere ontwerp voor de stadsuitbreiding in Amsterdam-Zuid wel een aantal grote avenues projecteerde, keerde zich tegen deze poging. Boulevards waren verkeerstechnisch niet nodig en pasten naar zijn smaak ook niet bij de schaal van de Amsterdamse binnenstad. Met de bouw van zijn Beurs aan het gedempte Damrak werd de discussie beslecht, voortaan was dertig meter de maximale breedte van de doorgaande wegen in het centrum van Amsterdam.

In de decennia rond de voorlaatste eeuwwisseling ondergingen ook elders in Nederland historische binnensteden een ingrijpende gedaanteverwisseling. De industrialisatie en de groeiende welvaart, uitvindingen als de telegraaf en de telefoon, de ontwikkeling van openbare nutsvoorzieningen (gas, water, elektriciteit, riolering), en vooral ook de opkomst van moderne vervoersmiddelen als de trein, de tram en vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog ook de auto, drukten allemaal een geweldig stempel op het weefsel van de stad.

De oude binnensteden kregen een andere functie. Ambachtelijke werkplaatsen werden uit het centrum verdreven, er kwamen warenhuizen, winkelstraten, passages en openbare gebouwen voor in de plaats. Het woningbestand daalde, deels omdat er dankzij de bouw van nieuwe buitenwijken krotten konden worden afgebroken, maar ook omdat nogal wat woningen werden gesloopt of verbouwd in opdracht van kranten, banken en handelshuizen die zich wilden vestigen in de buurt van het station, de beurs en het telegraafgebouw.

Dat proces van cityvorming, zoals het destijds ook al heette, is het onderwerp van De moderne historische stad - Ontwerpen voor vernieuwing en behoud, 1883-1940, waarop architectuurhistoricus Paul Meurs onlangs promoveerde. Niet alles in zijn leesbaar geschreven proefschrift is natuurlijk nieuw. Alleen al over de stedenbouwkundige geschiedenis van Amsterdam zijn tientallen monografieën en essays verschenen. Het boek van Meurs heeft echter grote waarde als overzichtwerk. Des te spijtiger is het dat de boekverzorging tekortschiet. Zo bevat De moderne historische stad geen zakenregister en zijn de inhoudsopgave en een groot deel van de inleiding afgedrukt op gekleurd papier, waardoor het gebruik van het boek als naslagwerk wordt beperkt.

Meurs beschrijft en analyseert in zijn proefschrift de vele grote publieke debatten over de vormgeving van de oude binnensteden en de plaats die daarbij voor het historische erfgoed werd ingeruimd. Veel tijdgenoten vreesden rond 1900 dat de historische binnensteden zouden sneuvelen onder het geweld van de razendsnelle modernisering. Dat bleek achteraf reuze mee te vallen. Dat is vooral te danken aan de tegenbeweging die aan het begin van de vorige eeuw door verlichte burgers, architecten en oudheidkundigen op gang werd gebracht. Zij verdedigden het oude erfgoed tegen al te overdadige vernieuwingsdrang.

IN 1911 WERD in Amsterdam de Bond Heemschut opgericht, die zich ging inspannen voor het behoud van historisch stads- en landschapschoon in het hele land. De eerste schoonheids- en welstandscommissies werden opgericht en het rijk ging zich steeds intensiever met de monumentenzorg bemoeien. In diezelfde tijd legde Berlage de grondslagen voor de moderne stedenbouw.

Tegenwoordig leeft Berlage vooral voort dankzij zijn Beurs en het Plan Zuid, maar de meest invloedrijke architect en stedenbouwkundige van de vorige eeuw was tot op hoge leeftijd nauw bij de monumentenzorg betrokken en ontwierp in zijn lange carrière reconstructieplannen voor tal van historische binnensteden, waaronder die van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag.

Het bestuur van de Bond Heemschut bestond aanvankelijk vrijwel geheel uit architecten. In later jaren voltrok zich een scheiding der geesten tussen de meer radicale erfgoedbeschermers als de vakbondsvoorman Henri Polak en veel toonaangevende architecten die, met alle respect voor het oude, toch ook de vernieuwing een kans wilden geven in de oude binnensteden. Ook Berlage had daartegen bepaald geen bezwaar, zolang, aldus Meurs, 'er maar geen oude schoonheid verdween zonder dat er nieuwe voor terugkwam'.

De breuk tussen beide stromingen voltrok zich gedurende het debat over de bouw (1917-1926) van het hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelmaatschappij (nu nog ABN-Amro) aan de Vijzelstraat in Amsterdam. K.P.C. de Bazel, ontwerper van dat uit de kluiten gewassen moderne bankgebouw, was lid van Heemschut en had voor de gemeente de supervisie over de herinrichting van de Vijzelstraat. Onder druk van het bankbestuur gingen hij en het stadsbestuur akkoord met een hoogtelijn die ver uitstak boven de aanpalende herenhuizen in de Gouden Bocht van de grachtengordel. De Heemschutters spraken daar schande van en het moet gezegd dat de Vijzelstraat sindsdien een merkwaardig rommeltje is gebleven.

Andere steden kenden in die tijd vergelijkbare debatten over het ontwerp van nieuwe gebouwen, voorgenomen restauraties en stedelijke vernieuwingsplannen. Na de brand in 1929 in het zeventiende-eeuwse Leidse stadhuis van Lieven de Key gaf de gemeente eerst een nieuwbouwopdracht aan Dudok (bekend van onder meer zijn raadhuis in Hilversum). Diens moderne ontwerp leidde evenwel tot zoveel bezwaren bij de burgerij, dat er midden jaren dertig alsnog werd gekozen voor een aangepaste reconstructie in renaissancestijl van bouwmeester Blaauw. Toen het in 1940 klaar was, werd het gebouw noch door moderne architecten, noch door de aan traditionele vormen hechtende burgers echt op prijs gesteld.

Over smaak werd, anders dan het gezegde luidt, buitengewoon levendig en zinvol getwist in die dagen. Vrijwel alle architecten die zich vanaf de late negentiende eeuw met binnensteden bemoeiden, streefden naar een harmonieus samengaan van vernieuwing en behoud. Maar dat kon tot heel verschillende uitkomsten leiden, al naar gelang de wensen van de opdrachtgevers, de betekenis van de plek waar werd gebouwd, en vooral de stijlprincipes van de architect.

VOLGENS MEURS zijn er twee stedenbouwkundige en architectonische hoofdstromingen te onderscheiden: een dialectische en een synthetische. In de dialectische aanpak - met veel aanhangers onder architecten van de Amsterdamse School, het Nieuwe Bouwen en de Nieuwe Zakelijkheid - werden scherpe contrasten niet geschuwd. In de synthetische school lag het accent veel meer op continuïteit van stijl in de nabijgelegen historische omgeving.

Tot de Eerste Wereldoorlog was de synthetische aanpak dominant en drukten interpretaties van Oudhollandse en klassieke bouwstijlen bij nieuw- en verbouw en restauraties een zwaar stempel op de reconstructie van de binnensteden. In de jaren dertig won de moderne dialectische aanpak enig terrein, maar dan toch vooral doordat het steeds lastiger werd de in omvang groeiende gebouwen en vooral de groei van het verkeer nog geloofwaardig in een traditionele historische vorm te gieten.

Toch bleven het grote publiek en ook veel stadsbestuurders doorgaans de voorkeur geven aan de traditie boven de modernistische stijl van architecten als Duiker, Dudok, Staal en Oud. Behalve in Rotterdam. Daar kozen de gemeente en ook veel andere opdrachtgevers lang vóór het bombardement van 1940 al voor een aanpak waarbij veel historie onder de slopersbal bezweek en door moderne architectuur werd vervangen.

Meurs maakt aannemelijk dat grote steden zich, tijdens de decennialange reconstructie van hun centra, een nieuwe historische identiteit hebben aangemeten. Rotterdam paste zijn historische binnenstad aan aan een toekomst als wereldhaven. Den Haag liet bij de grote verbouwingen in de buurt van Binnenhof en Buitenhof veel zeventiende-eeuwse bebouwing vervangen door 'middeleeuwse' stadsgezichten en koos elders in de binnenstad voor een interpretatie van de pruikentijd.

Amsterdam sloopte daarentegen juist veel middeleeuwse bebouwing, maar koesterde zijn grachtengordel, waarvoor de basis in de Gouden Eeuw werd gelegd. Toch is ook die wereldberoemde grachtengordel in hoge mate een product van de moderne tijd. Ook daar zijn in de late negentiende en vroege twintigste eeuw honderden panden gereconstrueerd, gesloopt en vervangen. Maar die nieuwbouw werd doorgaans zorgvuldig aan het oude stadsbeeld aangepast.

Een schitterende voorbeeld daarvan is het ontwerp van Posthumus Meyjes jr. voor de Javasche Bank aan de Keizersgracht. Dat was aanvankelijk een doodnormaal bankgebouw, maar het werd in een dialoog met de schoonheidscommissie net zolang aangepast tot er anno 1936 een onvervalst achttiende-eeuws patriciërshuis kon worden neergezet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden