Reportage Een huis voor Boris

De zoektocht van vader Laurens Verhagen naar een huis voor zijn meervoudig gehandicapte zoon Boris

De meervoudig gehandicapte Boris met zijn vader, die in dit verhaal beschrijft hoe hij op zoek ging naar een huis waar Boris terecht kon. Beeld Linelle Deunk

Boris is 19 jaar en ruim 1,90 meter lang. Van binnen een blije, naïeve peuter die de wereld bekijkt met een onbevangenheid en vrolijkheid waar zijn vader, Laurens Verhagen, tegenwoordig weleens jaloers op is. Dit is het verslag van de zoektocht van zijn ouders naar een eigen huis voor Boris. En een verhaal over loslaten.

April 2017

De A1 richting Ermelo. Autoritjes vindt Boris fantastisch. Regelmatig klinken naast me euforische kreten. Als hij een vrachtwagen ziet bijvoorbeeld. Uit de luidsprekers klinken Nederlandstalige hits, omdat hij daarvan houdt. Kom van het dak af is een van zijn favorieten. Ik vermoed omdat hij het grappig vindt dat iemand op het dak staat. Ook goed: Zoveel te doen van Toontje Lager. ‘M’n boodschappen nog doen en straks de vuile was.’ Daar kan Boris wat mee, hij houdt van klussen doen.

Op andere momenten kijkt hij me van opzij verwachtingsvol aan. Zijn ogen glimmen van enthousiasme, terwijl hij zijn hand op mijn arm legt. Zoals altijd wil hij weten wat we gaan doen, maar ik kan het nauwelijks uit mijn strot krijgen. Ik hoor mezelf zeggen: ‘We gaan naar ’s Heeren Loo, naar je nieuwe huis. Leuk hè?’ Achter in de auto zit mijn vrouw. In de spiegel zie ik haar gespannen gezicht.

’s Heeren Loo is een van de grote zorginstellingen die Nederland rijk is met locaties in het hele land. In totaal wonen er meer dan tienduizend mensen met een verstandelijke beperking. In 1891 was de 9-jarige Geurt de eerste in Ermelo. Boris zal in de lange rij aansluiten. Het is zowel het sluitstuk als het beginpunt van onze zoektocht naar een huis voor onze bijna volwassen zoon.

Waarom überhaupt een tocht ondernemen naar een plek die niet goed voelt? Het simpele antwoord: omdat we onszelf hebben beloofd een huis voor Boris te vinden waar hij veilig is. Ook kinderen als Boris moeten onder hun ouders’ vleugels vandaan. De documentaire Het beste voor Kees uit 2014 opende ons de ogen. Hierin staat de volwassen Kees Momma centraal, een aandoenlijke man met een autistische stoornis die nog bij zijn ouders woont. Die hebben altijd alles zo ingericht dat Kees een leven kon leiden waarin zijn angsten en obsessies zoveel mogelijk werden weggemasseerd. Maar de ouders hebben niet het eeuwige leven en de vraag wat er met Kees moet gebeuren als zij er niet meer zijn, wordt urgent. ‘Dan zou hij het liefste dood zijn’, zegt zijn moeder.

Waar sommige kijkers schande spreken over deze suggestie, toont de aangrijpende documentaire mij en mijn vrouw vooral de noodzaak van losmaken aan. We kunnen niet eeuwig de wereld voor Boris vormgeven. Omdat dat niet vol te houden is, maar ook omdat er voor hem ook een leven na ons zal zijn. Dat losmaken gaat fundamenteel anders dan bij normale pubers. Die doen dat zelf. Boris niet. Hij wijkt niet van onze zijde en kijkt ons nog steeds met ogen vol vertrouwen aan. We zullen het zelf moeten doen. ‘Denk aan Kees Momma’, wordt bij ons tweeën een gevleugelde uitdrukking. We weten wat ons te doen staat.

Beeld Linelle Deunk

Waarom nu het huis uit?

Maar waarom nu? Waarom op deze leeftijd? Waarom niet op zijn 13de of, pak ’m beet, 9de? Of op zijn 30ste. Het antwoord daarop is niet rationeel. 18 jaar, hebben we altijd in gedachten gehad. Alsof het een normaal kind betreft dat het huis uit gaat. Zo loopt hij in ieder geval op dit punt in de pas.

Er begint iets te dagen in zijn derde levensjaar, vlak nadat zijn broertje Pieter ter wereld is gekomen. Eerst werkt Boris’ vreugde alleen nog aanstekelijk. Zijn intense aandacht voor de elementen ook. Voorbijschietende wolken, overvliegende vogels, bewegende blaadjes: hij vindt het allemaal fantastisch. Een prachtige, blije baby. Boris heeft dan al het vermogen om heel virtuoos half aanwezig te zijn, zoals een engeltje.

Dan ontstaan de eerste barstjes. Nauwelijks waarneembaar, als een vuiltje ergens in je ooghoek. Het is een onbestemd unheimisch gevoel, als Boris weer eens te uitbundig reageert op iets.

Een schoorvoetend bezoek aan het audiologisch centrum in 2002 is de gevreesde waterscheiding. Eigenlijk voelen we al dat er iets mis is, maar we hopen op geruststellende woorden: ‘Dit vrolijke jongetje autistisch? Ha ha, nee natuurlijk niet.’ Zo gaat het niet. Bezorgde blikken en een spervuur aan vragen. Instinctief voelen we dat het hele circus gaat beginnen, maar we weten niet wie de circusdirecteur is.

Beeld Linelle Deunk

We staan buiten en hebben geen idee wat we moeten doen. Ja, als een malle gaan lezen. Alles wat eerst nog uniek leek voor onze rare Boris is nu ineens een symptoom. In één klap zijn we hem kwijt, pats. We hebben een gediagnosticeerd wezen in huis dat we met vreemde (of andere) ogen bekijken. We zitten niet meer samen in dezelfde wereld en objectiveren ons eigen kind. Daar bovenop komt nog eens een dik pak schuldgevoel. Omdat we hem verraden door niet langer meer mee te gaan in zijn obsessies voor vuilniswagens en draaiende wasmachines.

Later komt daar ook nog eens het stempel ‘verstandelijk gehandicapt’ bij. ‘Ons leven is dichtgeslagen als een boek waarin we hadden liggen lezen. Nu we het weer oppakken, kunnen we de bladzijde niet meer vinden waar we gebleven waren’, schreef P.F. Thomèse in zijn roman Schaduwkind over zijn overleden dochtertje. Nee, uiteraard leeft onze zoon nog. Maar zijn handicap voelt wel degelijk als een rouwproces. Een rouwproces dat nooit ophoudt, dat telkens weer nieuw leven wordt ingeblazen, waarvan steeds weer het korstje wordt afgetrokken. Iedere verjaardag incasseren we een nieuwe klap want iedere nieuwe dag wordt de kloof met zijn leeftijdgenoten groter. Ze verdwijnen in de verte en Boris blijft staan, rijp voor de bezemwagen.

Als Boris 17 is, weten we nog altijd niet waar het precies is misgegaan. De aloude diagnose ‘iets in het autistisch spectrum’ gecombineerd met een ontwikkelingsachterstand – Boris functioneert vermoedelijk op het niveau van een 2- of 3-jarige – hangt om zijn nek bij gebrek aan beter. Wij kennen Boris beter dan hij zichzelf kent. Elk oogspiertje dat beweegt kunnen we inmiddels lezen. Boris is gegroeid. Niet op de manier die we voor ogen hadden. Hij heeft bijvoorbeeld niet leren praten. Maar hij raakt niet meer in paniek bij iedere overgang en heeft het vertrouwen dat alles goed komt.

Eigenlijk vind ik het een wonder hoe hij zich heeft ontwikkeld, als je weet dat alle prikkels ernstig vertraagd bij hem binnenkomen. Ooit legde hij zijn hand op een inductiekookplaat. Totdat ik het hoorde sissen. Boris had zelf niets door. Het zwaarst blijft de intensiteit van de zorg. De letterlijke zorg: voeren, aankleden, luiers verwisselen. Boris moet de hele dag worden beziggehouden. Gelukkig is er af en toe, vooral in de weekenden en vakanties, hulp om ons te ontlasten. Daarnaast de mentale zorg: hoe ziet het leven van Boris er over twintig jaar uit? Of over vijftig jaar?

Boris woont nu in een instelling in Driebergen. Beeld Linelle Deunk

We willen nog één keer een poging doen om te achterhalen wat hem mankeert. Elk fliebertje houvast kan misschien helpen. Tien jaar geleden kwamen we geen steek verder: dna-onderzoek leverde niets op. De ontwikkelingen op dit vlak gaan echter een stuk sneller dan die van Boris zelf.

Samen met Boris bezoeken we het Sylvia Tóth Centrum in Utrecht. Kinderen met aandoeningen die moeilijk te diagnosticeren zijn en bij wie al veel onderzoek is gedaan, worden hier gedurende één dag door een hele batterij specialisten bekeken: kinderarts, neuroloog, orthopedagoog, fysiotherapeut, stofwisselingsziekte-arts en een erfelijkheidsspecialist.

De uitslag laat een week op zich wachten. De erfelijkheidsarts legt geduldig uit dat ze weten wat Boris mankeert. Na al die jaren heeft het een naam: het Phelan McDermid-syndroom, of 22q13. Er ontbreekt een miniem stukje van het erfelijk materiaal van de q-arm van chromosoom 22. In Nederland zijn er slechts een stuk of vijftig mensen van wie bekend is dat ze het ook hebben.

Vooraf hadden we verwacht dat een eventuele uitslag ons leven weer op zijn kop zou zetten, maar dat is niet het geval. Boris verandert er deze keer niet door. Nu is er rust: onze zoektocht is ten einde. Althans, een deel ervan, het deel dat naar antwoorden zocht.

We hebben jarenlang verklaringen nagejaagd, die uiteindelijk niets over Boris zelf zeggen. Nu weten we dat het gewoon domme pech is geweest, ergens vlak na de conceptie. Een stukje chromosoom dat er vanaf waait, als een lenteblad in de eerste storm van het jaar. Onverteerbaar vonden we de gedachte dat het misschien wel door de zware bevalling kwam. Of door iets anders waar we invloed op hadden kunnen hebben. Nu blijkt dat we gewoon de genetische loterij hebben verloren.

Boris in de keuken van de instelling in Driebergen waar hij nu woont. Beeld Linelle Deunk

Het syndroom geeft ook antwoord op Boris’ levensverwachting. Het is een pervers kijkje in de toekomst. Gedurende een paar seconden kan het nog alle kanten opgaan, maar dan horen we dat die verwachting niet anders is dan bij doorsneekinderen. Zelfs die boodschap is dubbel, zoals niets met Boris simpel en eenvoudig is. Het betekent dat de kans groot is dat Boris ons zal overleven. Er zijn twee nachtmerries, zal Annemarie Haverkamp later in haar romandebuut De achtste dag schrijven: de eerste is dat je – gehandicapte – kind overlijdt aan zijn zwakten, de tweede is dat je kind níét overlijdt en langer leeft dan jij.

De zoektocht die daarna begint, die naar een veilige woonplek, staat ons bijna fysiek tegen. Wie gaat hem ’s avonds lekker instoppen en liedjes zingen met expres foutieve teksten, zodat Boris schaterlachend onder zijn deken kruipt? Wie ziet dat hij dorst heeft? Of dat hij de hele dag met een speelgoedautootje in zijn schoen rondloopt?

Boris in zijn kamer. Hij houdt ervan eindeloos naar buiten te kijken. Beeld Linelle Deunk

Het is een nieuw soort worsteling die de andere vervangt. Ging het eerst nog om schaamte, om acceptatie, het bijstellen van ingesleten verwachtingspatronen of desnoods het vechten tegen het cynisme dat de kop opsteekt als ‘gewone’ ouders praten over de ‘gewone’ probleempjes van hun kroost, inmiddels gaat het om iets heel fundamenteels: loslaten. Het is de rode draad bij veel ouders met een meervoudig gehandicapt kind, vertelt Mirjam de Vos me. De orthopedagoog heeft zelf een dochter van 29, Rebecca, die op het niveau van een 1,5-jarige functioneert. De Vos schreef onlangs een boek, speciaal voor ouders zoals wij: Als je kind niet zelf kan beslissen...

‘Loslaten? Ik weet rationeel dat het moet. Maar het lukt me niet. Hoe vreselijk dat misschien ook klinkt, ik hoop dat Rebecca eerder doodgaat dan ik. Diep in mijn hart wil ik haar meenemen in mijn graf. Zodat ik zeker weet dat ze nooit hoeft te lijden omdat ik haar niet kan beschermen.’ Dat is het fundamentele verschil met gezonde kinderen die een zelfstandig bestaan kunnen opbouwen. Niet de jarenlange zorg waar veel ouders aan onderdoor gaan. Ook niet het hoge percentage scheidingen bij ouders van meervoudig gehandicapte kinderen. Maar wel: je kunt nooit echt loslaten. Bij gezonde kinderen is alles erop gericht om ze te laten uitvliegen. Om ze op te voeden tot autonome wezens die zelf beslissingen kunnen nemen. Boris heeft altijd een tolk en advocaat nodig, zoals De Vos dat in haar boek noemt. Maar wat gebeurt er als die tolk er niet meer is? In de woorden van De Vos: ‘Eerst zijn er de momenten dat je er vrede mee zou hebben als je kind er niet meer is, omdat het te zwaar is, omdat je denkt dat je het niet aankan. Daarna wil je dat je kind je niet overleeft, omdat je te veel van hem houdt.’

Boris met zijn vader in zijn kamer in de instelling in Driebergen. Beeld Linelle Deunk

Voorzichtige stap

De eerste voorzichtige stap op weg naar het onvermijdelijke is een vrijblijvend bezoek aan diverse instellingen. In eerste instantie om een voorstelling te hebben bij iets onbegrijpelijks als ‘een eigen huis’ voor Boris. Met elk bezoek aan een instelling raken we meer gewend aan het idee.

Het is raar hoe we uiteindelijk een keus maken. Misschien is het vooral een kwestie van jezelf een drempel over duwen. ’s Heeren Loo Ermelo bestaat uit een aantal gebouwen in een parkachtige omgeving. We lezen elkaar de mooie woorden voor die we van de site plukken: ‘Binnen alle zorgvormen ervaren cliënten dat binnen ’s Heeren Loo als specialistische zorgaanbieder, voortdurend wordt gewerkt aan het waarmaken van hun dromen en die van hun familie en medewerkers.’ Het waarmaken van dromen, daar zijn we wel aan toe. Al bij het tweede gesprek horen we dat we geluk hebben: er is een jongerengroep waar Boris perfect in past. Het gaat beginnen. Tot verdriet van zijn broer Pieter overigens, die het maar niets vindt dat Boris gaat vertrekken. Wij ook niet, maar we dwingen onszelf dit te doen.

Vrij snel daarna nemen we een kijkje op de groep, samen met Boris. Een voor een druppelen de medebewoners binnen, de meesten in een rolstoel. Ze zijn klaar met hun dagopvang en worden naar binnen gereden. We verwachten een gemeenschappelijk moment; een kopje thee met een koekje voor iedereen. Maar dat komt niet. Het personeel is druk met het bereiden van het avondeten en het invullen van formulieren. Een week later zijn we aanwezig bij het avondeten, om vijf uur. Ook hier een koud gevoel. Er wordt in ploegen gegeten. Sommige jongens eten op hun kamer. Iedere avond om tien uur verlaat de laatste begeleider het huis en wordt de zorg overgelaten aan een centrale meldkamer met monitoren.

Februari 2018

Boris woont alweer een paar maanden op ’s Heeren Loo. We hebben dingen gezien die ons rillingen bezorgden. Bewoners die worden afgesnauwd of in de rug geduwd. We stoppen die beelden weg. De beloofde dromen zijn niet waargemaakt, maar we snappen dat het tijd nodig heeft. Er gloort wat moois: Boris’ groep verhuist naar een ander gebouw. Een kans uit duizenden, zegt zowel de manager als de orthopedagoog.

De rondleiding in het nieuwe onderkomen valt niet mee. De huidige bewoners zijn nog niet vertrokken, maar we mogen een kijkje nemen nu ze naar de dagopvang zijn. Een volle pot urine, onder het bed dikke lagen stof. ‘Ik ben blij dat ik hier zelf niet hoef te wonen’, zegt een van de verzorgers. Een andere deur wordt geopend. In een kaal, donker kamertje ligt iemand in bed. ‘Dit is een van de twee oudere bewoners.’ De deur van een andere kamer blijft dicht: daar is iemand moederziel alleen aan het sterven, begrijpen we. In de huiskamer zijn de gordijnen dicht en sukkelen wat bewoners in hun rolstoel in slaap. Het is moeilijk hier Boris’ nieuwe frisse start in te zien. Op de deur van Boris’ huidige kamer hangt een kalender, bedoeld om de bewoners voor te bereiden op de verhuizing. Bij het bordje ‘3 april’ staat ‘verhuizing’. In letters. Terwijl Boris praat noch leest.

Gewapend met een grote pot bloemen voor het nieuwe onderkomen kijken we een dag na de verhuizing hoe de vlag erbij hangt. Uit het plafond van de woonkamer hangen elektriciteitskabels en de vloer is bezaaid met puin, gereedschap en schroeven. Het is dezelfde vloer waarover sommige bewoners rondkruipen terwijl ze alles in hun mond stoppen wat ze tegenkomen. Te lang hebben we gedacht dat het allemaal bij het proces van loslaten hoorde. Namens de ouders van de andere bewoners schrijven we een klachtenbrief aan de directie, inclusief foto’s van de erbarmelijke woonomstandigheden. De ouders worden hierop uitgenodigd voor een gesprek in de hoge en aangename vergaderzaal van de oude villa waar het management huist.

Dit is geen goed verhaal, zegt de geschrokken directrice. En: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. De zorgmanager verdedigt zich door te zeggen dat hij ‘vooral een gunstige verhuisbeweging’ zag. De orthopedagoog zegt niets. We stappen in de auto. Boris ligt een paar honderd meter verderop in zijn bed.

Beeld Linelle Deunk

Een paar dagen later halen we Boris weer op. Een meisje doet de deur open. Weer iemand die we niet kennen, weer een ander gezicht dat Boris uit bed heeft gehaald. We lopen de gang in, op zoek naar Boris. Daar is-ie, wezenloze blik, grote snotpegel aan de neus. Hij is nergens mee bezig, staat daar maar. Een van de verzorgers is druk met de administratie in het kantoor. De ander doet de was. Vroeger hielp Boris daar nog weleens mee, dol als hij is op klusjes. Hij is altijd zo trots als hij kan meehelpen.

April 2018

De tuin is nog altijd niet in gebruik. Veiligheidsprotocol. Wel is er een stenen binnenplaatsje, dat al snel loeiheet wordt. Het is de warmste 23 april uit de geschiedenis. Boris wil graag zien wat er buiten gebeurt, maar kan niet over de hoge bouwhekken kijken. Zodra wij er zijn, komt hij tot leven: er moet worden opgeruimd. Oude plastic bekertjes, verhuisdozen, potscherven. En vooral veel peuken, achtergelaten door de verzorgers. Boris raapt ze op. Later is hier ook een protocol voor gemaakt: geen peuken achterlaten op de binnenplaats. Naast het blik met rookwaar staat de schaal met viooltjes die we cadeau hebben gedaan bij de verhuizing. Verdord.

Er verandert niet zo gek veel, ondanks alle beloften en alle in allerijl ingehuurde externe zorgmanagers. Op een van onze mails krijgen we een automatisch antwoord: ‘Vrijdag is mijn vrije dag. Als u een overlijden heeft op de woongroep, dan graag contact op te nemen met de Servicedesk (optie 2 Facilitaire dienst).’ Deze oorlog gaan we niet winnen. Het voelt als een omgekeerde Odyssee. Niet om terug te keren, maar om een nieuw huis te vinden. De cyclopen en tovenaressen hebben plaatsgemaakt voor zorgmanagers en protocollen.

In dezelfde tijd presenteert columnist Hugo Borst zijn manifest Scherp op Ouderenzorg, om de verslechterende ouderenzorg in Nederland weer op de rails te krijgen. Zijn dementerende moeder mag van geluk spreken dat ze een mondige zoon heeft. Maar hoe zit het met alle verstandelijk gehandicapte bejaarden? Zij hebben geen kinderen en, zo hebben we gezien, sterven moederziel alleen in een kamer waar nog altijd de vergeelde portretjes staan uit de tijd dat ze nog ouders hadden. De jaren voor hun verscheiden zijn ze speelbal van ‘gunstige verhuisbewegingen’.

Reddingsboei

Boris weer terug in huis nemen, zoals de ouders van een van zijn huisgenoten uit pure wanhoop doen, is voor ons geen optie. Het zou alleen iets op de korte termijn oplossen. We gaan weer naar de instelling in Driebergen waar we twee jaar geleden onze zoektocht begonnen. Een lommerrijk terrein waar een paar huizen staan, waaronder een paar statige oude villa’s. Twee jaar geleden zagen we nog niet voor ons hoe Boris hier zou rondlopen. Waarschijnlijk kwam Driebergen gewoon te vroeg. De hernieuwde kennismaking voelt als een reddingsboei. Het liefst verhuizen we hem nog dezelfde dag. Maar we moeten geduld hebben en wachten tot er een plek vrij komt. Het verlossende woord komt gelukkig vrij snel, na een maand of twee: voor Boris is een plek vrij op de zolder van de villa.

Met zwaar gemoed vertrekken we uit Ermelo, want hoewel met overtuiging, het voelt ook alsof we de boel in de steek laten. De directrice reageert niet meer op onze afscheidsmail. De maanden erna komen er nog wel aanmaningen voor niet-bestaande facturen ergens pruttelend uit het systeem. Dan houdt het op.

Boris met zijn ouders. Beeld Linelle Deunk

Vervolgens moet Boris andermaal zien te wennen aan tientallen nieuwe gezichten: zijn huisgenoten, zijn verzorgers, de mensen van de dagopvang. Dat kost tijd, maar het gaat goed. We zien dat hij steeds meer op zijn gemak is. Met dank aan een kok die geheel biologisch kookt, behoren de witte puntjes met frikandellen en machtige klodders mayo tot het verleden. Wat ook is verdwenen: de gigantische breedbeeld-tv waar de godganse dag op luid volume Frans Bauer en andere TROS-muziekshows op worden afgespeeld. Er is altijd iemand in de villa aanwezig, ook ’s nachts. Overdag gaat hij naar de boerderij om drie kippen, een geit en twee paarden te helpen verzorgen. Het besef dat Boris hier altijd zal zijn, is ondertussen moeilijk te vatten. Ook als wij er niet meer zijn, zal hij op deze plek zijn antroposofische seizoensfeesten vieren.

Het verschil met ’s Heeren Loo is schrijnend. Zelfde geldstromen, andere invulling. ‘Grote instellingen staan erom bekend dat ze een grote overhead hebben’, legt Jolanda den Hartog me uit, zij is consulent bij Sien, belangenvereniging voor mensen met een verstandelijke beperking. ‘Zorginstellingen kunnen zelf schuiven met de budgetten en verschillende accenten leggen.’ Interim-managers en grote tv’s in plaats van een nachtopvang dus, kort door de bocht. Maar uiteindelijk is het grote verschil tussen de twee instellingen ongrijpbaar. Het gaat erom dat Boris wordt gezien, dat hij met liefde wordt omringd. Dat er mét hem wordt gepraat in plaats van alleen maar over hem.

Later mag Boris meedoen met het kerstspel. De zaal zit stampvol. Hij wordt bij aanvang in het zonnetje gezet. ‘Dit is Boris’, zegt de regisseur. ‘Boris is nieuw hier en was bij alle repetities aanwezig. Op de oefenavonden liet hij altijd duidelijk merken dat hij er helemaal klaar voor was. Zijn kwaliteiten liggen niet op het verbale vlak, maar hij wil dolgraag meedoen. Dus hier staat hij.’ Er klinkt een klaterend applaus, mijn vrouw en ik kijken met tranen in de ogen naar elkaar. Ook Pieter is zichtbaar opgelucht. In Ermelo wilde hij nooit mee naar binnen, zo naar vond hij de ziekenhuissfeer.

Beeld Linelle Deunk

Is alles dan helemaal ten goede gekeerd? Natuurlijk niet. Nog steeds kunnen bij ons het verdriet, de onmacht en de frustratie onbarmhartig toeslaan. Maar het is niet meer permanent. Steeds vaker breekt de zon door. Alsof de afstand noodzakelijk is geweest om te genieten. En bovenal hebben we vertrouwen in de toekomst, omdat we weten dat Boris weer wordt gezien. In de weekeinden, als hij bij ons is, verbazen we ons over zijn kunst van het niks doen. Boris beheerst dat. Eindeloos naar buiten kijken. ‘Heen’, zegt hij dan. Dat kan een vogel zijn, een fietser of een kat. Waar gaan ze heen? Naar rechts is het station, naar links de supermarkt. Meer hoeft hij niet te weten. Een grenzeloos vertrouwen heeft hij in mijn inschatting. Supermarkt of station? ‘Station’, zeg ik beslist. Boris straalt.

Heeft u weet van misstanden in de zorg, dan kunt u dat melden bij de redactie. Wij gaan vertrouwelijk met uw informatie om. Mail naar onderzoek@volkskrant.nl

Reactie ’s Heeren Loo

Rianne van Eijk, directeur woon-zorgpark Ermelo:

‘’s Heeren Loo heeft de kritische kanttekeningen ter harte genomen. Door een samenloop van omstandigheden is Boris in die periode in een omgeving terechtgekomen die geen recht deed aan een goede opvang. Een recentelijk gewijzigde samenstelling van het team, een geplande verbouwing en verhuizing en een nieuwe samenstelling van de woongroep, maakten dat de situatie niet positief heeft uitgepakt. Deze verbeterpunten zijn door ons onderkend en besproken met de ouders van Boris. Onze oprechte excuses zijn destijds ook aangeboden aan alle betrokkenen. Alle teams binnen onze organisatie doen met een grote mate van betrokkenheid hun uiterste best om de juiste zorg te bieden aan elke cliënt. Wij zijn in ieder geval blij dat Boris uiteindelijk toch die plek heeft gekregen waar hij het beste tot zijn recht komt.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden