DE ZIEL VAN DE ZEVENTIENDE EEUW

Joseph Alberdingk Thijm, die uiterlijk iets van Prikkebeen moet hebben gehad, vlinderde ook in de geest om jonge meisjes. Hij heet de vurigste vereerder van de zeventiende-eeuwse dichteres Maria Tesselschade....

Hij moest zich behelpen met de 'donderdagavonden' te zijnen huize, de bijeenkomsten van het literaire gezelschap 'De Vioolstruik' en het door Van Deyssel prachtig beschreven 'herenkransje' van geletterden, allemaal schaduwen van de droom, zoals de werkelijkheid meestal. Het herenkransje was zelfs gespecialiseerd in Muiderkring-kennis. Ondanks de romantisering, - hoe dichtbij lag de literatuur van de zeventiende-eeuw nog. En hoe sterk moet de behoefte aan een nieuw literair leven - evenwaardig aan het oude - zijn geweest.

Idealen scheppen mythen. De Muiderkring was niet dat hoog-culturele centrum, waarin de beste geesten elkaar voortdurend overtroffen in esprit en vernuft en waarvan alle leden even fijn besnaard waren als de luiten en viola's da gamba die zij bespeelden. De kring was klein en de bijeenkomsten waren meer ontmoetingen of visites, waarbij men elkaar wel met taal en muziek en zang onderhield, maar ook gezelschapsspelletjes speelde.

Misschien was Maria Tesselschade er het middelpunt, ze was dat zeker in een netwerk van gedichten en brieven van enkele van de grootsten onder haar tijdgenoten: Hooft, Huygens, Barlaeus en Vondel. De laatste stond overigens wat terzijde: hij hoorde niet tot de intimi van Hooft en Huygens en misschien deelde hij ook niet in de cultuur van vernuft, hoffelijkheid en complimenteuze spitsheid - als Vondel luchtig is is het nog altijd zwaar. De fonkeling van haar geest trok de tijdgenoten van Maria Tesselschade aan. Het is haast symbolisch, dat zij de kunst van de glasgravering zo beheerste: een sterke hand die de sierlijkste letters schrijft op breekbare wijnglazen.

Beheerst als haar hand was haar geest, zoals zij in de moeilijkste ogenblikken van haar leven liet zien. Zij was tot 1952 ook het mooiste meisje uit de zeventiende eeuw. Tot dan gold een portret van een jonge vrouw, getekend door Goltzius, als een portret van haar. Busken Huet noemde het 'het bekoorlijkste vrouwenbeeld der 17de eeuw'. De wetenschap maakte de jonge vrouw anoniem. Maar als de geest het gezicht vormt, zou Maria Tesselschade de afgebeelde kunnen zijn.

Haar zichtbare nalatenschap lijkt gering: 32 gedichten of fragmenten, bestemd voor vrienden en door hen bewaard, zestien brieven en briefjes aan Hooft en twaalf aan Barlaeus. En één door haar gegraveerde roemer. Maar in die 32 gedichten ook een der mooiste en wijste regels uit de Nederlandse poëzie. In 1637 sterft de vrouw van Huygens, kort na de geboorte van hun vijfde kind. Drie jaar eerder had Tesselschade op één dag haar man en een dochtertje verloren, een verlies dat zij met de zelfbeheersing van een gevormde geest droeg, althans naar buiten. Huygens stuurde haar een gedicht, via Hooft, die Tesselschades beste vriend was.

Nu stuurt Tesselschade, ook via Hooft, Huygens een gedicht. Hooft was meer dan 'doorzender': het gedicht is aan hem gericht, hem wordt gevraagd de woorden aan Huygens over te brengen, een literair dubbelspel waarvan ik geen andere voorbeelden ken. Het gedicht is een vernuftig sonnet (Hooft vond het moeilijk); troost koos niet voor de gemeenplaats of het beklag. De raadgevende achtste regel is die mooiste en wijste: 'En stel' zijn leed te boek, zo heeft hij 't niet t'onthouwen.' Laat hij het leed opschrijven, om het niet te hoeven onthouden.

De bijna aforistische regel moet Huygens hebben doen glimlachen. Hij kreeg een bekende gedachte teruggespeeld. In zijn vertaling van 'The Triple Fool' van John Donne - Tesselschade kende en bewonderde Huygens' vertalingen van diens gedichten - staan de regels: 'Want quelling op de maet en kan soo fell niet zijn,/ En dies' in dichten boeijt betemt haer' dolle pijn.' (In de vertaling van Eijkelboom: 'Berijmd verdriet kan nooit zo scherp meer kwetsen;/ het wordt getemd door wie het boeit in verzen.') Of Donne het ironisch bedoeld heeft, laat ik nu buiten beschouwing. Tesselschade nam de woorden in volle ernst.

Huygens was zo onder de indruk van het gedicht en wat hij noemde de 'geleerde beleefdheid', dat hij Tesselschade even het niveau van de mannen gunde, want bij alle dichten en zingen was de vrouw toch altijd de tweede stem. Maar dit is toch het mooiste. Vierenveertig jaar later, hij is 85 jaar, Tesselschade is al tweeëndertig jaar in de hemel (waar Thijm haar dacht te zullen ontmoeten, in het gezelschap van Vondel, de hemel was toen nog katholiek), schrijft Huygens een kort gedicht 'Tesselschades wijs onderwijs', dat zo eindigt:

Zij raadde, wild' ik eens ten kortsten zijn verlicht.

Dat ik mijn klachten heel uit rijmen zoud' in dicht.

Dus zeid' zij 't (hoort, en leert zo spreken, mans, van vrouwen: )

Heer, stelt uw leed te boek, zo hoeft gij 't niet t'onthouwen.

De woede om Tesselschades bekering tot het katholicisme - ongeveer gelijktijdig met Vondel - was verdwenen. En hij had haar toch scherp gehekeld en niet in de meest spitse woordspelingen. Haar reactie was waardig en gevat. Zij was toleranter, zoals haar signatuur kan uitwijzen: 'Elck syn waerom.' Dat is wijzer dan het 'daerom' van de papenhaters, die in elk geval deze vrouw niet aan Rome gunden.

De liefde van Thijm mag te gevleugeld zijn geweest, het is nog steeds onmogelijk niet onder de bekoring van Tesselschade te komen. De beknopte biografie Maria Tesselschade, Leven met talent en vriendschap (Walburg Pers), geschreven door Mieke Smits-Veld en verschenen bij gelegenheid van Tesselschades vierhonderdste geboortedag, bewijst het. Haar bekoorlijkheid is haar geestrijkheid en die is altijd de winnende macht - ik had haar ogen wel eens willen zien - en haar vermogen het spel van de jonge Nederlandse cultuur in de wedijver ervan met de buitenlandse te kunnen meespelen, met de groten van haar tijd. Haar opvoeding en die van haar twee oudere zussen was voortreffelijk, maar 'vrijblijvend', niet op een doel gericht. Daardoor kon die vorming waarschijnlijk ook zo veelzijdig zijn. In Maria Tesselschade is de Nederlandse renaissancecultuur tot verfijning gegroeid. Haar vader, Roemer Visscher, laat nog het eerste, wat onafgewerkte stadium zien. Zij is de gelijkwaardige van die grote renaissancist Hooft. Met hem zal ze tot zijn dood de persoonlijkste relaties houden; ze waren geest- en stijlgenoten.

In haar betrekkingen met Hooft, Bredero, Huygens en Barlaeus - de woordrijkste, maar ook meest tragische dinger naar haar geest en gunsten, wordt zij in het boek beschreven. We krijgen een mooi beeld van de zeventiendeeeuwse cultuur, waarvan zij geen erflater is - maar glas is breekbaar en zang vervluchtigt - maar die zij wel geëspireerd heeft. Zij is de geest van die eeuw. En misschien zijn we om haar aanwezigheid jaloers op die tijd. Mieke Smits-Veld heeft met haar boek in elk geval bij mij die naijver gewekt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden