De zee wordt echt warmer, maar eigenlijk niet genoeg

In de broeikas gaat de meeste warmte in de oceanen zitten. Maar hoeveel en waar?..

Door Martijn van Calmthout

Klimaatonderzoeker Wilco Hazeleger van het KNMI kent ze bijna allemaal, de auteurs van het artikel in Nature van deze week, waarin de opwarming van de wereldzeeën ‘robuust’ wordt genoemd: een gemeten realiteit. Daarmee komt er een eind aan lange discussies over verschillende conclusies van verschillende instituten. ‘Dit zijn in elk geval de namen die je hebben moet.’

Het is goed, zegt Hazeleger, dat uitgerekend deze mannen bij elkaar zijn gaan zitten om verschillen tussen hun eerdere meetresultaten door te praten. ‘De verschillen blijken goed te verklaren, en er is overeenstemming over de mate van opwarming’, zegt Hazeleger. Alleen hadden ze naar zijn smaak nog wel wat verder kunnen gaan.

De discussies over de mate van opwarming van het oceaanwater zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op de moeite die het kost om die te meten. Op zich is opwarming van het zeewater onder een opwarmende atmosfeer niet onverwacht: water is een prima reservoir voor warmte. Maar meten hoeveel is een ander verhaal. Daarvoor, zegt Hazeleger, moet je gewoon de immense zee op.

Al sinds de jaren zestig zijn er programma’s om de watertemperaturen te meten vanaf schepen, van de marine of de koopvaardij. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zogeheten XBT’s, thermokoppels die met een pistool in zee worden geschoten en die via een koperdraad hun gegevens doorsturen naar het meetapparaat aan boord.

De XBT’s hebben twee beperkingen. Ten eerste is hun bereik gering, tot hooguit 700 meter diepte. Nog lastiger is dat ze geen drukmeter hebben; de diepte wordt uit de valsnelheid afgeleid. Dat leidt tot onzekerheid over de waargenomen temperatuurprofielen. Een aanzienlijk deel van de verschillenin schattingen voor de opwarming van het oceaanwater gaat daarop terug. In Nature wordt van die fout een schatting gemaakt. Het resultaat is een echte opwarming zeker tot het jaar 2000.

Daarna lijkt de opwarming iets af te zwakken, maar ook daarover was lange tijd discussie, omdat rond die tijd ook drijvende temperatuurmeters zijn geïntroduceerd: zogeheten Argo floats, die op eigen houtje naar 2.000 meter duiken en daarna hun metingen naar satellieten doorseinen. Inmiddels drijven er meer dan drieduizend in de wereldzeeën, waaronder enkele tientallen van het KNMI. Gek genoeg is hun precisie een probleem. Ze meten sinds 2000 zoveel beter dan de XBT’s, dat het lastig is om een echt signaal (afvlakking opwarming) te onderscheiden van het effect van meer en betere metingen.

De afvlakking betekent niet meteen dat de opwarming over zou zijn, zegt Hazeleger. ‘Het lijkt ons eerder een periodiek effect van El Niño, die een langzame variatie op de stijgende trend aanbrengt. Inmiddels loopt het alweer op.’

De auteurs in Nature wagen zich niet aan de grootste vraag over de opwarmende zee: warmer water zet uit, maar de zeespiegel stijgt harder dan verwacht, en dat kan nooit allemaal smeltwater zijn. Wat dan? Hazeleger: ‘Het vermoeden is dat zich ook op grote diepte warmte ophoopt, wat weer extra volume geeft. De floats beginnen dat al aan te geven, maar dat is nog niet rijp voor Nature.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden