De zachte criticus met zijn gekke zus

Men zou zacht over hem moeten schrijven, een beetje aarzelend, met een soort literaire stotter, laat het verhaal lopen met de stappen van een rustige wandelaar, die vaak de pas inhoudt....

Hij leefde van 1775 tot 1834 en was 33 jaar daarvan klerk in het East India House, een carrière die als hoogte-of dieptepunt had dat een collega hem een inktpot naar zijn hoofd gooide - hij

werd er bijna blind van. Bijna al zijn werk ontstond in de avonduren en dat onder grote spanning, want hij schreef veel voor kranten en weekbladen. Dat hij in perioden van zijn leven zijn dagwerk moest doen met de kater van de vorige dag, is te begrijpen en te vergeven. Niet zijn scherpste wit kwam eerder uit de fles dan uit de geest van die allerliefste man die Charles Lamb was.

Het door W. Hazlitt in 1804 geschilderde portret toont een bedachtzame maar fiere kop, een niet onknappe jongeman. Maar de geschreven portretten maken het geschilderde tot een idealisering. Hij had een wat donkere huid, was opvallend licht gebouwd, liep enigszins mank. In zijn jonge jaren, peinzend lopend over straat, deed hij aan een monnik denken. Zijn kleding was vaal en onopvallend. Maar de getuigen zijn hierin unaniem: hij straalde goedheid uit.

Zijn vader was butler; diens dienstbaarheid moet hij hebben geërfd. Hij was een zware stotteraar, wat zijn voorliefde voor 'puns' kan verklaren: daarvoor had hij zeer weinig woorden nodig. Zijn stotter maakte het hem onmogelijk naar de universiteit te gaan. Hij werd klerk; die wordt geacht te zwijgen.

Zijn zus was niet alleen zijn zorgenkind. Was haar geest helder, dan was die speels en literair. Zo hadden de broer en de zus de beste literaire salon van hun tijd: wekelijks ontvingen zij. De soberheid hield de gasten niet weg en verdoofde de geesten allerminst. Maar ook buiten de vaste avond was de gastvrijheid groot: het huis stond altijd open. Hij was geboren voor de vriendschap, de bewonderende vriendschap misschien vooral. Hoe hij met zijn dagwerk en drukke avonden nog zoveel heeft kunnen schrijven, blijft een raadsel waarin hij zelf plezier zou hebben gehad.

Met zijn zus - haar aandeel was verreweg het grootst - schreef hij ook boeken voor kinderen. Het beroemdste is Tales from Shakespeare, dat in 1807 verscheen en sindsdien altijd verkrijgbaar is geweest. Een navertelling van de Odyssee mislukte (hij heeft ook voor toneel geschreven, waaronder een blijspel dat zo verschrikkelijk mislukte, dat het daardoor historisch is geworden).

Pas rond zijn veertigste werd hij wat hij in de literatuurgeschiedenis ook zou blijven: essayist. Hij schiep zich een tweede 'ik', Elia genaamd (de naam van een Italiaanse medeklerk); daardoor kon hij veel van eigen leven kwijt in de essays (die soms sleutelessays zijn). De essays zijn misschien het beste als verhalende gedachtenstromen te omschrijven. En de stromen gaan, met veel literaire verwijzingen en citaten door het dagelijks leven.

De huidige lezer wordt door de traagheid ervan wat ongeduldig; hij vindt veel waarschijnlijk oubollig, de gedachten erin strelen, maar raken niet. Lezen ervan is vaak een vorm van prenten kijken. De herinneringen, zoals die aan de school Christ's Hospital (waarop hij samen met het genie Coleridge was, de jeugdvriendschap werd er een voor het leven; dat zij kort na elkaar stierven is haast symbolisch) zijn het mooist, alle sentimentaliteit daargelaten. Maar die overgevoeligheid maakt hem vaak dierbaar: hij had een hart vol kleine woorden. Hij gold als de grootste criticus van zijn tijd, maar op dat oordeel is men teruggekomen, wat niet wegneemt dat hij, met nog enkelen, de beste smaak en het scherpste inzicht van zijn tijd had. Maar hij was geen geboren rechter.

Sarah Burton heeft hem de verdiende biografie gegeven. Die moest wel een dubbelbiografie worden, want zonder Mary is Charles Lamb ondenkbaar. Dat Charles toch de hoofdfiguur is, kan het slot van het boek bewijzen: zonder hem is over Mary kennelijk niets te vertellen. Zij overleefde hem dertien jaar. Er staat niets over die tijd; er gebeurde kennelijk helemaal niets.

Deze dubbelbiografie is een verhaal in de geest van Lamb zelf: de toon is welhaast zacht, er gebeurt, behalve de moord, weinig opzienbarends. Het leven van de twee gaat voort op verschillende plaatsen in Londen - Lamb was een echte stadsmens. Het zachte licht naar buiten was voor een deel schijn: Charles had zijn alcolholprobleem (zelfs de laatste val uit zijn leven wordt aan dronkenschap toegeschreven; hij viel dood), Mary haar aanvallen van krankzinnigheid.

In het verhaal krijgen natuurlijk de literaire betrekkingen alle kansen, waardoor de biografie ook een stukje literatuurgeschiedenis is. Het werk van Lamb krijgt ruime aandacht, al blijft dat andere werk een raadsel: wat hield dat klerkenbestaan in? Er zijn mooie geschreven portretten van familieleden. Kortom, de dubbelbiografie is een aangenaam boek van een schrijfster die, in de geest van de beschreven periode, de tijd neemt. De tweede garnituur - daartoe hoort Lamb toch - geeft ook de groten gestalte. Dat is hier zeker het geval met Coleridge (over wie men eigenlijk nooit genoeg kan lezen).

Er waren maar weinig mensen bij de begrafenis op 3 janauri 1835. Dat was misschien in overeenstemming met Lambs bescheiden geest. Maar waar waren de velen bij deze laatste keer dat hij gastvrijheid kon tonen?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden