De Zaan komt maar niet tot rust

Het jaar 1996 is Jaar van het Industrieel Erfgoed. Zaterdag en zondag, tijdens het Nationaal Museumweekend, heeft men de gelegenheid om een van de vijftig wandelingen te maken die zijn uitgestippeld langs industriële momumenten....

De uitbaters van Café Batavia hebben de timing van hun opening een beetje fout gepland. Over twee à drie weken pas, zegt de kastelein in spe, terwijl zijn voet pulkt in een toekomstig grintgootje dat het slingerende parcours van de Zaan moet verbeelden.

De timmerman heeft zich uitgeleefd op het freeswerk. Er loopt een hele rivier door het eetcafé, gevestigd in het gelijknamige pakhuis naast het onooglijke raadhuis van de Wormer. De eigenaar beseft het: het Nationaal Museumweekend gaat aan hem voorbij; de wandelaars die zaterdag en zondag aan de hand van de gelegenheidsuitgave 50 Wandelingen langs het Industrieel Erfgoed van Nederland langs de Zaan worden geloodst, zullen zich hier niet kunnen laven. Maar, repliceert hij, wordt ons erfgoed niet het hele jaar door gekoesterd? Nou dan. Café Batavia, met zijn metallic-groene gietijzeren kolommen, zal van de belangstelling nog wel profiteren.

Een monteur repareert zijn motor, achter de bestofte ramen klinkt het geluid van een zaagmachine: zelfs op zondag is het een leven van belang op de Veendijk in Wormer. De plexiglazen naambordjes suggereren kantoren in de design-sfeer, ontwerpbureaus, een 'betere' interieurzaak; aan de kade liggen schilderachtige schuiten opgetuigd.

De pakhuizen zijn, zoals het hoort, in zichzelf gekeerd met kleine vensters en luiken die nu veelal gesloten zijn. De dieprode baksteen wordt afgewisseld met sierbanden in het metselwerk of natuursteen. Een symmetrisch complex met één hoge risaliet in het midden, en twee lagere opzij. Risaliet, dat is de bouwtechnische naam voor een uitspringend verticaal deel.

Ze hebben namen die refereren aan het koloniale verleden, Bassein, Saigon, Batavia, Java en de rijstpellerij Hollandia. Java en Hollandia wijken van de ijzeren symmetrie af, met hoektorens die in de beste sprookjeskastelen voorkomen. Hoewel de geur en de handel zijn verdreven, hebben de pakhuizen niets van hun karakter verloren; de metalen loopbruggen die de etages met elkaar verbinden, zijn ongeschonden, evenals de gebeeldhouwde entree van de rijstpellerij. Het is niet moeilijk je de bedrijvigheid voor te stellen. Schuiten hebben plaats gemaakt voor plezierjachten.

Dit stuk oeverbebouwing in Wormer en Wormerveer hoort tot het industrielandschap zoals dat in Nederland een eeuw geleden ontstond, en ongerept is gebleven. Was de Zaan vooral het middelpunt van de opslag, verwerking en distributie van genots- en voedingsmiddelen, in Enschede kropen de textielfabrieken bij elkaar, en in de Brabantse Langstraat de schoenindustrie. Het industriegebied aan de Zaan behoort tot de oudste ter wereld, dat al in het begin van de 17de eeuw profiteerde van de bloei van Amsterdam. Telkens wisten de ondernemers een nieuw hoofdstuk toe te voegen aan de geschiedenis: van verf, hout en olie, naar scheepsbeschuit, zeep, rijst, cacao, naar deegwaren, linoleum en metaal.

Op enkele kilometers van de pakhuiswand in Wormer staat de Forbofabriek met een schoorsteen waar een jongleur reuzeringen om heeft geworpen. Op de muren krioelt een grafisch patroon in primaire kleuren, en dan ligt er nog een idyllische fabriekstuin omheen. Het industriële zwoegen heeft een aangename component gekregen: van schaftkeet naar Japanse tuin.

En nog is de Zaan niet tot rust gekomen. Pal naast het station van Zaandam torent het nieuwe hoofdkantoor van Albert Heijn, bekleed met baksteen die uit de pakhuizen lijkt te stammen, met indrukwekkende vleugels en een klassieke uitstraling (nadrukkelijke dak- en raamlijsten en opnieuw een risaliet). De geschiedenis gaat niet alleen verder, ze herhaalt zich ook.

Kenmerkend voor de Zaanstreek is het continue proces van bouwen, bijbouwen, slopen en verslepen van gebouwen, stelde het projectbureau Industrieel Erfgoed vorig jaar in zijn rapport vast. Met groot materieel zijn de molens en houten huizen van de Zaanse Schans in de loop der jaren uit het centrum van Zaandam naar een weiland bij Koog aan de Zaan verplaatst; het houten pakhuis de Wildeboer uit 1731 stond ooit op het terrein van Verkade en bevindt zich sinds 1985 in Wormerveer.

Het tekent de dynamiek van het gebied, met op- en neergang zoals het in de industrie hoort. Begin vorige eeuw kwakkelde de bedrijvigheid door handelsbeperkingen in de Franse tijd. Het Noordzeekanaal, aangelegd in 1872, gaf een nieuwe impuls. En tegenwoordig moet de Zaanstreek opboksen tegen Schiphol en het westelijk havengebied van Amsterdam. Er is een obstakel bijgekomen: het slagenlandschap ter weerszijden van de Zaan, gekenmerkt door zijn smalle stroken land en brede sloten, is uitgeroepen tot natuurmonument. Mooi maar lastig, want nu is de industrie gevangen in het corset van de natuur. De Zaanstreek kan geen kant uit.

Van verre straalt de hagelwitte silo van Lassie, met zijn hoogte van zesendertig meter veruit het opvallendste gebouw in Wormer, en nog steeds in functie. Broedplaats van de toverrijst. Lassie, waarschijnlijk een samentrekking van de naam van de firma Laan en silo, dateert uit 1912. Het was een van de eerste silo's die helemaal in gewapend beton is uitgevoerd. Terwijl de gesloten façades van oudere silo's geheimzinnig aandoen, geeft het ritme van de achthoekige cellen - ze vormen een verticale ribbel van kokers in de wand - aan hoe de rijst werd opgeslagen.

Lassie wordt omringd door Silo, Donau, Koningsbergen en Mercurius. Het laatste pakhuis ziet er onttakeld uit - grijs skelet dat zich spiegelt in het water van de Zaan - in afwachting van zijn nieuwe bestemming als archeologisch depot van Noord-Holland. Mercurius is gebouwd door Mart Stam in 1920, op een moment dat de architect nog niet was aangeraakt door de nieuwe zakelijkheid. Art deco-motieven, zoals de oosters aandoende bogen, versieren de voorzijde. Het functionele schuilt wèl in de constructie: Mercurius was het eerste gebouw dat steunt op paddestoel-vormige kolommen, een uitgekiende oplossing voor de opslag-en fabrieksruimte waar de vloer zo veel mogelijk vrij moet blijven.

Aan de overzijde van de Zaan is een gigantische adelaar van gietijzer te zien, die aanstalten lijkt te maken het zwerk te kiezen. 'De Adelaar, Zeepziederij' staat er op de uitkragende toren, restant van een industrie waarbij we ons nu niets meer kunnen voorstellen. De produktie van zeep vloeide voort uit de olieslagerijen, een van de oudste bedrijfstakken langs de oevers, en getooid met namen die nu geschiedenis zijn: De Nachtegaal, De Liefde, De Tijd. Het raap-, kool-, hennep- en lijnzaad werd in grote hoeveelheden aangevoerd uit Vlaanderen, Rusland en de Baltische landen.

De Adelaar produceerde huishoudzeep, een in onbruik geraakt begrip sinds de wasmiddelen de macht hebben gegrepen. Het robuuste gebouw met zijn boogvormige vensters is al lang tot rust gekomen, een hermetisch bolwerk dat geen pottekijkers duldt, ook dít (nationaal) Weekend niet.

De naburige pakhuizen en pakhuisjes aan de kade zijn omgebouwd tot luxe appartementen; op de Veendijk is naast Hollandia een hele rits appartementen verrezen, waar contrasterende linten in het baksteen knipogen naar de industriële buren. De bedrijvigheid is in Wormerveer weliswaar verdwenen, maar het leven niet. Het is een ander leven, niet dat van arbeiders met communistische sympathieën maar van welgestelden die een nieuwe suburb hebben ontdekt.

Bij de Zaanse Schans, drie kilometer zuidwaarts, wisselen de Franse toeristen de Spaanse af en de Spaanse de Japanse. Ze hebben het massaal op de klompenmakerij gemunt, alsof Nederland maar één industrie heeft gekend. De molens op het dijkje geven een betere indruk van de Zaanstreek in de Gouden Eeuw. Ooit waren de oevers bezet door duizend windmolens - het grootste industriegebied ter wereld dreef op windkracht, wat, zoals bekend, de Russische tsaar hevig imponeerde.

Stoom en stroom hebben in de vorige eeuw in snel tempo de molen uit het landschap verdreven. Eerst werden de molens 'ontwiekt' en gevuld met stoommachines, in de tweede fase namen fabrieken hun plaats in. En ze kregen landelijke faam: Verkade, Honig, Duyvis, Albert Heijn.

Van dat regiment molens is nu nog een klein dozijn over, de lilliputters in het weiland niet meegerekend die de polders droogmalen. In verfmolen De Kat knerpt het kalk onder dikke stenen wielen die worden aangedreven door een ingenieus stelsel van in elkaar grijpende tandwielen en schoepen. Zelfs een matige oostenwind weet de molen tot één knarsend bewegend instrument te maken. Die doorlopende lijn van de olie- en verfmolens naar Lassie, Forbo en Albert Heijn, dat is de Zaanstreek ten voeten uit, monument van het industrieel verleden.

Het boekje Vijftig wandelingen langs het Industrieel Erfgoed is verschenen bij uitgeverij Op Lemen Voeten en kost ¿ 29,95. ISBN 90-74980 05-8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden