De zaak zelfgemaakt

David Hockney zet zich af tegen zijn populaire kunstbroeder Damien Hirst. Waar de eerste een romantische 'lone wolf' is, beschikt de ander over een legertje assistenten.Wil de echte kunstenaar opstaan?

Het leek op de Johan Cruijff-Louis van Gaal-discussie bij Ajax: de felle controverse tussen David Hockney en Damien Hirst, begin deze maand. Ging in de Amsterdamse Arena de vete over het verschil tussen echte voetballers en afstandelijke bestuurders, in Engeland werd er een relletje uitgevochten over het echte schilderen. En wie er als ware of valse schilder door het leven mocht gaan.


Aanleiding was de tekst op de poster van Hockneys tentoonstelling in de Royal Academy of Arts in Londen, die dit weekeinde opengaat. Daarop stond te lezen: 'All the works here were made by the artist'. Hockney had de tekst zelf bedacht. En niet zonder reden: hij wilde zijn inmiddels beroemdere collega Damien Hirst een hak zetten.


Hirst, bekend van zijn haai op sterk water en schedel ingelegd met meer dan achtduizend diamanten, heeft namelijk op dit moment ook een aantal exposities. Om precies te zijn: elf tegelijkertijd. In alle vestigingen van de Gagosian Gallery, over de hele wereld. En in al die vestigingen hangt vergelijkbaar werk: de zogenoemde Spot Paintings. Doeken, variërend van miniscule tot wandvullende afmetingen, die op het volle oppervlak van gekleurde stippen zijn voorzien. Niet door Hirst zelf, maar door een legertje assistenten. En juist op die werkwijze richtte Hockney zijn pijlen. Tegenover de Radio Times sneerde hij dit soort kunstpraktijk een 'beetje beledigend' te vinden voor 'bekwame ambachtslieden'. Waarmee Hockney uiteraard zichzelf bedoelde.


Een relletje was geboren, maar was een week later ook al weer voorbij. Voordat het tot volle wasdom kon komen. Hockney nam, bij monde van de Royal Academy, zijn woorden na alle commotie snel terug. De posters zijn inmiddels vervangen door nieuwe. Daarop wordt met geen woord gerept over het feit dat Hockney zelf - 'persoonlijk'- alles heeft gemaakt.


Neemt niet weg dat de uitspraken van Hockney meer zijn dan een kortstondige opwelling. En meer dan een persoonlijke afrekening met een enkele vakbroeder. Ze appelleren aan een breed gedragen sentiment dat onder de liefhebbers van de schilderkunst leeft. Dat schilderijen graag worden gezien als vingerafdrukken van de maker; in verf, op doek, aan de muur. Het behoort tot de romantiek van het metier. En van de maker. Het imago van de lone wolf die in zijn atelier of de weidse natuur aan het werk is om de 'allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie' op het canvas te gooien, zoals de dichter Willem Kloos de artistieke scheppingsdrang ooit typeerde.


David Hockney. Geboren in Bradford, 1937. Begin jaren zestig kreeg hij bekendheid als eigenzinnige pop-art kunstenaar. Verhuisde vervolgens naar New York en later Los Angeles, waar hij tot voor kort permanent woonde. Het zonnige Californië paste wel in zijn optimistische stijl en onderwerpkeuze. Hij schilderde luierende vrienden, zwembaden waarin iemand een bommetje had gesprongen (titel: A Bigger Splash), palmbomen in Hollywood. Kenmerkende stijl: de collagetechniek van verschillende schildertechnieken. Tot halverwege de jaren tachtig. Toen kreeg de camera hem te pakken. En het theater, de opera, waarvoor hij decors ontwierp.


Maar sinds 2002 heeft hij zich weer tot de schilderkunst bekeerd. En hoe. Aanvankelijk in Noorwegen, IJsland en Spanje, waar hij op zoek was naar het beste licht. De laatste zeven jaar voornamelijk in zijn geboortestreek, East Yorkshire, nabij de Engelse oostkust. Daar schilderde hij de landschappen van zijn jeugd, voor het eerst niet langer van foto's, maar in de open lucht. Met olieverf op canvas, krijt op papier of met zijn vingers op een iPhone of iPad (waarvan hij de beelden laat afdrukken op monsterlijk grote formaten).


Wat je ook van de kwaliteit vindt - mijn mening: totaal belegen presentatie van quasi-impressionistische panoramaschilderijen- , de tentoonstelling is wel een ode aan het Engelse landschap, aan de onbespoten natuur én de romantiek van de schilderkunst. En wie in Londen het werk van Hockney zal bekijken, kan niet anders dan tot de conclusie komen, dat hij heeft gedaan wat hij aanvankelijk op de poster had laten afdrukken: alle schilderijen zijn inderdaad eigenhandig van de schilder afkomstig. De 74-jarige Engelsman heeft geen assistenten, dan alleen zijn vriend die voor hem de canvassen op de ezel zet en de kwasten en tubes klaar legt.


In alles probeert de tentoonstelling een grote puurheid uit te stralen. Hier hangt werk aan de muur van een man die eerlijk zijn boterham heeft verdiend. De selfmade man die met zijn penseel verf op het doek aanbrengt, waarin iedere beslissing is na te voelen. Waarin elke artistieke overweging is na te lezen. Als een afdruk van zijn geniale kunstenaarsschap. In die zin is het adagium dat een schilder alles zelf moet maken niet alleen een persoonlijke voorkeur van Hockney. Het is algemener. Het ligt ook in de schilderkunst zelf.


Anders dan, pak 'm beet, bij de beeldhouwkunst, fotografie of tekenkunst, reflecteert een schilderij het imago van de scheppende kunstenaar. De pasteuze verf is beter bij machte het handschrift van de maker te verbeelden. In elke kwaststreek is te zien hoe de schilder uit de grove materie een beeld probeert te maken. Dat hij uit de ongevormde verf een landschap probeert te vormen, een gezicht, een stilleven. Het behoort tot een van de sentimentele waarden van de schilderkunst: dat het niet alleen een beeld laat zien, maar ook de weg die de schilder heeft afgelegd om tot dat beeld te komen.


In die zin onderstreept een schilderij het imago van de lijdende kunstenaar, die ploeterend en zwetend te werk is gegaan. Als een arbeider. Gebukt onder zijn genialiteit, waaraan hij gevolg moet geven. Omdat hij niet anders kan. Niet anders mag. Omdat hij móet, bevolen door zijn talent. Schilderen als een religieuze opdracht. Als een morele, individuele verplichting. Die niet uitbesteed mag worden.


Reden waarom, volgens Hockney, kunstenaars als Hirst te veel zijn afgedreven van wat kunst moet zijn. Of wat de kunst ís. Niet alleen omdat ze zelf niet schilderen, maar ook omdat ze te veel een bedrijf geworden zijn. Te commercieel.


Wat op zich een vreemde gedachte is, historisch gezien. Beroemde kunstenaars waren in het verleden misschien wel meer artistiek zakenman, dan scheppend individu. Denk aan de hoeveelheid assistenten en leerlingen die Michelangelo er op na hield, Rubens. Denk aan moderne en eigentijdse kunstenaars, als Andy Warhol en Jeff Koons, die veelal op een mechanische manier kunst fabriceren. Door assistenten. In veelvoud. Zoals architecten en cineasten te werk gaan.


Eigenhandig gemaakte kunst als waarborg en synoniem voor kwaliteit - gezien het werk van Rubens, Michelangelo, Warhol of Koons kan niemand zo'n stelling volhouden.


Hockney ziet dat blijkbaar anders. Hij kiest liever zijn eigen wegbereiders. In plaats van Michelangelo of Warhol ziet hij zichzelf graag als erfgenaam van bekende, romantische, Angelsaksische landschapsschilders als Constable, Turner, Thomas Moran, John Ruskin en John William Inchbold. Als John Ruskin liet hij zich zelfs fotograferen voor een rotslandschap met kabbelend beekje. De foto, afgedrukt in de catalogus, is het bewijs dat Hockney zich een-op-een tot de illustere Ruskin wenst te verhouden.


Traditie is voor Hockney niet zomaar een woord: het betekent houvast voor een schilder. Dat hij in een lijn staat met beroemde voorgangers. Dat hij ze na kan voelen, omdat hij op een vergelijkbare manier, met de voeten in de klei, het gezicht in de wind, de vingers gewapend tegen de kou, in het landschap heeft gestaan. En dat heeft geschilderd. Ouderwets, traditioneel, ploeterend, twijfelend, met de geschiedenis als bewezen goedkeuring.


De controverse met Hirst is dan ook gebaseerd op Hockney's terugkeer naar zijn roots, als Engelsman en schilder. Komt bij dat Hockney ook de ijzige adem van de voortschrijdende tijd voelt. Na zijn fancy jaren in Los Angeles en zijn bloeiende carrière als fotograaf en toneelontwerper is hij niet alleen older and wiser geworden, maar ook sadder.


Want dat speelt ook. De terugkeer van Hockney naar Yorkshire en zijn verdediging van de goede oude individuele (schilder)kunst zijn ook uitingen van een kunstenaar op leeftijd, en misschien wel op zijn retour. Zoiets maakt een kunstenaar recalcitranter. Met minder begrip voor de nieuwe tijd. En een stevige omarming van hoe het vroeger was.


Hij zal het zelf niet toegeven, maar het is wel een feit. Hoe ongekend druk het bij de pers- opening ook was, het moet Hockney zijn opgevallen dat hij links en rechts door een nieuwe generatie kunstenaars voorbij wordt gestreefd. Door jongere kunstenaars zoals Hirst. Die meer aandacht krijgen, makkelijker de media bespelen, meer geld verdienen. En dat voor elkaar krijgen zonder zelf een kwast op het canvas te hoeven zetten.


Sterker, in het geval van Hirst is het misschien maar goed ook dat hij niet zelf schildert. Het gekke is namelijk dat ook Hirst een paar jaar geleden last had van schildersentimenten. Waarschijnlijk had niemand dat verwacht. Vanaf de vroege jaren negentig liet hij koeien door midden zagen, haaien op sterk water zetten en een schedel met diamanten inleggen. Maar vijf jaar geleden besloot hij plots zelf wat te penselen. Om de traditie van zijn illustere voorganger en collega-drinker Francis Bacon voort te zetten. Die was ook met dood en verderf bezig geweest.


In oktober 2009 liet Hirst in de Londense Wallace Collection het resultaat zien. Een serie van 25 donkerblauwe doeken waartegen hij witte schedels, messen, haaientanden en asbakken had geschilderd. Het hele arsenaal aan attributen waarmee hij eerder al berucht was geworden. Maar nu in verf. Het was een bedroevende bedoening. Goedkoop sentiment vermengd met nog goedkopere kitsch, die evenwel door Hirst werd verdedigd, omdat hij iets met traditie had. Hij voelde zich 'deeply connected with the past'.


Het bleek achteraf een eenmalige flirt met de hockneysiaanse schilderkunst te zijn. Na 25 schilderijen was hij er mee gestopt. Wat achteraf een goede beslissing was. Die ook nog eens bewees dat de kunstenaar over meer zelfkennis beschikte dan verwacht. Want je kan zeggen van Hirst wat je wilt. Dat hij stroman van het kapitaal is, een schilderende entrepeneur, een gewiekste kunstenaar, mediageile poseur.


Het is allemaal waar. Maar Hirst weet gelukkig ook wanneer hij iets níet moet doen. Waar Hockney blijft voortmodderen, uit naam van de traditie en de lijdende Einzelgänger, maakte Hirst een statement: om niet langer de romantische schilder uit te hangen. En het lijden aan zijn assistenten over te laten.


David Hockney: A Bigger Picture. Royal Academy of Arts, Londen. 21 januari tot en met 9 april. royalacademy.org.uk


Damien Hirst. The Complete Spot Paintings 1986-2011. Gagosian Galleries, New York, Beverly Hills, Londen, Parijs, Rome, Genève, Athene en Hong Kong. gagosian.com


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden