De Yahoo-generatie en het einde van de krant

Een niet-lezende generatie gecombineerd met de trend dat informatie gratis wordt, luidt de laatste levensfase in van krantenuitgevers zoals we die kennen....

HET IS WAAR, de internethype is zo dood als een pier. Wie nu nog geen strandhuis in de Cariben bijeen heeft geschraapt, hoeft het niet meer te proberen. De afgelopen zes jaar waren een woeste initiatierite in een nieuwe economie, die sommigen puissant rijk heeft gemaakt en velen een stuk armer. De illusie dat het nooit minder zou worden, hield stand tot maart vorig jaar. Daarna heeft internet veel van zijn magie verloren, maar het zou simplistisch zijn te denken dat het web zelf ook zijn langste tijd heeft gehad.

Oude media, kranten voorop, zullen nog veel met het net te stellen krijgen. Wereldwijd maken 400 miljoen mensen gebruik van internet, van wie 7,9 miljoen in Nederland. Elke dag kijken zij tien of twintig minuten naar hun scherm. Ze mailen en chatten, versturen sms-berichten, spelen spelletjes, zoeken informatie. Maar wat ze ook doen, hoe weinig verheffend dat ook moge zijn, in dat internetkwartier doen ze in elk geval iets anders niet.

Hierdoor verliezen dagbladen aandacht van lezers. De cultuur van internet, het haastige, trouweloze en onberekenbare van dat net, heeft iets gedaan met de generatie jongeren die in de jaren negentig van school kwam. Waar hun ouders zich nog jaar in jaar uit 'lid' wisten van een dagblad, abonneren zij zich even vanzelfsprekend niet. Een los nummer of een gratis Spits! is al mooi. Hoeveel van die ontlezing veroorzaakt is door internet, is een raadsel, maar dat jongeren en het web elkaar 'liggen', valt niet meer te ontkennen.

Jongeren zijn het individualisme voorbij. Ze zijn knopen in een netwerk, schakels die per dagdeel even vlot van merk en mening wisselen als van beltoon. Het wereldnieuws laat ze niet koud, maar ze zijn wars van stromingen, zuilen of partijen. Hun interesses zijn vloeiend, de hipste gril is nooit meer dan één klik weg, en doordat ze zich gretig blootstellen aan al die prikkels, hebben ze voor alles even weinig aandacht. Ze leven in de breedte, voor diepgang is het leven te kort.

Internet is hun habitat en hun medium. Wie nu van de universiteit komt, heeft jarenlang lesroosters en faculteitsberichten van het net gehaald, online research gedaan, muziek van Napster geplukt en zijn laatste date van een clubsite. Het kan bijna niet anders of er komen honderdduizenden afgestudeerden bij voor wie een browser het venster op de wereld is. En dus laten jongeren zich nu over het wereldnieuws informeren door de kopregels van Yahoo, of een Nederlands equivalent.

Niet dat ze die koppen lezen. De Yahoo-generatie leest geen koppen, en scant geen koppen, maar kijkt koppen. Voor de koppenkijker is een kop niet het begin van een bericht, maar het héle bericht. Bijna tv. Zijn cultuur is een beeldcultuur met iconen, openklappende vensters en stuiterende flash-animaties, zoals het ook een cultuur is van meervoudige virtuele persoonlijkheden: je wilt best jezelf zijn, maar waarom zou je alleen jezelf zijn? In dat universum is de impact van koppen direct en onverbiddelijk. Het is nieuwsconsumptie met de diepgang van een surfplank.

Als lezers niet meer lezen, worden schrijvende journalisten overbodig. Net als drukpersen. Krantenuitgevers zien die bui wel hangen, maar kunnen geen probate list verzinnen. Daarentegen klampen ze zich vast aan die 400 miljoen ogenschijnlijk eenvoudig te bereiken klanten. Ze speculeren op een massamarkt die maar geen massamarkt wil worden. Dat zit zo: er is wel massa, maar geen markt.

Er zijn miljoenen consumenten op internet, maar die hebben het te druk met zelf producent zijn. De revolutie van internet bestond er immers uit dat iedereen zijn eigen uitgever kon zijn? Anders gezegd: elke vraag wordt overspoeld door aanbod. Tegenover elke vier gebruikers online, staat één aanbieder: er zijn 100 miljoen websites op die 400 miljoen internetters.

Dat zet de dingen op hun kop. Informatie is niet meer wat het was. Waar ooit schaarste heerste, is nu overvloed. Het gevolg: alles van waarde wordt gratis. De Amerikaanse journalist Kevin Kelly, mede-oprichter van het tijdschrift Wired, schreef dit in 1998. In Regels voor een nieuwe economie voorspelde hij dat in de nieuwe netwerkeconomie alles gratis of zo goed als gratis kon worden, niet alleen informatie maar ook stoffelijke zaken, van gsm's tot auto's.

Zelfs als dat laatste overdreven is, had Kelly met zijn eerste profetie al groot gelijk. Immateriële zaken, informatie, relaties en ideeën zijn al jaren gratis op het net. Pornografie is de uitzondering, financiële informatie heel misschien een andere - waarbij je je kunt afvragen of de essentie van porno wel informatie is; 'dienstverlening' is wellicht een meer adequate aanduiding.

Voor dagbladuitgevers, makelaars in algemene informatie pur sang, is die gratis-trend funest. Hun product - niet papier uiteraard, maar informatie, relaties en ideeën - is bij uitstek immaterieel. De krant verspreidt het als nieuws, commentaar, smaak, achtergronden. En verkoopt de 'relaties' als 'bereik' aan adverteerders.

De optelsom van beide ontwikkelingen, een niet-lezende Yahoo-generatie boven op de gratis-trend, luidt de laatste levensfase in van krantenuitgevers zoals we die kennen. Oplages dalen, adverteerders betalen minder, verliezen nemen toe. Waar uitgevers nu manhaftig roepen dat het zo niet langer kan, dat gratis lang genoeg geduurd heeft, en dat zij ook op internet geld gaan vragen voor hun producten, is sprake van een kramp. Dat internetters zullen betalen voor wat ze voorheen voor niets kregen, berust slechts op wishful thinking.

Omdat internet niet meer weg zal gaan, hebben dagbladen geen andere keuze dan zich aan te passen aan de mores en de automatismen van de netwerkeconomie. Wie veronderstelt dat die 'nieuwe economie' genegeerd kan worden, neemt een geweldig risico. Weliswaar hebben economen de groeimogelijkheden overschat en hebben beleggers zich vertild aan het speculatieve karakter van doldrieste businessplannen, de mechanismen van de netwerkeconomie zijn niet minder reëel.

De belangrijkste wet van die economie luidt dat de meeste waarde in het netwerk wordt toegevoegd door het netwerk zelf, en niet door individuele producenten. Wiskundigen zeggen dat de waarde van het netwerk exponentieel toeneemt, als het kwadraat van het aantal leden. Dat veroordeelt uitgevers dan tot de periferie. Zij zijn gewend te denken aan lineaire groei, aan veel een-op-een-klantrelaties, waarvan de optelsom hun oplage is. Maar op internet is massaal bereik een fictie, of in elk geval onbetaalbaar.

Haaks op dat versplinterde 'bereik' staat vreemd genoeg nog een ander fenomeen. Internetgebruikers zoeken elkaar ook weer topics-gewijs op. Dat is de tweede wet. Fragmentatie wordt begrensd door het enige schaarse goed dat de Yahoo-generatie nog kent: tijd. Er zit maar 24 uur in een dag, en je kunt nu eenmaal niet altijd met iedereen over alles chatten. Waarom zou je?

Op internet hokt men derhalve rond een issue bijeen, vliegvissers bij vliegvissers, liefhebbers van Eco bij andere Eco-fans, ADHD-ouders bij lotgenoten. Ziedaar het ontstaan van informatieniches, ofwel one-issue-clans. Kleine stammen die onafhankelijk zijn van geografische of taalgrenzen, en van louter communicatie aan elkaar hangen. Ze delen niet een drinkplaats of een terp, maar slechts een onderwerp, een thema, een bevlieging.

Kranten moeten inzien dat ze het net niet kunnen negeren. Wie aldus gaat struisvogelen, maakt - zei Bert Niewold van brancheorganisatie Cebuco onlangs in NRC Handelsblad - een product voor een generatie die over twintig jaar is uitgestorven. Dat is niet erg, elk product komt aan zijn eind, maar dagbladen zijn meer dan een product. Ze willen een rol spelen in het maatschappelijk debat. Om dat te kunnen blijven doen, zullen ze zichzelf opnieuw moeten uitvinden. De eerste conclusie van zelfonderzoek moet zijn dat er met nieuws in de netwerkeconomie geen droog brood te verdienen valt. Nieuws op het net is gratis.

Gelukkig is het product van een krant al lang geen 'nieuws' meer. Het is complexer. Een theaterrecensie is iets anders dan nieuws, laat staan breaking news. Het commentaar is vaak oud nieuws. Een ingezonden brief op de Forum-pagina, een vileine column over niets, de tv-tips - je kunt het met goed fatsoen geen nieuws noemen.

Informatie dan? Te eenzijdig. Een krant in het internettijdperk is meer dan de optelsom van redacteuren. Lezers gaan steeds meer meebepalen wat een krant is. Hun band met de krant, en met elkaar, wordt allengs belangrijker. De term hiervoor is: community. Die gemeenschap had weinig om het lijf in de oude economie, omdat lezers hooguit konden reageren op elkaars ingezonden brieven, of met een touringcar vol een dagje gingen wandelen in de Harz. In de netwerkeconomie daarentegen wisselen ze meningen uit, leveren commentaar, maken reclame voor producten waarvan ze tevreden gebruiker zijn en sturen 'nieuws' rond dat misschien niet voor alle lezers even relevant is, maar door sommigen - laten we zeggen: de visvliegclan - buitengewoon wordt geapprecieerd.

Kranten die nu al schamperen dat ze daar niet aan kunnen verdienen, zijn kortzichtig. Wie slechts bedrukt papier wil verkopen, verdient wellicht nog de investering in zijn drukpers terug, maar delft een zeker graf. Het moet anders kunnen door gebruik te maken van de eerste wet van de netwerkeconomie: de waarde van het netwerk neemt toe als het kwadraat van het aantal gebruikers. Niet de oorspronkelijke aanstichter van het netwerk, maar zijn leden zijn de kern. De rol van de krant is een afgeleide - hoe moeilijk dat ook te verteren is voor journalisten.

Wat moeten kranten doen om het tij te keren? Ze moeten om te beginnen multimediaal worden, als ze dat nog niet zijn - en met een simpele website naast de gedrukte editie, zo'n shovelsite waarop elke dag slechts happen krant worden geschoven, kwalificeert een krant zich niet als multimediabedrijf.

Het kan anders. Wereldwijd werken ruim honderd kranten vanuit een multimedia-newsroom, ofwel een redactie die tegelijkertijd een krant volschrijft en een tv-station vult, die vaak ook radio maakt naast de vanzelfsprekende website. Fameuze voorbeelden: de Financial Times nam honderd redacteuren extra in dienst om 24 uur per etmaal zowel een site als een krant te maken, en bij de Chicago Tribune praten toonaangevende redacteuren een tv-programma vol.

Toegegeven: de meeste multimedia-newsrooms zijn niet winstgevend. En websites spelen een minder grote rol dan het liaison tussen krant en tv. Maar dat neemt niet weg dat moderne kranten zichzelf niet langer zien als handelaren in bedrukt papier, maar makelaars in informatie zijn geworden, hoeders van een online en offline community, en de creatieve stichters van informatieniches - zodra die niches volwassen zijn, en op eigen benen kunnen staan, gaan ze hun eigen weg, en moet de krant weer nieuwe bedenken.

In het bedenken en grootbrengen van die niches schuilt mogelijk de nieuwe inkomstenbron voor kranten. Het is zoiets als het creatieve proces dat voorafgaat aan een themakatern of een magazinereportage. En net als zo'n verhaal verliest een informatieniche na verloop van tijd zijn waarde, zij het om een andere reden: de krant als bron van de niche is overbodig geworden zodra het spel op de wagen is, het mechaniekje momentum krijgt, en de netwerkende lezers de meeste waarde toevoegen.

Slimme uitgevers hebben al geprobeerd de niches te verkopen aan adverteerders, als een kleine maar scherp gedefinieerde doelgroep die best lastiggevallen wil worden met voor haar relevante boodschappen. Het blijkt op internet juist niet om massa te gaan. Zoals Kelly zei: internet is de technologie van het midden, bij uitstek geschikt voor een formaat kleiner dan de massa en groter dan het ik.

Vrijwel alle kranten in Nederland hebben nu een website, maar daarmee zijn ze niet minder monomediaal. Ze produceren louter tekst op een medium dat wordt gebruikt door een generatie die niet meer leest. Kranten die zullen overleven, die de Yahoo-generatie aan zich binden, zullen ten minste in beeld en geluid, animaties en interactie denken. Ze zullen gratis headlines blijven weggeven, als flyers voor een feest, en meer en meer zullen ze dat doen via draadloze media (gsm, palmtop, handheld). En ze zullen tv gaan maken, geen Philip Freriks op postzegelformaat, maar flitsen die je wél keer op keer wilt zien: dat doelpunt van Van Basten, de raketaanvallen van de Golfoorlog, Maxima en haar 'Hij was een beetje dom.'

Voor wie nog wél wil lezen, zullen die kranten lange verhalen afdrukken op papier. Maar voor de Yahoo-generatie zal de krant nooit meer alleen een meneer zijn. De krant op internet, dat zijn de lezers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden