De wondere wereld van het kinderboek

DE KERSTVAKANTIE is een mooie tijd (en laatste kans) om de tentoonstelling Wonderland - Van Pietje Bell tot Harry Potter) in de Rotterdamse Kunsthal te bezoeken....

De catalogus van het evenement heet Wonderland - De wereld van het kinderboek. Het is een groot, prachtig en rijk geïllustreerd boek, gedrukt op dik glanzend papier. Tentoonstelling en catalogus zijn een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek, die ook in 1998, ter ere van haar tweehonderdjarig bestaan, een tentoonstelling organiseerde: Het wonderbaarlijk alfabet. Kennelijk heeft de directie toen de smaak te pakken gekregen om de collectie aan de buitenwereld te presenteren.

De indeling van de catalogus is overzichtelijk chronologisch, al wordt daar een enkele keer van afgeweken. De 104 hoofdstukjes beslaan steeds twee pagina's en zijn geschreven door deskundigen. Ze behandelen een genre, illustrator, onderwerp, doelgroep of een auteur.

Relatief veel aandacht is besteed aan de geschiedenis van het kinderboek. Wonderland begint met hoofdstukken over kinderprenten, ABC-boeken, de eerste kinderbijbel en Moeder de Gans, dat in 1679 verscheen. Via Hieronymus van Alphen (1778), de Sprookjes van Grimm, Pietje Smeerpoets, Robinson Crusoë, Alice in Wonderland, De hut van oom Tom, Jules Verne, Onder moeders vleugels, Alleen op de wereld en Dik Trom zijn we bij hoofdstuk 37 pas aan het begin van de vorige eeuw. Dan volgen nog 25 hoofdstukken die het begin van de twintigste eeuw behandelen: Top Naeff, de rijmpjes van Rie Cramer. Hier duiken vaker boeken op die nog steeds worden gelezen. Afke's tiental, Ot en Sien, Niels Holgersson, Theo Thijssen en Chris van Abcoude die twee hoofdstukken krijgt: een over Pietje Bell en een over Kruimeltje. Ook Leonard Roggeveen krijgt er twee: een over Bram Vingerling en een over Okkie Pepernoot. Joop ter Heul, Vadertje Langbeen, De kameleon: de volwassen lezer heeft veel te genieten en wordt overvallen door nostalgie.

Hoofdstuk 70 behandelt Annie M.G. Schmidt. Nu zijn er nog 34 hoofdstukken over voor de afgelopen vijftig jaar - dat wordt een beetje dringen. Bij de historische boeken lijkt de keuze makkelijker. Die hebben de tijd gekregen om klassiek te worden. Opvallend is dat aan het populaire boek van vijftig jaar terug ruimschoots aandacht is geschonken. De Pietje Bell-boeken werden bij verschijnen verguisd door de critici. Ze vonden Pietje 'geen verkieslijke vriend'. Hij zou een verderfelijke invloed op kinderen hebben. Met het voorbijgaan van de jaren is het oordeel milder geworden. Misschien hebben de critici van nu de boekjes in hun eigen kindertijd gelezen. Geen topkwaliteit, maar het las wel heerlijk weg. Nu doen de boekjes vooral denken aan het veilige vroeger. Die hang naar lekkere slappe boekjes van vroeger komt ook tot uitdrukking in de verfilming van Kruimeltje en Pietje Bell. Maar de ruimhartige kijk op boekjes van vroeger keert niet terug bij de moderne populaire boeken. De laatste 25 hoofdstukken gaan hoofdzakelijk over onbetwiste topauteurs en vooral Griffel-winnaars. Uitzonderingen zijn Paulus de Boskabouter, Flipje van Tiel, Thea Beckman en Paul van Loon.

De populaire, maar niet-bekroonde schrijvers worden kritisch beschreven. Over Beckman schrijft Judith Eiselin dat ze veel bekritiseerd is om haar clichématige taalgebruik, en ze neemt haar stevig op de hak. Jan Smeekens schrijft over Paul van Loon dat zijn succes moeilijk te verklaren is. In zijn hoofdstuk over de Nederlandse Kinderjury concludeert hij dat de lievelingen van de Kinderjury niet in staat zijn de lezer mee te voeren naar nieuwe werelden.

Een moderne variant op 'de niet verkieslijke vriend': de criticus die zeker weet dat populaire boeken niet goed zijn voor kinderen. Vroeger werden populaire boeken op morele gronden veroordeeld, tegenwoordig op een gebrek aan stilistische of literaire kwaliteit. De overeenkomst is dat er kennelijk wordt neergekeken op schrijvers voor wie kinderen vallen. Ze krijgen in ieder geval geen hoofdstuk in het boek en geen vitrine op de tentoonstelling: Jacques Vriens noch Evert Hartman - (beiden vier keer bekroond door de Kinderjury - noch Carry Slee, negen keer door de Kinderjury gelauwerd.

Dat geeft te denken. Zouden de samenstellers, in vergadering bijeen, hebben besloten: die al te populaire figuren, daar beginnen we niet aan? Of zouden ze hen misschien vergeten zijn (doordat ze weinig buiten de studeerkamer komen of zelden contact hebben met kinderen in het wild)? En wat is erger?

Gebeld met Reinder Storm van de Koninklijke Bibliotheek (KB), nauw betrokken bij de samenstelling van het boek. Het is zo gegaan: Anne de Vries (conservator van de KB) heeft een lijst opgesteld met honderd hoofdstukken. Daar zijn deskundige auteurs bij gezocht. Aan hen de vraag over welke hoofdstukken zij wilden schrijven en of er nog iets aan de lijst ontbrak. Resultaat: na wat schuiven en toevoeging van hoofdstukken over Anansie, Kameleon, strips en Bob Evers, kreeg het boek zijn 104 hoofdstukken. Geen boze opzet, bezweert Storm. Als hij het mocht overdoen zou Slee erbij moeten. Dat had ook makkelijk gekund, bijvoorbeeld in plaats van twee hoofstukken over Roggeveen.

Tentoonstelling en boek zijn, afgezien van deze veelzeggende omissie, prachtig. Voor de Slee-fans is er één troost. In het Kinderboekenmuseum in Den Haag is er een tentoonstelling louter en alleen over Carry Slee en haar boeken. Maar daar is geen catalogus bij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden